Bart Kamphuis: Varianten in Bijbel geen reden tot scepsis over gezag Schrift

Bart Kamphuis: „Als je de handschriften van het Nieuwe Testament bestudeert, zie je dat de oudste handschriften veel onderlinge verschillen laten zien.”  beeld Hogeschool VIAA, Ingeborg Lukkien
2

De handschriften van het Nieuwe Testament tellen duizenden varianten. Komt dit niet in mindering op de betrouwbaarheid van de Bijbel? Theoloog Bart Kamphuis, die maandag promoveert op de handschriftmethode van Jan Hendrik Holwerda (1805-1886), ziet het anders. „Het behoedt voor afgoderij met een boek. God heeft deze voluit menselijke geschriften gegeven om mensen bij Jezus Christus te brengen.”

Kamphuis (36), docent-coördinator aan Hogeschool Viaa te Zwolle en zoon van prof. dr. B. Kamphuis, promoveert maandag aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) op de Bijbelwetenschapper Jan Hendrik Holwerda (1805-1886) en diens studie van de verschillen in de overgeleverde tekst van het Nieuwe Testament. Het gaat in zijn proefschrift ”Against all Authorities” om zogeheten „conjecturen”: voorstellen om de tekst te herstellen wanneer deze niet goed lijkt te zijn overgeleverd in de handschriften.

Kamphuis houdt zich momenteel samen met onder anderen dr. Jan Krans aan de VU bezig met systematisch onderzoek naar de conjectuurkritiek van het Nieuwe Testament, wat geleid heeft tot een onlinedatabank van bijna 6000 conjecturen op het Nieuwe Testament. „Slechts enkele honderden hiervan kunnen serieus aanspraak maken op blijvende waarde. Maar het gaat ons ook om het historisch belang: al die conjecturen getuigen van een eeuwenlange, tomeloze zoektocht naar het oorspronkelijke Nieuwe Testament.”

Enfant terrible

Holwerda gold binnen de theologische wereld van zijn tijd als een enfant terrible. Hij was geïnteresseerd in klassieke talen, maar koos voor de theologie omdat hij predikant wilde worden. In Leiden werd hij vervolgens toch weer het meest aangetrokken tot de classici, van wie hij leerde om heel kritisch met de handschriften om te gaan. Dat ligt eenvoudig met klassieke teksten, maar een stuk gevoeliger bij het Nieuwe Testament.

Voor Holwerda was dat geen punt, zeker niet nadat hij gevallen was voor het boek ”Das Leben Jesu” van David Friedrich Strauss, waarin het hele Bijbelse verhaal van Jezus gelezen werd als mythologie. Daarmee verloor hij, zoals hij het zelf zegt, het geloof van zijn kindertijd. Holwerda wilde zijn ambt als predikant zelfs opgeven en zag een uitweg in een academische loopbaan. Maar vanwege zijn complexe, polemische (mogelijk autistische) persoonlijkheid liep dat geheel spaak. Hij besloot zijn veranderde overtuigingen voor zichzelf te houden, bleef predikant en werd uiteindelijk ook nog rector van de Latijnse school in Gorinchem.

Kamphuis: „Als je de handschriften van het Nieuwe Testament bestudeert, zie je dat de oudste handschriften veel onderlinge verschillen laten zien. Dat heeft verdedigers van de zogeheten foutloosheid van de Bijbel gebracht tot het aanhangen van de zogenaamde meerderheidstheorie: zij gaan niet uit van de oudste, onderlinge verschillende handschriften, maar van een grotere groep jongere handschriften uit de tweede helft van de middeleeuwen. Die zijn veel gecontroleerder gekopieerd en daarom onderling ook veel uniformer. Dat zou dan dus de oorspronkelijke Bijbeltekst zijn die God in Zijn voorzienigheid goed heeft bewaard.”

Wetenschappelijk gezien is dat echter heel problematisch, vindt Kamphuis. „Die meerderheidstekst is aantoonbaar later ontstaan, en over het geheel genomen minder oorspronkelijk dan wat we in de oudste handschriften aantreffen. We zullen dus moeten leven met al die verschillen tussen de kopieën en naar ons beste kunnen bij iedere variatie de meest oorspronkelijke variant selecteren.

Of dus soms zelfs, in het uiterste geval, een conjectuur maken. Achteraf moet je concluderen dat veel van Holwerda’s conjecturen blijvend relevant zijn gebleken.”

Een orthodox christen die gelooft in het onfeilbare Woord zal ervan schrikken dat er fouten en onzorgvuldigheden in Bijbelhandschriften zouden zitten.

„We moeten op een gelovige en ontspannen manier met de Schrift omgaan. Tussen de opvatting van de Bijbel als een volstrekt foutloos boek en de Bijbel als een verzameling van puur menselijke geschriften die je niet bij God brengen, zijn veel meer opties. Als je uitgaat van een systeem van inspiratie waarin geen enkel scheurtje mag zitten, kan het zo onbuigzaam worden dat het ineens breekt. Zo zijn mensen bijvoorbeeld door de confrontatie met de handschriften hun geloof kwijtgeraakt. Maar je moet je vertrouwen op God stellen, niet op de Schrift die God gebruikt om je bij Jezus Christus te brengen. Dat is bij mij ook wel een proces van loslaten en overgave geweest. Uiteindelijk kan ik zeggen dat mijn onderzoek louterend is geweest voor mijn geloof.”