Frits van Oostrom over monniken en kooplui

Literatuurgeschiedenis
Fragment van omslagillustratie van "Wereld in woorden" (uit een 14e-eeuwse Tsjechische vertaling van de ”Reis van Jan van Mandeville”: astronomen bestuderen de nachtelijke sterrenhemel).

Soms verschijnt er een boek dat je iedere geschiedenisliefhebber in handen zou willen stoppen. Zoveel nieuwe inzichten, zoveel prachtige verhalen, zoveel leesplezier. Zo’n boek is ”Wereld in woorden” van Frits van Oostrom.

Het beeld dat op de een of andere manier het beste blijft hangen is dat van een zwijgende kartuizer monnik in zijn kluis, een monnik zonder naam, die in 35 jaar tijd een kleine 5000 bladzijden bij elkaar schrijft. Zo’n beetje de meest productieve en meest invloedrijke auteur van de middeleeuwen – en we wisten tot voor kort bijna niets van hem. Nu pas voor het eerst krijgt hij in de canon van de literatuurgeschiedenis de plek die hem toekomt.

Het is zijn levenswerk om de Bijbel en allerlei basisteksten uit de theologie en de kerkgeschiedenis voor het eerst in de volkstaal te vertalen. Hij moet de juiste Nederlandse woorden voor ontelbare theologische, Bijbelse en kerkelijke begrippen uitvinden, hij legt het fundament waarop alle latere Bijbelvertalers, theologen en predikers in de volkstaal hebben voortgebouwd. De Bijbelvertaler van 1360, onze eigen John Wycliff.

Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat de Engelsman Wycliff zo’n faam in de kerkgeschiedenis heeft opgebouwd, terwijl bijna niemand de Nederlandse Bijbelvertaler van 1360 kent – die met zijn vertaling evenzeer een koploper was binnen Europa. Misschien komt dat doordat Wycliff meer rumoer veroorzaakte, meer volgelingen om zich heen had en bovendien als ketter werd verbannen en ter dood veroordeeld – hoewel niet terechtgesteld.

Het is een geliefkoosde theorie van Van Oostrom: in de uithoek van de Nederlanden konden gevaarlijke projecten die de grenzen van het kerkelijke gezag verkenden makkelijker van de grond komen dan elders in Europa. De Nederlanden hadden geen eigen universiteit –de dichtstbijzijnde geleerde theologen zaten in Parijs en lazen geen Nederlands– en dus konden mystieke teksten, Bijbelvertalingen en theologie in de volkstaal hier een hoge vlucht nemen, zonder dat daar meteen strenge kerkelijke maatregelen aan verbonden werden.

Zo kon de kartuizer monnik –aan wie het slechts eenmaal per week vergund was om een uurtje met zijn kloosterbroeders te praten– in stilte zijn werk doen. Dat ging niet zonder tegenstand van medegeestelijken, zoals blijkt uit de woorden waarin hij zich tegen kritiek van deze ”beknagers” verdedigde, onder meer met Psalm 118: „De Heere es mijn hulpe – icken sal niet ontsien wat mi de mensche doen sal.”

Maar uiteindelijk kenden zijn teksten een weergaloze verspreiding en doorwerking, en vormden ze een vruchtbare voedingsbodem voor de kring rond de grote middeleeuwse mysticus Jan van Ruusbroec en de beweging van de moderne devotie die, niet veel later, opnieuw het vertaalwerk ijverig ter hand zou nemen.

De hoofdstukken over geestelijke letterkunde en moderne devotie vormen hoogtepunten in het boek ”Wereld in woorden”. Frits van Oostrom mag zichzelf bestempelen als „respectvol ongelovig”, zijn werk getuigt van een enorme gevoeligheid voor de geestelijke dimensie van de literatuur en alles wat daarbij hoort: Bijbelvertalingen, mystiek, geloof, wonderen, gemeenschapsvorming, moraal.

Hij neemt ze allemaal serieus, de mensen uit het ”Mirakelboek” van Den Bosch die op bedevaart gingen in de hoop op een wonderbaarlijke genezing, de zoekende zielen die zich lieten bemoedigen door Ruusbroec, de moderne devoten die met hun sobere kleding en opzichtige ernst aanstoot gaven in het straatbeeld.

Wie ook de andere delen in de serie ”Geschiedenis van de Nederlandse literatuur” gelezen heeft, kan niet anders dan zich verbazen over het feit dat de in dit boek beschreven wereld naadloos zou moeten aansluiten op de wereld die Herman Pleij in het volgende deel tekent: één grote werveling van laatmiddeleeuws stadsleven, van kermis en poppenkast, rondtrekkende volkspredikers, acteurs en straatdichters – een literatuur van het volk en van de steden.

Die opkomende steden beschrijft Van Oostrom evenzeer als factor van belang. De burgerij en de koophandel zijn ook in zijn boek bepalend voor de enorme veranderingen die zichtbaar worden in de literatuur. De in ridders en geestelijken belichaamde moraal van eer, trouw, dapperheid en dienstbaarheid verschuift naar de achtergrond, de praktische burgerdeugden treden op de voorgrond.

Toch vermoedt Van Oostrom daarnaast nog een andere verklaring voor de enorme tekstproductie: een grootscheeps hervormingsoffensief van de kerk. Ook al blijft het voorlopig gissen naar het precieze verband tussen de explosie van religieuze teksten en de pastorale koers van de kerk in de Lage Landen – waar merkwaardig genoeg nog nauwelijks onderzoek naar gedaan is.

De fundamentele aandacht die Van Oostrom besteedt aan de christelijke binnenkant van de middeleeuwen is minder aanwezig in het boek van Pleij. Een nog groter verschil tussen beide boeken heeft te maken met Van Oostroms aandacht voor de persoon van de auteur. Literatuur is bij hem geen loutere kwestie van vraag en aanbod, van markt en propaganda. Eén schrijvende monnik met liefde voor zijn onderwerp kan het verschil maken, één door idealen voortgedreven mens kan de wereld verbeteren. Daarmee ligt er in ”Wereld in woorden” soms een bijna romantisch accent op de persoonlijke drijfveren en overtuigingen van de auteur.

Die voorzichtig beleden liefde voor de mensen van vroeger, de wil om hen te begrijpen maakt de boeken van Van Oostrom bijzonder. De zwijgende kartuizer in zijn kluis, de kleine rondtrekkende bedelmonnik Augustijnken, de nuchtere chirurgijn Jan Yperman, de ambitieuze hoveling Dirc Potter – 
allemaal mensen met hun eigen gedachten, emoties en overtuigingen te midden van een wereld die heftig in beweging is.

De veertiende eeuw is een eeuw van natuurrampen en oorlogen, een eeuw waarin miljoenen mensen in Europa sterven aan de pest. Maar Frits van Oostrom wenst die eeuw niet –in lijn met de traditie– te zien als eeuw van verval, voor hem is het een „eeuw van vernieuwing.” Die onderhuids positieve ondertoon doortrekt zijn boek, en maakt het mét zijn beeldende stijl vol gloedvolle details zo aantrekkelijk voor de moderne lezer.

Daar zit precies ook het punt waarvan de lezer zich bewust moet zijn bij het lezen van ”Wereld in woorden”: de verleidingskracht van de auteur is zo groot dat de „verre spiegel” van de veertiende eeuw soms al te dichtbij komt, compleet met de moderne idealen van vernieuwing, creativiteit, hartstocht en bezieling.

Maar Van Oostrom zou zichzelf niet zijn als hij niet óók benadrukte hoe anders en vreemd die verre wereld is. Hij beschrijft de geschiedenis van al die prachtige handschriften –soms lang bewaard en toen tóch nog dramatisch verloren gegaan–, de stilte van de kloosters, het bruisende leven in de stad, de Vlaamse lakenhandel, de opkomende Mariadevotie, de grote ontwikkelingen in wetenschap en wereldbeeld. Niet alleen via hoogliteraire teksten als de ”Beatrijs”, maar ook via stichtelijke traktaten, medische naslagwerken en encyclopedieën.

Hij is als een reisgids, die de onwennige toerist helpt om het vreemde land dat hij beschrijft, te begrijpen, desnoods via gewaagde vergelijkingen met het heden. Bijvoorbeeld waar hij beschrijft hoe een chirurg het leven van zijn patiënt probeert te redden, terwijl meneer pastoor al klaarstaat om hem over de drempel van de eeuwigheid te helpen: „statistisch ongeveer het spiegelbeeld van beider rolverdeling thans.”

Dit boek beschrijft niet alleen de literatuur, maar ook het leven. Het houdt de lezer soms zelfs, tussen de regels door, een spiegel voor: hoe leef je zelf, en hoe zou je moeten leven? Dat maakt dat het, behalve vrucht van veel studie, ook een werk van visie en verbeelding is. Op zulke boeken zitten lezers te wachten.


Negendelige serie

”Wereld in woorden” is het tweede deel van de nieuwe, toonaangevende Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, onder redactie van Arie Jan Gelderblom en Anne Marie Musschoot. Behalve voor dit boek tekende de Utrechtse universiteitshoogleraar Frits van Oostrom voor het eerste deel in de reeks, dat de periode tot 1300 behandelt: Stemmen op schrift (2006). Van de hele serie zijn tot nu toe zes delen van diverse auteurs verschenen, er moeten er nog drie komen. Herman Pleij schreef –onder de titel Het gevleugelde woord (2007)– het deel over de periode 1400-1560, dat chronologisch volgt op het nu verschenen ”Wereld in woorden”. Bij het boek is een website gelanceerd, waar achtergrondinformatie gegeven wordt.


Boekgegevens

Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400, Frits van Oostrom;
uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 2013; ISBN 978 90 351 3940 4; 656 blz.; € 35,-.