Van Rulers theocratisch ideaal blijft actueel

In een interview ter gelegenheid van zijn dissertatie over het theocratisch visioen van A. A. van Ruler noemde J. P. de Vries dat visioen „een fascinerend ideaal dat je hart warm doet kloppen.” Om daar direct aan toe te voegen: „Maar uiteindelijk verdedigt hij een theocratisch ideaal dat op grond van de Bijbel en de werkelijkheid niet mogelijk en ook niet wenselijk is.”

Het is op zich opmerkelijk dat een gereformeerd vrijgemaakte niet-theoloog, oud hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, op de hervormde theoloog Van Ruler (1908-1970) promoveerde. Het resultaat mag er zijn. Een helder geschreven boek waarin de visie van Van Ruler geheel tot haar recht komt.

Van Rulers ideaal berustte op „ten minste vijf pijlers”, zegt De Vries terecht: de gedachte dat Davids regering een model voor alle tijden is, met daaraan verbonden een specifieke visie op de betekenis van het Oude Testament; de gedachte dat volken natiegewijs tot Christus worden gebracht; kerstening van het volk als overheidstaak; de visie op het christendom (in de praktijk) als nooit meer dan vermenging van openbaring en heidendom; en de stelling dat de geschiedenis en de cultuur van Europa door het christendom zijn bepaald.

De Vries brengt de theocratische gedachte op elk van die onderdelen voor het voetlicht. Daarbij komt uiteraard uitgebreid de verhouding tussen kerk en staat aan de orde, met Van Rulers beeld van de ellips waarin kerk en staat de beide brandpunten zijn, waaromheen zich het hele geordende leven voltrekt.

Van Ruler stond voor de volkskerk. Scherp was hij in zijn afwijzing van de neutrale staat. Nochtans was ook de tolerantie principieel ingebed in zijn theocratische visie: tolerantie niet als concessie maar als confessie, als afspiegeling van Gods geduld met Zijn wereld. Het is de doorgetrokken lijn van de gelijkenis van Jezus over het tweeërlei zaad in de akker.

Van Ruler was ervan overtuigd dat het theocratisch ideaal botst op de huidige weerbarstige werkelijkheid. De Vries merkt op dat hij (daarom) in de loop van zijn leven wel terughoudender werd, maar dat hij het visioen nooit heeft opgegeven.

Intussen vecht De Vries de vijf pijlers van Van Ruler stuk voor stuk aan. Tegenover Van Rulers stelling dat het Oude Testament de eigenlijke Bijbel en het Nieuwe Testament een „verklarende woordenlijst” daarbij is, voert hij „het onderscheid tussen de bedelingen als gevolg van de komst van Christus” aan. Ik werp hier tegen dat bij Van Ruler de theocratie nieuwtestamentisch ook voluit christocratie is. Daarbij richt hij zich net als Ph. J. Hoedemaker op artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarin wordt beleden dat de overheid geroepen is het koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen. Christus is gekomen om wet en profeten te vervullen, niet om die af te schaffen. En de oudtestamentische profeten richtten zich tot het hele volk.

Hier plaats ik overigens een kanttekening bij de door De Vries gehanteerde aanduidingen „ruimere theocratische” of „min of meer theocratische” gedachte bij doorbraaktheologen als Miskotte. In de ontwikkeling van de in de Hervormde Kerk opgevoerde en intussen failliet gegane apostolaatstheologie verschilde Van Ruler juist op het punt van artikel 36 met Miskotte van mening. Bij doorbraaktheologen ging het namelijk niet om de relevantie van de decaloog in het politieke leven maar om het Gebot der Stunde, dat op den duur vanuit een ideologisch bepaald gerechtigheidsbegrip werd ingevuld. Hier moeten we maar niet van theocratie spreken. Van Ruler is met de consequenties van die apostolaatstheologie op het eind van zijn leven hevig in conflict gekomen.

Uiteindelijk kiest De Vries voor de rechtsstaat in plaats van „een staat met de bijbel.” Hij zegt: „Daarom kiezen wij, met afwijzing van zowel theocratische idealen als doperse afzijdigheid, voor een derde weg, gebaseerd op de feitelijke aanvaarding van een democratisch ingericht publiek bestel, waarin elke overtuiging gelijke rechten heeft.” De theocratische droom wordt in zijn visie pas gerealiseerd nadat Jezus is teruggekomen.

Na Van Ruler is het theocratisch visioen in ons land en in het ooit gekerstende West-Europa nog veel verder van de werkelijkheid vandaan komen te staan. Nog afgezien van het feit dat theocratie, oftewel Godsregering, voluit geloofsbelijdenis is, blijf ik de theocratische droom voor kerk en staat dromen, het visioen handhaven en daarmee in de modder staan van de geseculariseerde samenleving. Wel besef en aanvaard ik dat de neutrale staat, dat wil zeggen een staat met gelijkberechtiging van religies en politieke visies, vandaag het werkdomein van de christen is.

Het is opmerkelijk dat in kringen waarin de theocratische gedachte altijd het sterkst heeft geleefd, thans hartstochtelijk wordt gestreden voor godsdienstvrijheid, en wel uit eigenbelang. In ieder geval krijgt de visie van Groen van Prinsterer inzake aanvaarding van de neutrale staat, teneinde een ideologisch gedomineerde staat te voorkomen, vandaag volle actualiteit.

Waarom ik nochtans die droom blijf dromen? De Vries merkt op dat Van Ruler de hoop heeft uitgesproken dat zijn theocratische visie in de 21e eeuw weer meer erkenning zou krijgen. „Daarvan kan echter niet worden gesproken”, zegt hij. Dat valt te betwisten. Uitgerekend in de 21e eeuw verschijnt Van Rulers ”Verzameld werk”.

Maar – dieper: Van Ruler deed ook ooit de uitspraak dat het tot het wezen van de theocratie zou kunnen horen, dat tot voor koningen en overheden de Naam moet worden beleden en dat aan die belijdenis dan het martelaarschap verbonden is. Daarvoor behoeven geen brandstapels te worden opgericht. We zitten midden in een ontwikkeling waarin religie wordt verbannen uit het publieke domein naar achter de voordeur. Dan blijf ik nochtans de droom dromen. Want Gods recht is volstrekt en wordt niet bij meerderheid van stemmen bepaald (Hoedemaker).


Boekgegevens

”Een theocratisch visioen. De verhouding van religie en politiek volgens A. A. van Ruler”, door J. P. de Vries; uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 2011; ISBN 9 7890 2392 6122; 354 blz.; € 29,90.