Spenglers beklemmende profetie van een onafwendbare ondergang

3

Verguisd, bestreden, maar nu plotseling actueel, appellerend aan cultureel onbehagen en crisisbesef. De klassieker van de Duitse cultuurfilosoof Oswald Spengler, ”De ondergang van het Avondland” (1918-1922), trekt in brede kringen veel aandacht. Loopt onze westerse cultuur ten einde? Zijn we radeloos in onze antwoorden?

Het boek is niet bepaald toegankelijk voor de argeloze lezer. Briljant en meeslepend geschreven, is het tegelijk duister vanwege de weidse en soms ondoorzichtige beschouwingen over cultuur, kunst, wiskunde, religie, filosofie en geschiedenis. Naast de eerste vertaling in het Nederlands lanceert uitgeverij Boom daarom de website LeesSpengler, waarop tal van opiniemakers en intellectuelen hoofdstukken samenvatten en de actualiteit van het boek toelichten en bediscussiëren.

Filosoof Ad Verbrugge spreekt over „het beslissende boek voor de 21e eeuw.” In Duitsland gingen er bij verschijning in de jaren twintig honderdduizenden exemplaren over de toonbank. Is Spengler een nieuwe hype? Opiniebladen pakken ermee uit, al dan niet met een knipoog naar politicus Thierry Baudet, die Spengler de „grootste worsteling in mijn leven” noemt omdat zijn boek hem doet verlangen naar de vermeende heelheid van de wereld zoals die er voor de Eerste Wereldoorlog was. En spengleriaanse titels over het verval en de neergang van het Westen doen het al decennia goed.

Context

De Nederlandse conservatief Tom Zwitser wijst erop dat Spengler in Duitsland nog steeds en masse gelezen wordt en dat hij behoort tot ’s lands beste wijsgerige auteurs. Zwitser plaatst Spengler in de categorie van vrije profetische denkers en cultuurcritici, die los van de academische wijsbegeerte opereren. Spengler legt met name de vinger bij de zielloze mens, die slaaf is van het systeem dat hij zelf in het leven heeft geroepen door middel van wetenschap en techniek.

Spenglers boek verscheen niet uit het niets. Na de Eerste Wereldoorlog stond de Duitse natie op instorten; het land voelde zich vernederd door de immense herstelbetalingen die werden opgelegd. Spengler verwachtte in eerste instantie een oplossing van de kant van Hitler; afkerig als hij was van democratie verlangde hij naar een sterke aristocratische leider. Maar hij wendde zich al snel teleurgesteld af van de nazi’s, bij wie hij persona non grata werd.

Spengler kwam daarop tot het inzicht dat de crisis niet beperkt bleef tot de Duitse natie en de burgerlijke cultuur in zijn land, maar betrekking had op de westerse cultuur als geheel. Hij sprak van „een copernicaanse ontdekking” en besloot een compleet nieuwe filosofie van de cultuur en wereldgeschiedenis te schrijven.

Spengler heeft één oogmerk, schrijft hij in de inleiding op zijn werk: het ontwikkelen van „een nieuwe kijk op de geschiedenis, een filosofie van het lot.”

De ”ondergang van het Avondland” is volgens Spengler een filosofisch thema dat „alle grote bestaansvragen omvat.” Hij beoogt niets minder dan het onthullen van de „morfologie van de wereldgeschiedenis”, een vormleer van beschavingen die alle cultuurgebieden „intrinsiek” met elkaar verbindt.

Verstarring

Waar gaat het Spengler ten diepste om? Willen we erachter komen welk lot de westerse cultuur beschoren is, dan moeten we volgens hem eerst inzicht krijgen in wat cultuur is. Cultuur is in feite het bedwingen van de wereldangst. En daar komt de kern van Spenglers boek om de hoek kijken. Zoals dat bij alle leven in de natuur het geval is, doorlopen ook beschavingen een vaste cyclus van geboorte, groei, verval en dood. Het late cultuurstadium noemt Spengler beschaving of civilisatie – een fase van onvruchtbaarheid en verstarring in de cultuur. „Ze sterft af, haar bloed stolt, haar krachten breken – ze wordt civilisatie.”

Cultuur is bij Spengler actief, het creatieve worden. Beschaving is meer het passievere zijn, gekenmerkt door stagnatie. Religie heeft dan haar culturele scheppingskracht verloren. In het begin van de cultuur is nog sprake van vrijheid en spontane schepping, later ontaardt alles meer en meer in een mechanisch en bureaucratisch geordend geheel. „Wat we nu meemaken is het decrescendo van de briljante nakomelingen, die de boel op een rijtje zetten, verzamelen en afronden, net zoals de Alexandrijnse geleerden in de Romeinse tijd deden.”

Eeuwige cyclus

Het proces van geboorte tot verval werkt Spengler uit aan de hand van de acht wereldbeschavingen of hogere culturen: de Babylonische, de Egyptische, de Chinese, de Indische, de Indiaans-Mexicaanse, de klassieke (Grieks-Romeinse), de Arabische en ten slotte de westerse of Europees-Amerikaanse cultuur.

Ik laat de uitvoerige indelingen van de westerse beschavingen voor wat ze zijn, maar concentreer mij op de late cultuurperiode. De westerse cultuur begint volgens Spengler rond het jaar 900, bij de opkomst van een sterk Germaans beïnvloed rooms-katholicisme. Deze cultuur bereikt haar hoogtepunt rond 1500, op het snijvlak van gotiek en barok.

Het proces van civilisatie begint volgens Spengler bij de verlichting. Het impliceert een toenemende overwinning van de stad op het platteland, van de massa op de elite, van de kwantiteit op de kwaliteit, van het geld op de politiek.

Kenmerkend voor Spengler is zijn afkeer van de opvatting dat de geschiedenis een proces is van vooruitgang en verbetering, dat er een ontwikkeling is richting welvaart, vrede en gelijkheid. De bekende trits van oudheid, middeleeuwen, moderne tijd is volgens Spengler „het ongeloofwaardige schriele en zínloze schema” van het historische denken. Hij gelooft in de eeuwige cyclus van de culturen, in de geschiedenis als „een oeverloze stroom die opduikt uit een duister verleden en zich in een even duistere en tijdloze toekomst verliest.” Samenvattend: „In de wereldgeschiedenis zie ik het beeld van een eeuwige gestaltevorming en -verandering, een wonderbaarlijk worden en vergaan van organische vormen.”

Moderne stad

Spengler schrijft onthutsende zaken over de laatste fase van de cultuur, die van de grote stad. Het leven is verintellectualiseerd („de grote stad is de vrije geest”) en vercommercialiseerd. De mens vervreemdt van de grond en van de oerkrachten van intuïtie en instinct. Er komt „een nieuwe nomade, een parasiet, de pure feitenmens, zonder traditie, die in een vormloos fluctuerende massa optreedt, areligieus, intelligent, onvruchtbaar, met een diepe aversie tegen de boerenstand.” Er zijn dan geen grote scheppingen meer te verwachten, er is alleen een groep ijverige prutsers en luidruchtige dwazen die voor de ‘markt’ produceert. „De massa is het einde, het radicale niets.”

Een begeleidend verschijnsel is het geleidelijk afnemen van de bevolkingstoename en een ontvolkingsproces dat eeuwen kan duren; met als uiteindelijk gevolg totale weerloosheid tegen het binnendringen van andere culturen en volken.

Spengler verwacht in de nadagen van de beschaving de heerschappij van steeds primitievere volksmenners en despoten in de lijn van Julius Caesar. Hij voorziet dat dictators (zoals Hitler?) hun kans grijpen en oorlogen voeren waarbij de vroege nationale oorlogen tussen staten maar kinderspel blijken te zijn. Spengler noemt hierbij de enorme uitbreiding van militaire middelen en beroepsplegers. „Hoe langer de ontlading wordt uitgesteld, des te monsterlijker worden de middelen en des te ondraaglijker groeit de spanning.”

Religie

Het is opmerkelijk dat Spengler na de teloorgang van de beschaving (civilisatie) een godsdienstig reveil verwacht, een „tweede vroomheid”, een terugkeer van het godsdienstig gevoelen uit de „lentetijd” van de oermensheid, waarin de wereldangst –„ongetwijfeld het creatiefste van alle oergevoelens”– bezworen wordt.

Toch moeten we ons daarin niet te rijk rekenen, want religie heeft bij Spengler vooral de betekenis van verbinding met de voorstedelijke natuur, een terugkeer naar het gotische christendom. Religie is voor hem metafysica, datgene wat het aardse overstijgt, een irrationeel geloof, niet van deze wereld, zoals Jezus’ boodschap ook niet was. „Geen geloof heeft de wereld ooit veranderd, en geen feit kan ooit een geloof weerleggen.”

Interessant is dat Spengler in het kader van deze ”tweede vroomheid” bewegingen als de Reformatie en het puritanisme noemt, die een herleving van vroomheid nastreefden als reactie op starre dogmatiek en uiterlijk ritueel. Maar ook deze bewegingen verzanden volgens Spengler weer in rationalisme en materialisme, waardoor ook deze oplevingen ondergaan in verval.

Faustisch

Het meest overtuigend is Spenglers kenschets van de moderne westerse cultuur als ”faustisch”, verwijzend naar de hoofdpersoon uit Goethes beroemde roman ”Faust”. Deze Faust had een onvervulbare drang naar kennis en verkocht zijn ziel in ruil voor alwetendheid aan de duivel. Faustisch staat tegenover apollinisch of klassiek (met dank aan de classicus-filosoof Nietzsche), met zijn gevoel voor begrensdheid, ruimte, maat en overzichtelijkheid, en tegenover magisch: het geloof van moslims, joden en christenen, waarin slechts één God de ware en goede kan zijn.

De faustische cultuur is een wilscultuur, gericht op beheersing, uitbreiding, politiek, economisch of geestelijk. Zij is een en al rusteloosheid, wil zich voortdurend laten gelden, met als gevolg een „voortschrijdende ontworteling van het bestaan.” In de ethiek van het Westen is alles gericht op machtsaanspraak en op de algemene geldigheid van de moraal. Daarin zijn volgens Spengler Luther en Nietzsche, pausen en darwinisten gelijk. „Wie anders denkt, onderwijst, wil, is zondig, afvallig, een víjand.”

Somber

Spengler heeft onmiskenbaar een sombere kijk op de late periode van de beschaving. De publieke opinie wordt misleid door de pers, de democratie functioneert slechts in schijn. „De democratie heeft het boek uit het geestelijk leven van het volk verdreven en het volledig vervangen door de krant.” Macht staat boven recht. En dat alles tekent juist het einde van de democratie. „Door het geld vernietigt de democratie zichzelf, nadat het geld de geest heeft vernietigd.” Uiteindelijk komt naar Spenglers oordeel het caesarisme op, dat korte metten maakt met de dictatuur van het geld.

De diepste grond van Spenglers sombere toekomstperspectief is de gedachte dat elke cultuur onderworpen is aan een onafwendbaar lot. De mensheid „heeft geen doel, geen idee, geen plan, net zomin als een vlinder- of orchideeënsoort een doel heeft.” Alle culturen zijn naar Spenglers oordeel onderworpen aan de wetten van de causaliteit (oorzaak en gevolg). De sterke mens aanvaardt zijn noodlot en ondergaat het.

Spengler eindigt zijn werk met een citaat van de stoïcijn Epictetus: „Het lot begeleidt hem die toestemt, de onwillige sleurt hem mee.” Spenglers standpunt heeft veel weg van dit heroïsch realisme; het bepleit het liefhebben en omarmen van het lot –amor fati– zoals hij dat van Nietzsche leerde.

Van alle markten

Spengler is van alle markten thuis. Hij is enorm belezen en behandelt als een homo universalis de vele verschijningsvormen van de cultuur. Op het punt van de detailkritiek zal hij ongetwijfeld door de mand vallen. „Een intellectuele roman van de eerste orde”, schreef de Duitse schrijver Thomas Mann over het boek. Spengler beschouwde zich als een filosoof die zijn inspiratie niet uit de vakliteratuur haalde. „We wachten vandaag echter nog altijd op een filosoof die vertelt in welke taal de geschiedenis is geschreven en hoe zij moet worden gelezen”, klinkt het hautain. Spengler kijkt tevergeefs om zich heen naar iemand „die door één diepzinnig oordeel zijn tijd vooruit was en naam heeft gemaakt in een belangrijke kwestie”, zo zegt hij zelf.

Spengler beschouwde zich als een ziener. Hij verkende de contouren van „een nieuwe filosofie”, „dé filosofie van de toekomst – voor zover aan de metafysisch uitgeputte bodem van de westerse wereld überhaupt nog zo’n filosofie kan ontspruiten”, aldus Spengler. Zijn perspectief is dan ook uiterst subjectief, meer gevoed door geloof dan door wetenschap, meer mythologie dan geschiedwetenschap.

Spengler slaat vaak de plank mis als hij het christendom in kaart brengt. Maar af en toe geeft hij toch originele detailbeschrijvingen van de meest uiteenlopende cultuuruitingen, van de orgelkunst tot Mariacultus.

Profetisch

Ik denk dat Spengler profetisch het verval van de moderne cultuur in kaart heeft gebracht. Ik noem onder meer de uitholling van de democratie door de macht van het geld en de media, de ontwortelde massa’s in de grote steden, de komst van technocratische heersers met bijna onbeperkte macht, de onstilbare faustische drang van de westerse wetenschap en techniek naar meer, groter en beter (waarvoor we nu in veel opzichten de prijs betalen) en het gebrek aan hogere bezieling in cultuur, wetenschap en kunst. Zijn diagnose is ernstig; en daarom is het des te noodzakelijker dat er een generatie christelijke cultuurdenkers opstaat die profetische antwoorden geeft die wél richtinggevend zijn.

Grootse presentatie in ‘poptempel’ Paradiso

De ”Ondergang van het Avondland” werd dinsdagavond 10-10 groots gepresenteerd in poptempel Paradiso te Amsterdam –de voormalige Vrije Gemeente– in aanwezigheid van maar zo’n 600 bezoekers. Verschillende denkers gingen met elkaar in gesprek over het boek, zoals René ten Bos, Afshin Ellian, Mark Wildschut, Ad Verbrugge, André Klukhuhn, Emanuel Rutten, Chris Rutenfrans en vele anderen.

Vertaler Wildschut beklemtoonde dat Spengler geen racist of halve nazi was, om dit hardnekkige idee uit de wereld te helpen. Spengler spreekt wel vaak van rassen, maar dan in de zin van een rasvoetballer en rasartiest. Spengler zag nazi’s als dieven, moordenaars, beroepsmisdadigers en barbaren. Wildschut typeerde Spengler als een innerlijk verscheurd mens, die leefde in de nadagen van het Duitse burgerdom, beseffend dat de westerse cultuur definitief ten einde was.

Filosoof Ad Verbrugge noemde de ”Ondergang” een controversieel en intrigerend boek, dat hem vooral heeft geleerd dat elke cultuur een collectieve ziel of identiteit bezit. Spengler biedt veel ruimte om andersoortige culturen te begrijpen. Dat brengt actuele vragen in het vizier, bijvoorbeeld over de identiteit van de Nederlandse cultuur, de dynamiek van de instituties die aan wankelen zijn, over nieuwe gestalten van cultuur en de periodieke kanten van mens en cultuur.

Verbrugge refereerde aan de symbolische plaats van presentatie: poptempel Paradiso. De voormalige vrijzinnige kerk bevindt zich in hartje Amsterdam, aan de Weteringsschans, vlak bij het Leidseplein. Ook in die zin symbolisch, omdat Spengler juist de moderne stad typeert als behorend tot de laatste fase van de cultuur.

In de jaren tachtig stond op het Paradiso een verlicht kruis dat mysterieus heen en weer bewoog, als een schip op zee. Ik liep toen ik er vlakbij woonde er bijna elke avond langs. Het is me nooit duidelijk geworden wat de betekenis van dat kruis was. Een mysterieus lichtend kruis, midden in de asfaltjungle. Het kruis uit het Morgenland is het enige antwoord op Spenglers diagnose van het Avondland.

Oswald Spengler

Oswald Spengler werd geboren op 29 mei 1880 in Blankenburg (Harz). Hij studeerde wiskunde en natuurwetenschappen in Halle, München en Berlijn. Zijn proefschrift over de Griekse filosoof Heracles werd geweigerd vanwege gebrek aan literatuurverwijzingen. Na leraar te zijn geweest aan een gymnasium in Hamburg, waar hij wiskunde, natuurkunde, Duits en geschiedenis doceerde, vestigde Spengler zich in München als zelfstandig schrijver over cultuur, geschiedenis en politiek.

In de periode 1918-1922 werd zijn voornaamste tweedelige werk, ”De ondergang van het Avondland”, gepubliceerd, waarin hij zijn alomvattende kijk op de westerse cultuur ontvouwde. Hij publiceerde in 1931 ”De mens en techniek” (vorig jaar nog een derde Nederlandse druk), waarin hij de kwalijke gevolgen van techniek en industrialisatie op de cultuur uiteenzette. „De mechanisering van de wereld heeft het stadium van de gevaarlijkste overspanning betreden”, schreef hij onder meer. Hij waarschuwde tegen de tendens van het Westen om zijn technologie te exporteren naar vijandige „gekleurde rassen” die dit als wapen tegen het Westen zouden gebruiken.

Spengler leefde de laatste jaren van zijn leven vereenzaamd en teruggetrokken in München, waar hij duizenden boeken kocht en een verzameling antieke wapens aanlegde. In de lente van 1936 merkte hij profetisch op dat het Duitse Rijk binnen tien jaar niet meer zou bestaan. Spengler stierf drie weken voor zijn 56e verjaardag, op 8 mei 1936, aan een hartaanval.

Boekgegevens

De ondergang van het Avondland, Oswald Spengler, vert. Mark Wildschut; uitg. Boom, Amsterdam, 2017; twee delen; ISBN 978 90 895 3156 8; 1200 blz.; € 89,-.