Oproep tot authentiek christelijk leven

Ton Verleg. beeld RD
2

Over spiritualiteit is al veel geschreven, maar een handboek vanuit Bijbels en christelijk perspectief én ingebed in een complete mensleer, was er nog niet. Ton Verleg zet een veelzijdig standaardwerk neer dat theologische, wijsgerige en psychologische inzichten verenigt. De mens is ten diepste een eenheid en hij is geroepen om God te verheerlijken als een trouwe discipel, zo is zijn hoofdstelling.

De schrijver formuleert vier ”vensters” die een alomvattend perspectief bieden op het menselijk bestaan. Dat zijn het persoonlijkheids- of psychisch aspect (ziel), het geloofs- of geestelijk aspect (geest), het lichamelijk aspect (lichaam) en het sociaal aspect (de ander). Verleg onderscheidt tussen de natuurlijke of zielsmens, de geestelijke mens en de vleselijke mens. De natuurlijke mens is de mens zoals hij geboren is (in zijn schepselmatigheid als zodanig goed, maar wel door de zonde verdorven); de geestelijke mens is de mens die opnieuw geboren is en leeft onder het beslag van de Geest (Verleg schrijft Geestelijke mens consequent met een hoofdletter); de vleselijke mens heeft de Heilige Geest wel ontvangen, maar leeft in de praktijk daar niet naar.

Het eerste en uitvoerigste deel heet ”Leven met Jezus”. De meeste aandacht gaat uit naar de verhouding tussen ziel en geest. Het eerste begrip omvat gevoel, verstand en wil; het tweede intuïtie, geweten en contact met God. Als ziel is de mens verwant met de zienlijke wereld en daarop gericht; als geest is de mens afgestemd op de onzienlijke, geestelijke wereld. Krachtens de scheppingsstructuur is de mens aangelegd om God in vrijheid te dienen óf een slaaf van satan te zijn. „God heeft de mens zó geschapen dat zijn vrijheid, grootheid en zelfstandigheid stevig liggen verankerd in God: bron en doel van zijn bestaan.”

De stelling van de schrijver is dat Gods Geest gebruikmaakt van de menselijke geest. Gods Geest werkt in de mens, zonder zijn menselijkheid uit te schakelen. De goddelijke genade verwoest de menselijke natuur niet, maar veronderstelt die en brengt haar tot voltooiing en verrijking. Ook als de mens zich ontwikkelt tot geestelijke volwassenheid (door geloof en wedergeboorte), blijft hij ten diepste dezelfde persoonlijkheid.

Wie een specifieke geloofsweg verabsoluteert, veroorzaakt een breuk tussen het bovennatuurlijke en het menselijke. „We krijgen allemaal privéonderwijs. God vindt ons te belangrijk voor het gewone confectiewerk. Omdat Hij ons door-en-door kent en kosten noch moeite spaart, levert Hij maatwerk aan.” Wie God alleen maar wil ervaren in het buitengewone en spectaculaire, verliest het zicht op God, Die Zich juist veel meer kenbaar maakt in het gewone en alledaagse leven. En niemand kan gelovig zijn zonder een gemeenschap om hem heen!

Het tweede deel, ”Geest, ziel en lichaam”, bevat een uitgewerkte Bijbelse antropologie van het Oude en Nieuwe Testament. Het laat zich ook uitstekend als zelfstandig onderdeel lezen (en is zelfs ook los te koop). Het deel is grondleggend voor het eerste deel en biedt een knap staaltje van een mensleer die ziel, geest, lichaam en het sociale aspect van het menszijn in één verband beschrijft. Bijbelse gegevens komen uitvoerig aan de orde, in relatie gebracht tot inzichten van theologen, filosofen en psychologen. Toch noemt Verleg het bescheiden „een denk- of werkmodel dat helpt nadenken over het christelijke leven van de discipel van de Heer Jezus.”

Discipelschap

Die laatste opmerking brengt bij de praktische en pastorale insteek van het handboek. Het eerste deel zet in met een hoofdstuk dat als pakkende titel draagt: ”Geestelijke gelovigen gezocht”. Daarmee komen we volgens Verleg in het hart van de evangelische spiritualiteit. „Leven met Jezus lukt alleen in de kracht van de Heilige Geest.” De schrijver is vooral geïnteresseerd in „de dynamiek van het Geestelijke leven van de christelijke discipel.”

Discipelen zijn leerlingen en navolgers, en wel van Jezus als het volmaakte voorbeeld. Maar al streven we ernaar om Jezus gelijkvormig te worden, wij zijn en blijven christenen, geen Christus. „Blind-letterlijke imitatie van Christus brengt onechtheid met zich mee”, schrijft Verleg. „Als Christus iets níet was, dan wel onecht!”

Daarom moet onze navolging ook recht doen aan onze authenticiteit, onze unieke persoonlijkheid. God maakt gebruik van onze natuurlijke gaven. Geestelijke gaven worden door Verleg beschouwd als een verbijzondering of intensivering van het leven dat de Levensgeest toebedeelt aan het schepsel. Charismatische uitingen staan dus niet op zichzelf, maar moeten worden beschouwd in relatie tot onze natuurlijke bekwaamheden. Zo is de schrijver ook terughoudend om te spreken van ”godsdienstige” gevoelens, omdat die onderscheiden worden van niet-godsdienstige, dat wil zeggen gewone, alledaagse gevoelens.

Ervaring

De schrijver benadrukt dat de kennis van God opgedaan wordt in een persoonlijk ervaren levensgemeenschap met God Zelf. Dat gaat niet ten koste van het verstand, dat zich volgens de Bijbel concentreert in het hart en niet in het hoofd. „Waarheid is er pas écht als het hart ernaar wordt gericht.” Het hart is de plaats waar de mens zijn diepste en onverbrekelijke eenheid vindt. Dat voorkomt eenzijdige gerichtheid op het gevoel én op onze daden (alleen de levenspraktijk).

Ondanks alle uitwassen op het gebied van gevoelens en emoties die de schrijver kritiseert (overgeestelijkheid: „De Heer heeft dat aan mij geopenbaard”), zijn de ervaring en de beleving toch tekenen dat de gelovige geraakt is door God. Omdat het geloofsleven zijn weerklank vindt in het gevoelsleven, moet het volgens Verleg te denken geven dat christenen soms amper bewogen worden door de inhoud van hun geloof. Het is een graadmeter van onze „Geestelijke gevoelstemperatuur” als onze hartstochten stilvallen als we aangesproken worden op hemelse, goddelijke zaken, maar we wel ineens enthousiast raken over ons huis, de vakantie en een nieuwe auto. We leven er dan niet alleen naar, maar missen kennelijk de innerlijke geloofsband met God. De schrijver is daar scherp in.

Geloofsbeleving werkt ook katalyserend op de overdracht van de geloofsinhoud. Wel is er voorzichtigheid geboden, omdat de belevingskant al te vaak ten koste gaat van de noodzakelijke doordenking van het geloof. Het verstand dient de openbaring daarom kritisch te toetsen. Juist door veel te studeren, beseft de gelovige dat zijn spreken over God beperkt is en onvermijdelijk tekortschiet. De christelijke zoektocht is doortrokken van respect voor het mysterie, dat is voor God. „Bovendien gaat er een positieve stimulans van uit: niets staat het zoeken naar waarheid zozeer in de weg, als de waan haar al te bezitten.”

De schrijver keert zich zowel tegen een orthodoxie die zich terugtrekt op „in beton gegoten geloofsformules” van Schrift en kerk, als tegen diegenen die de relevantie van het geloof alleen erkennen bij de gratie van de menselijke ervaring. Primair is het Woord van God (bron), dat vervolgens ervaring oproept (effect). We vertrouwen ons, aldus Verleg, niet toe aan een levenloos stelsel van waarheden maar aan een liefhebbende Persoon.

Wie de ervaring verabsoluteert (bij bevindelijken en charismatischen; respectievelijk de directe ervaring van de uitverkiezing en directe bezieling door de Geest), maakt die tot een sjabloon van een groep gelijkgezinden (waarin de ervaringen moeten passen). Dat kan zo ver gaan dat mensen hun eigen particuliere inzichten in de Schrift lezen en niet meer openstaan voor diezelfde Schrift en voor andere zienswijzen. De inhoud van veel godsdienstige ervaringen houdt volgens Verleg vaak eerder verband met het zich conformeren aan groepsnormen dan met persoonlijk doorleefde theologische overtuigingen.

Als er bij de ander sprake is van een godvruchtige en vrome levenswandel, dan moeten we volgens Verleg met ons theologisch oordeel voorzichtiger zijn dan ooit. Wij zitten vaak gevangen in onze eigen beperkte theologische denksystemen, die wij maar al te vaak vereenzelvigen met Gods waarheid. „Als iemand écht een valse leer brengt, zal dat merkbaar zijn in zijn levenswandel.”

Evaluatie

Het is onmogelijk in kort bestek recht te doen aan het totale werk. De schrijver beoogt een systematische spiritualiteit die geworteld is in de Bijbelse openbaring en die ingekaderd is in psychologische, theologische en wijsgerige beschouwingen over de mens. Het resultaat is verbluffend voor iemand die zich eenvoudig aanduidt als een „hbo-theoloog”, maar een resultaat neerzet die een hoogleraar theologie niet zou misstaan, zelfs afgezien van de vraag of deze laatste in staat zou zijn zo veel lees- en onderzoekstijd vrij te maken.

Het boek zit vol theologische denkkracht, filosofisch inzicht en psychologisch observatievermogen. Het is bovendien met passie en overtuiging geschreven, haast missionair, met het verlangen om Christus uit te stallen en een Geestrijk leven aan te bevelen. Verleg zegt het boek geschreven te hebben om meer helderheid te krijgen over zijn geestelijk leven, vooral over de vraag of hij Geestvervuld is. Het gaat er niet alleen om vast te staan in het geloof, maar vooral ook om overvloedig te zijn in het geloof en dat houdt verband met een hart dat volkomen door Hem is vervuld.

Het is onze roeping om onze stand (of praktijk) aldoor in overeenstemming te brengen met onze staat (of positie)(verzoening in Christus). Het eerste deel eindigt met een kritische beschouwing over de ”vleselijken”. Het geestelijk leven kan bij hen niet tot ontplooiing komen, er is geen geestelijke ambitie en kracht in hun leven. Het ligt volgens Verleg niet voor de hand om te denken dat iemand op aarde geestelijk gezien een baby kan blijven, „om vervolgens in de hemel plotsklaps Geestelijk volwassen te zijn.” Natuurlijk: daar zal iedereen vol zijn van Christus, maar een vingerhoedje is eerder vol dan een emmer. Verleg wil een correctie aanbrengen „op de al even speculatieve gedachte, dat we hier op aarde geestelijk lui kunnen zijn, omdat in de hemel toch alles en iedereen volmaakt is.”

De schrijver verliest niet de menselijke maat en de gebrokenheid uit het oog, de geestelijke conflicten en nederlagen, de geloofsaanvechtingen. Het zijn zelfs juist lijden, beproevingen en verdrukkingen die de beste Bijbelse papieren hebben als het gaat om het bevorderen van geestelijke groei, aldus Verleg. We krijgen God niet in de vingers, verstandelijk, maar wel licht het mysterie op als we een relatie met Hem krijgen en die ook praktiseren. Het werk van de Geest is aanwezig vanaf het begin tot het einde van een christenleven.

Wie zich op een brede, wetenschappelijke maar ook op een geestelijke wijze wil verdiepen in het weidse fenomeen spiritualiteit, heeft in het magnum opus van Verleg een uitstekende handleiding. Het boek had natuurlijk dunner gekund (een redelijk kleine letter heeft zelfs ‘erger’ voorkomen), maar de schrijver wilde kennelijk zo compleet mogelijk zijn onderwerp uitwerken. Het is nu of nooit, moet hij gedacht hebben.

Een encyclopedisch naslagwerk hoeft natuurlijk niet in zijn geheel te worden gelezen maar kan goed op onderdelen geraadpleegd worden. De inhoudsopgave is duidelijk en gedetailleerd genoeg. De prijs is flink, maar dat is ook een kwestie van prioriteit. Gechargeerd gezegd: met een keer minder uit eten of een midweek vakantie overslaan is dat bedrag snel verdiend... Hier wordt blijvende kost geboden waar geen restaurant of vakantiepark tegenop kan.

„Ambitie om geestelijk leven van christen zo compleet mogelijk te beschrijven”

„Ik ben een volstrekt onbekende schrijver”, zegt Ton Verleg (59) in zijn woning in Bleiswijk. Hij is in het dagelijks leven rijksambtenaar in Den Haag. Ton werd geboren in Nuenen, bij Eindhoven, en groeide op in de Rooms-Katholieke Kerk. Thuis werd niet veel aan het geloof gedaan. Hij herinnert zich dat het gezin eenmaal per jaar naar de kerk ging: op de vooravond van Kerst werd de nachtmis bezocht. Ondanks de geringe kerkelijke betrokkenheid van vader en moeder was Ton –hoe klein ook– geïnteresseerd in het geloof. Eenmaal vroeg hij zijn moeder of hij in de hemel zou komen. „Wat een vreemde vraag, zei ze. Waar maak je je druk om? Natuurlijk is dat het geval.”

Verleg: „Ik was nooit snel tevreden met antwoorden en wilde altijd het naadje van de kous weten. Ik kwam op 17-jarige leeftijd tot geloof en ondervond toen een enorme blijdschap: ik wist nu zeker dat ik behouden was.” Hij sloot zich aan bij de Vergadering der Gelovigen in Eindhoven en deed daar behoorlijk wat Bijbelkennis op. Verleg studeerde aan de Gereformeerde Sociale Academie Zwolle en aan de Evangelische Theologische Hogeschool Veenendaal.

Zijn boek is ongeveer vijftien jaar geleden begonnen toen Verleg de rubriek over ”ziel” in de Christelijke Encyclopedie ging bestuderen. Hij ging aan het schrijven en correspondeerde met theologen, filosofen en psychologen. Het onderwerp heeft zijn passie. Om de prijs van het handboek te drukken, ziet hij vrijwillig af van een auteurshonorarium. „Ik hoop dat dit helpt om de aanschaf van een relatief dure uitgave te bevorderen. Mijn ambitie is om zo veel mogelijk medegelovigen te dienen met de beschrijving van de dynamiek van het geestelijk leven van de christen en zo te laten zien hoe rijk het leven met God is.”

De beschrijving van de praktijk van het geestelijk leven in deel 1 wordt in deel 2 gefundeerd op een beschrijving van een complete antropologie vanuit Bijbels oogpunt. De studie in deel 2 mondt uit in een denk- of werkmodel, getiteld ”Vensters op de mens”, aan de hand waarvan in deel 1 de praktijk van het geestelijk leven wordt beschreven. „Dit ben ik nog niet eerder op deze manier tegengekomen. Ik heb hiermee een solide Bijbelse basis willen leggen onder mijn beschrijving van het geestelijk leven van de christen.”

In zijn woonkamer staat een grote bos bloemen, van zijn vrouw en dochter gekregen naar aanleiding van het verschijnen van het boek vorige week. Het eerste deel is opgedragen aan zijn 17-jarige dochter. Verleg: „Ik beschouw het handboek als mijn geestelijk testament aan haar. Het beschrijft de manier waarop ik mijn christenleven leef en wil uitdragen. Deel twee is opgedragen aan mijn vrouw. Zij heeft een belangrijke inbreng gehad in de totstandkoming van de tekst en heeft het goed gevonden dat ik meer dan vijftien jaar tijd in het schrijven stopte.”

Verleg vertelt ten slotte dat hij dit jaar 60 jaar hoopt te worden. „Als je op je eigen leven reflecteert, dan kom je erachter dat het lang niet altijd meevalt om de Heere Jezus te dienen zoals Hij gediend wil worden. Er is in het leven van een christen vaak zo veel slapte en wereldgelijkvormigheid, terwijl er duizend en één mogelijkheden zijn om Hem te verheerlijken. Al schrijvende ben ik mij dit steeds meer gaan realiseren. Wat betekent dat eigenlijk: leven met Jezus? Het is niet alleen in Hem geloven, maar ook van Hem genieten, over Hem blijven studeren en vooral een diepe relatie met Hem onderhouden.”

Boekgegevens

Handboek Evangelische Spiritualiteit, deel 1: ”Leven met Jezus” en deel 2: ”Geest, ziel en lichaam”, Ton Verleg; uitg. Brevier, Kampen, 2018; ISBN 978 94 924 3311 4 en 978 94 924 3312 1; 1005 en 607 blz.; € 175,-.