Neerslag van een rouwproces in woorden

De dood van dichter F. Starik sloeg een gat in het leven van zijn vrouw Vrouwkje Tuinman. beeld ANP
2

Mag je een mening hebben over de nieuwste dichtbundel van Vrouwkje Tuinman?

Dat lijkt een vreemde vraag; is het niet juist de belangrijkste stap in het leesproces om tot een eigen mening te komen? Om het gelezene van dode letter tot levend en geleefd inzicht te laten worden? Alleen zo kan het ons vormen en verrijken.

Waarom dat bij de dichtbundel ”Lijfrente” haast misplaatst voelt, is simpel. Tuinman schrijft over uiterst persoonlijke emoties in een onopgesmukte, naturalistische prozastijl. Haar diepe verdriet en ongegrond maar vretend zelfverwijt slaan de lezer in het gezicht vanuit de tekst. Fel beschrijft ze de stuitend gezapige manier waarop de werkelijkheid gewoon voortsuddert, alsof er geen allesveranderend gat geslagen is door de dood.

Al jaren is de dood voor Tuinman (1974) een leidend thema. In haar persoonlijk leven en dus in haar boeken. De gevoelens rondom dood, afscheid en gemis waarover ze schrijft in ”Lijfrente” zijn heel herkenbaar. Dat komt door het trieste feit dat ieder die een geliefde verloren heeft, bepaalde aspecten ervan herkent. Maar het komt ook door de manier waarop Tuinman erover schrijft. Met haar onopgesmukte taal weet ze precies de pijnlijke zenuw te raken. Tegelijkertijd zullen er lezers zijn die vervreemd vaststellen dat voor hen verlies heel andere vormen aanneemt en die de behoefte voelen met andere woorden over de dood te spreken. Of te zwijgen. En dat is precies waarom een mening hier aanmatigend voelt. Alsof een mening formuleren over de woorden en de vorm van deze gedichten tegelijk een oordeel betekent over de inhoud, de rouw en de verwerking zelf.

Sonnetten

Feit is dat de gedichten vooral herkenbaar zijn als poëzie, door het wit op de bladzijde. De teksten zien eruit als gedichten, maar er is op een enkele uitzondering na geen rijm en op wat verborgen sonnetten na (slechts herkenbaar aan hun veertien regels en een wending richting het einde) geen vaste vorm. Vaste ritmes en regellengten ontbreken en als er een indeling in strofen is, lijkt die willekeurig of valt die precies samen met waar de ene herinnering, anekdote of emotie eindigt en de andere begint. Lijkt, want schijn bedriegt en het feit dat Tuinman zo onder de huid kruipt laat wel zien dat haar teksten heel effectief de inhoud voor het voetlicht brengen.

Ontroerend is de manier waarop lichamelijkheid gethematiseerd wordt. Hoe de aanraking, de fysieke aanwezigheid wordt gemist en hoe tegelijk de zo persoonlijke dingen nog wel aanwezig zijn en het gemis extra zichtbaar en voelbaar maken. Knap is ook de manier waarop Tuinman duidelijk maakt hoe de overledene aanwezig blijft in gedachten, in woorden, in ervaringen en zelfs in nieuwe contacten. Als iemand anders zit waar hij zat, slaapt waar hij sliep, is waar hij was.

De laatste woorden van deze bundel zijn: „Ik neem een stap.” Aan het einde lijkt er voorzichtig te worden toegegeven aan het pijnlijke cliché dat ”het leven doorgaat” en ”een mens toch verder moet”. Vergelijkbare opmerkingen en schrijnende (alhoewel goedbedoelde) adviezen van anderen worden trouwens regelmatig aangesneden. Gefileerd.

Toevoeging

Hoewel Tuinman in veel gedichten de overleden geliefde (de schrijver F. Starik, pseudoniem van Frank von der Möhlen) aan het woord laat in dromen en beschrijft hoe zij als het ware met hem van gedachten wisselt over de dood heen, is iedere link met het hogere afwezig. Deze bundel gaat duidelijk niet over troost, eeuwigheid of uitzicht. Centraal staan verdriet en gemis, naast de herinneringen aan gedeeld plezier. Regelmatig beschreven met humor en aandacht voor de absurditeit en bureaucratie rondom de dood, maar toch vooral de neerslag in woorden van een rouwproces. Deze gedichten gaan over hoe Starik nog steeds, in heel zijn schrijnende afwezigheid, iets toe blijft voegen aan het leven van Tuinman. Zoals een lijfrente uitkeert na overlijden.

Lastige man

Als iemand met een klapper door een deur stapt

en ”Mevrouw Von de Möhlen” aankondigt,

met een vraagteken erin, sta ik op. Tegenwoordig.

Dat is een van de dingen die je leert in een ziekenhuis.

Je kunt maar beter getrouwd zijn, ook als je het niet bent.

Ik reageer ook op varianten, want dat vraagteken

is er niet voor niets, het is een lastige naam.

Van Meulen. De Molen. Moelen. Bij alles spring ik

in het gelid. Soms noemt iemand me samenvattend

Frankie. Net zo makkelijk. Aan ”Sterkte, mevrouw Starik”

probeer ik uit alle macht te wennen.

Boekgegevens

Lijfrente, Vrouwkje Tuinman; uitg. Cossee; 64 blz.; € 19,99