Herman Clerinx schrijft overzichtswerk over menhirs en hunebedden

Hunebed 'De Papeloze Kerk'. beeld Hotel Stadskanaal
2

De prehistorie is een intrigerend onderzoeksgebied. Door de afwezigheid van schriftelijke bronnen stellen archeologische vondsten ons voor veel vragen. Onze kennis over de periode is betrekkelijk. Met die kanttekening probeert Herman Clerinx in zijn nieuwste boek ”Een paleis voor de doden” toch betekenis te geven aan de vele megalithische bouwwerken uit de prehistorie.

Het boek bevat een informatief overzicht van de megalithische bouwwerken van prehistorische culturen in West-Europa en gaat daarbij ook in op de samenlevingen die deze „stenen paleizen” hebben voorgebracht. De uitgebreide literatuurlijst achter in het boek geeft aan dat er al veel is geschreven over menhirs, dolmen en hunebedden. Clerinx zelf heeft ook al heel wat literatuur over de prehistorie in de Lage Landen op zijn naam staan. Wat heeft dit nieuwste boek van de wetenschapsjournalist uit België ons te bieden?

Volksverhalen

Een van de aantrekkelijkste onderdelen van het boek vormen wat mij betreft de vele verhalen die vooral over menhirs zijn overgeleverd. De auteur geeft aan dat sagen en legendes over menhirs vaak gelijke motieven hebben. Zo worden menhirs vaak gekoppeld aan vruchtbaarheid. Of er zou een schat onder de steen moeten liggen. Veel verhalen vermelden ook dat de stenen door de duivel zijn geplaatst. De duivel wordt in zulke verhalen vaak als dommig afgeschilderd.

Een typerend voorbeeld is hier de ”Faix du Diable” (lading van de duivel) bij Wanne in België. In het jaar 648 had Sint-Remaclus in Stavelot een abdij gebouwd en de heidenen verjaagd. Clerinx schrijft: „De dag voor de abdij zou worden ingewijd, zocht de duivel in de Ardennen een heel grote steen. Hij tilde hem op en wandelde ermee naar Stavelot om hem op de nieuwe abdij te gooien. Maar een engel waarschuwde Remaclus. Met een korf vol oude sandalen verliet de missionaris zijn abdij en liep de duivel tegemoet. Ze ontmoetten elkaar op de hoogte tussen Wanne en Spineux. De duivel was moe en herkende Remaclus niet, maar dacht dat het een gewone reiziger betrof. Hij vroeg of het nog ver was tot Stavelot. „Héél ver”, zei Remaclus en liet zijn versleten sandalen zien. „Oordeel zelf: toen ik vertrok, waren deze sandalen nog nieuw.” Dat werd de duivel te veel. Hij staakte zijn tocht en gooide zijn steen zo ver hij kon. In Wanne kwam hij neer. Hij ligt er nog altijd.”

Dat er zo veel interessante volksverhalen over prehistorische stenen te vertellen zijn, is vooral te danken aan de geringe kennis over deze periode. In zijn zoektocht naar het nut van de prehistorische bouwwerken gaat Clerinx ook in op de oorzaken en gevolgen van deze geringe kennis. Bij hiaten in kennis geeft hij goed onderbouwde suggesties.

Volgens de auteur is er nog genoeg wat onderzocht zou kunnen worden over de bouwers uit de prehistorie. Met enige verbazing constateert hij bijvoorbeeld dat er nog maar heel weinig onderzoek is gedaan naar het verplaatsen van keien voor een hunebed tijdens de winterperiode. Het zou volgens hem gezien de aanwezige sneeuw of het ijs best eens relatief eenvoudig kunnen zijn geweest om juist in de winter stenen te verplaatsen.

Het siert Clerinx dat hij ook zijn eigen suggesties met reserves omkleedt. Die voorzichtigheid is het hele boek door te vinden en geeft het overtuigingskracht.

Als gevolg van hiaten in onze kennis over de prehistorie zijn archeologen het niet altijd met elkaar eens. Ook dat heeft een, zij het bescheiden, plaats in het boek. Zo geeft Clerinx aan dat de meeste archeologen menen dat bij de bouw van een hunebed eerst de draagstenen werden geplaatst, waarna de deksteen met de hulp van een kunstmatige heuvel eroverheen geplaatst kon worden. Anderen denken dat eerst de heuvel werd gebouwd, vervolgens de deksteen geplaatst en tot slot de draagstenen gepositioneerd.

Paleizen

Het boek eindigt met een logische en tegelijkertijd essentiële vraag. Waarom nota bene enorme ‘paleizen’ van steen voor de overledenen bouwen terwijl de levenden leefden in kleine, eenvoudige onderkomens van leem en hout?

Door zijn heldere en aansprekende schrijfstijl weet Clerinx je mee te nemen in zijn zoektocht naar een antwoord. Op basis van wetenschappelijk (archeologisch) onderzoek en met behulp van antropologische vergelijkingen weet de schrijver aannemelijke verklaringen te geven voor de bouw van de monumenten.

In een landbouwsamenleving zonder bestaanszekerheid vereerden de landbouwers volgens hem de zon omdat die zo belangrijk voor hen bleek. En vereerden ze wellicht hun voorouders om via hen krachten uit de natuur te beïnvloeden. Het blijft gissen. Als de schrijver toch zekerheden wil geven, blijft het (terecht) bij algemeenheden.

Wat de precieze functie van de monumenten dan ook is geweest voor de landbouwgemeenschappen, een sociale functie hadden ze in ieder geval. In die zin, zo eindigt de auteur zijn vlot geschreven boek, waren de monumenten geen paleizen voor de doden, maar voor de levenden.

Boekgegevens

”Een paleis voor de doden. Over hunebedden, dolmens en menhirs”, Herman Clerinx; uitg. Athenaeum, Amsterdam, 2017; ISBN 978 90 253 0710 3; 352 blz.; € 24,99.