Erasmus haatte Joden

Erasmus. beeld RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt
2

Desiderius Erasmus noemde het Jodendom een „verderfelijke pest”, een gevaar voor de kerk van Christus. Joden waren „arrogant, onhandelbaar, corrupt en volslagen blind.” Voor prof. dr. Hans Jansen is het duidelijk: de zestiende-eeuwse „prins der humanisten” was een fervent Jodenhater.

„Als de voorstellingen van haat niet tot in de diepte worden blootgelegd, zijn wij er niet tegen gevrijwaard dat uit de gloeiende as van het verleden het antisemitisme weer oplaait.” Deze waarschuwing van kerkhistoricus Heiko Oberman is nog altijd relevant, vindt theoloog prof. Jansen, verbonden aan het Simon Wiesenthal Instituut in Brussel. Hij scheef daarom het boek ”Protest van Erasmus tegen renaissance van Hebreeuwse literatuur”, dat maandag in de synagoge van Enschede wordt gepresenteerd.

Was u verbaasd om in de geschriften van Erasmus, die toch bekend staat om zijn tolerantie, zo veel anti-Joodse uitspraken te vinden?

„Misschien hebben we Erasmus te lang gezien als de grote prins der humanisten, die de bronnen van de klassieke oudheid herontdekte. Als je iemand geweldig vindt, wil je geen negatieve kanten bij hem ontdekken. Er zijn bovendien weinig goede publicaties in het Nederlands over Erasmus en de Joden. Een uitzondering is een artikel van prof. Augustijn uit 1980, maar hij belicht vooral Erasmus’ kritiek op een wettische levensstijl. Die visie kun je niet volhouden als je alle uitspraken van Erasmus over de Joden leest.”

Volgens Jansen was Erasmus slechts ten dele een vertegenwoordiger van het humanisme. „De belangstelling van het humanisme beperkte zich niet tot de klassieke oudheid, maar leidde ook tot de opbloei van de studie van het Hebreeuws. Talrijke christelijke geleerden in Italië en Duitsland bestudeerden zelfs niet alleen de Hebreeuwse Bijbel, maar ook de Joodse mystiek (de Kabbala) en andere literatuur. Erasmus heeft zich tijdens zijn hele leven tegen de Hebreeuwse renaissance gepolemiseerd en geprotesteerd, omdat hierdoor naar zijn diepste overtuiging de overlevering van het christendom in Europa op het spel werd gezet.

Erasmus was bang dat de studie van Hebreeuws en de Joodse literatuur zouden afleiden van het geloof in Christus. In 1517 schreef hij aan de Straatsburgse hebraïst Wolfgang Capito: „Er bestaat niets gevaarlijkers voor de onderwijzing van Christus dan deze meest verderfelijke pest, het Jodendom. Onlangs zijn er verscheidene boekjes gepubliceerd die de zuivere lucht van het Jodendom ademen. Ik lees nauwlettend de brieven van onze grote held, de apostel Paulus, die onvermoeibaar heeft gezwoegd om Christus uit de boeien van het Jodendom (dat wil zeggen de Joodse levenswijze met zijn riten en ceremonies) te bevrijden.””

Erasmus was een vervangingstheoloog?

„Hij is een duidelijk, markant en heel radicaal voorbeeld. Erasmus geloofde dat de kerk in de plaats van de synagoge was gekomen. Aan Capito schreef hij zelf dat de christelijke kerk niet zo’n waarde aan het Oude Testament zou moeten hechten. Daarin gaat het toch alleen maar om schaduwen, waarmee mensen een tijdje moesten leven. Het zou slechts van Christus afleiden. Wat dat betreft heeft Erasmus de gereformeerde gezindte, met haar grote liefde voor het Oude Testament, veel minder te zeggen dan bijvoorbeeld Calvijn.”

Hoe verklaart u Erasmus’ Jodenhaat?

„Erasmus koesterde een diepe verachting voor de Joodse godsdienst, omdat haar aanhangers hun zaligheid meenden te kunnen bereiken door een nauwgezette naleving van de Wet van Mozes. Hij zag het Jodendom als een verouderde, voorbije vorm van godsdienst, een voortdurende bedreiging voor het Evangelie van Jezus Christus. Als gevolg van de renaissance van de Hebreeuwse literatuur zag Erasmus in zijn tijd een nieuwe vloedgolf van dit ”iudaismus” opkomen. Daar moest een dam tegen worden opgeworpen. Het was voor Erasmus een kwestie van ”to be or not to be.””

Maar hoe representatief was hij?

„Erasmus dacht zoals de meeste van zijn tijdgenoten. Veelzeggend is wat hij in 1519 aan Jacob van Hochstraten, de inquisiteur in Keulen, schreef: „Waarom wordt er toch zo veel krachtinspanning aangewend om de Joden gehaat te maken? Is er onder ons ook maar iemand te vinden die dit soort mensen al niet genoeg verwenst? Als het haten van Joden het kenmerk is van authentieke christenen, dan zijn wij allen uitstekende christenen.”

Erasmus was bovendien van mening dat de kerk uiterst voorzichtig moest zijn met het opnemen van bekeerde Joden in de christelijke gemeenschap. Hij schreef bijvoorbeeld dat men de christen geworden Jood Joseph Pfefferkorn beter in de doopvont had kunnen laten verzuipen. Als Jood vermomd kwam hij de vrede onder de christenen verstoren. „De schurk Pfefferkorn is meer dan een halve Jood. Als je hem opereert, springen er 600 Joden uit”, schreef Erasmus.”

Volgens Jansen valt in de vloedgolf van beschimpingen en scheldwoorden, krachttermen en verwensingen het traditionele thema van een Joodse samenzwering op. „Dat was een belangrijk aspect van de volkse, alledaagse Jodenhaat. Erasmus was er diep van overtuigd dat de leer en vooral de praxis van de Joden de christenen zou afleiden van de dienst aan Christus en naar de ondergang zou voeren.”

Hij was ten diepste bang voor Joden?

„Nee, Erasmus liet zich niet leiden door angst. Anders zou hij toch een andere toon aanslaan. Duidelijk is wel dat Erasmus geen moedig man was, maar wel heel diplomatiek. Dat is ook wel te begrijpen gezien de strijd tegen de Joden in Duitsland en de komst van de Reformatie.”

Erasmus was een antisemiet?

„Ik denk dat we voorzichtig moeten zijn met zo’n uitspraak. Antisemitisme is een negentiende-eeuwse term om de racistische vorm van Jodenhaat onder woorden te brengen. In de zestiende eeuw kende men dat woord niet. Ik spreek daarom liever over Jodenhaat. Als Erasmus ergens schrijft dat de Joden in zijn tijd zevenmaal erger zijn geworden dan in Jezus’ tijd, dan kun je niet anders concluderen dat hij ze niet bepaald goedgezind was.”

De publicaties van dr. René Süss over het „antisemitisme” van Luther deden veel stof opwaaien. Verwacht u vergelijkbare reacties op uw boek?

„Ik kan dat moelijk inschatten, maar ik sluit het niet uit. Wel weet ik dat de Joodse gemeenschap op een debat hoopt. Want waarom spreken we wel over de visie van de pausen, kerkvaders en reformatoren op de Joden, maar niet over die van Erasmus? Terwijl hij toch ook vreselijke dingen over het Jodendom heeft gezegd.

Overigens is door het schrijven van dit boek mijn grote bewondering voor Erasmus op geen enkele wijze minder geworden. Zijn vertaling van het Nieuwe Testament in het Grieks, de commentaar op het Johannesevangelie, de Adagia – ze zijn prachtig. Er is geen mens die nooit faalt, ook Erasmus niet.”

Hoe wilt u voorkomen dat uit „de gloeiende as van het verleden het antisemitisme weer oplaait”?

„Na de verschijning van mijn boek ”Christelijke theologie na Auschwitz” in 1981 zei rabbijn Lody van de Kamp: „Hans Jansen, luister eens, je hebt nu laten zien dat christenen medeplichtig zijn aan Jodenhaat. Maar je hebt nog maar het topje van een ijsberg blootgelegd. Er is veel meer studie nodig.”

Zijn woorden zijn voor mij voortdurend een prikkel geweest om te schrijven, te studeren en colleges te geven. Als je mensen kennis laat nemen van de geschiedenis, help je te voorkomen dat antisemitisme weer opleeft. Onderwijs is het enige antwoord op antisemitisme.”

Protest van Erasmus tegen renaissance van Hebreeuwse literatuur, prof. dr. Hans Jansen; uitg. Groen, Heerenveen, 2010; ISBN 9789058299611; 133 blz.; € 12,50.