„Elke dag bedankte ik onze lieve Apostel”

Renske Doorenspleet groeide op in een gezin dat behoorde tot het Apostolisch Genootschap, een gesloten, religieuze groepering. Ze schreef er een boek over dat dinsdag uitkwam.  beeld Unsplash
4

Wat doet het met je als je opgroeit in een gesloten, religieuze groepering met een absolute leider en kritiek niet wordt geduld? In ”Apostelkind” schrijft Renske Doorenspleet over haar ervaringen in het Apostolisch Genootschap en zoekt ze naar een antwoord op deze vraag.

O, lieve Apostel, al zijn we nog klein,

toch willen we graag Uw kinderen zijn.

Ons hartje klopt dankbaar, wij geven ’t U nu.

Apostel, wij blijven voor altijd bij U!

De woorden van dit lied kan Renske Doorenspleet (46) wel dromen. Ze groeide op in Bussum in een gezin dat behoorde tot het Apostolisch Genootschap, een religieuze beweging die tot 2001 bestond uit zo’n 30.000 leden. Deze tekst zong ze regelmatig tijdens bijeenkomsten. „De Apostel was onze dierbare leidsman. Zijn portret hing in onze woonkamer, we luisterden twee keer per week naar zijn woorden tijdens de diensten, we zongen liederen over hem en bedankten hem elke avond in ons gebed”, vertelt ze via Skype vanuit haar woonkamer.

GettyImages-91435050_webZwijgen Apostolisch Genootschap gelukkig doorbroken

Ook haar man Martin, die eveneens in het genootschap is opgegroeid, kent nog veel liederen uit het hoofd. Renske roept hem erbij en vraagt hem er een op de piano te spelen. Even later klinkt zijn stem door de kamer. „O lieve Apostel, al zijn we nog klein.” Ze lacht. „Stop er een kwartje in en hij zingt ze allemaal.”

Over het ontstaan en de geschiedenis van het Apostolisch Genootschap en haar eigen ervaringen in deze religieuze groepering schreef Doorenspleet het boek ”Apostelkind; In de greep van een gesloten genootschap”, dat dinsdag uitkwam.

Wie was deze apostel en waarom liet hij zich als God vereren?

„In mijn jeugd was oprichter L. Slok de leider van het Apostolisch Genootschap in Nederland. Slok geloofde dat apostolischen niet hoefden te wachten op een verlossing in het hiernamaals, maar in het hier en nu moesten werken aan het goede in zichzelf en in de medemens. God liet zich door mensen bekendmaken, stelde hij. Sinds de jaren vijftig presenteerde hij zichzelf steeds meer als De Mond Gods van deze tijd. Een ongelofelijke stap, maar niemand ging ertegenin. Slok was een charismatische man die veel gezag had. Daarbij komt dat alles fijn en bijzonder moest zijn. Soms leek het wel alsof we in een soort massapsychose verkeerden. Bij tegenspraak, kritiek en eigen ideeën trad Slok resoluut op. Alles kon, zolang je hem maar erkende en gehoorzaamde.”

2020-04-02-katVR1-bijslok-2-FC_webApostolisch Genootschap wil dialoog na kritiek ex-leden

Een leven in twee werelden, zo omschrijft u uw jeugd.

„Ik ging naar openbare scholen en had een gewone jeugd met lieve familie en vrienden. Dat was mijn eerste wereld, mijn leven van negen tot vijf op doordeweekse dagen. Mijn tweede wereld speelde zich af vanaf vijf uur ’s middags en in het weekend. Dan moest ik naar de diensten, de jeugdkring en het meisjeskoor. Bijna dagelijks waren we in het Gebouw. Het woord kerk gold bij ons als vloeken: wij kwamen samen in een Gebouw. Het was een gesloten wereld waarover we niet met buitenstaanders praatten. Niemand wist dat we bestonden. Onze groep was volledig onzichtbaar in de samenleving.”

Wanneer kreeg u moeite met de gang van zaken binnen het genootschap?

„Al jong had ik kritiek op kleine zaken. In de puberteit kreeg ik er steeds meer moeite mee om dingen te doen die ik eigenlijk niet wilde. Ik moest op het podium staan, ik moest zingen, ik moest altijd positief zijn. Samen met mijn vriendin Kim zong ik op het koor stiekem een eigen versie van de liederen. ”Hef voor de volk’ren uw banier”, werd ”Hef voor de volk’ren uw glas bier”.

Toch ben ik tot mijn 25e in het genootschap gebleven. Ik heb nog lang hoop gehad op verandering. Maar ook onder het leiderschap van Slok junior, die tot 2001 apostel was, bleef kritiek uiten onmogelijk en de leer warrig. Na de diensten kwam ik moe thuis en sliep ik uren. Het voelde niet goed meer. Ik maakte lijstjes met de voors en tegens van een uittreding, maar ik kwam er niet uit. Op een gegeven moment vroeg Martin: „Zou je je kinderen hierin laten opgroeien?” Zonder na te denken, zei ik: „Nee, absoluut niet.” We hielden een jaar afstand en daarna namen we definitief afscheid van het Apostolisch Genootschap.”

Hoe voelde dat?

„Het was pijnlijk. Ik stortte me op mijn promotieonderzoek, reizen, muziek maken, wandelen en schrijven en parkeerde mijn herinneringen op een veilige plek. Maar ik miste het samenzijn, de muziek, de missie, een levenszin. Andere ex-apostolischen herkennen dat gevoel. Fantoompijn zou je het kunnen noemen.”

Wat neemt u het genootschap het meest kwalijk?

„Veel apostolischen hebben niet geleerd om een eigen identiteit te ontwikkelen. Vaak zeiden jeugdverzorgers dat je iets verkeerd zag, dacht of voelde. Je kon elk moment publiekelijk te schande worden gemaakt. Dat zorgde voor een gevoel van onveiligheid. Sommige oud-leden die ik ken, hebben last van angstaanvallen. De onzekerheid of je wel voldoet, daar heb ik nog steeds last van. En ik ben alert in grote groepen. Vaak zie ik dan mechanismen ontstaan die ik herken en waar ik niet van hou.”

Wanneer besloot u om uw verhaal te delen met de buitenwereld?

„Toen Trump in 2016 aan de macht kwam, knapte er iets in me. Niet weer wilde ik in een toestand verzeild raken waarin alles om emoties draait, waarin kritische geluiden worden gesmoord, een charismatische leider zijn bezielde volgers tot extase brengt en een rad voor ogen draait. Bovendien waren er te veel mensen in mijn omgeving die ik zag lijden als gevolg van hun religieuze opvoeding. Ik vond dat de buitenwereld moest weten wat er zich had afgespeeld. Nu is er alleen aandacht voor gesloten religieuze groeperingen bij excessen, zoals bij de Jehovah’s Getuigen. Maar dan wordt zo’n groep in een hoek geplaatst, terwijl kinderen met hun probleemverhalen er nog in zitten.”

Hoe moeilijk was het om dit boek te schrijven?

„Het was zwaar. Ik had me altijd heel erg vastgehouden aan de positieve dingen van het genootschap, maar toen ik mijn eigen archiefmateriaal ging onderzoeken, schrok ik me wild. Was het echt zo erg? Regelmatig vroeg ik me af: Ben ik nou gek of niet? Gelukkig had ik lieve mensen om me heen die mij aanmoedigden om door te zetten. Ook mijn ouders steunden mij. Zij zijn nog steeds apostolisch, maar zij vonden het tijd voor meer openheid.”

U bent de eerste buitenstaander die de geschiedenis van het Apostolisch Genootschap op papier zet. Hoe verklaart u dat er zo weinig aandacht voor deze groepering is geweest?

Fel: „Ik heb daar geen antwoord op. Ik blijf het onbegrijpelijk vinden. Zelfs over kleinere religieuze genootschappen, zoals de Hare Krishnabeweging, zijn veel boeken verschenen, maar over het Apostolisch Genootschap is vrijwel niets in de media te vinden. Misschien omdat de groepering er te Nederlands en te christelijk, te burgerlijk en fatsoenlijk en te weinig exotisch uitzag?”

Hoe beoordeelt u het huidige Apostolisch Genootschap?

„Wie nu hun website bekijkt, krijgt de indruk van een open genootschap vol compassie. Er wordt veel geld gestoken in de beeldvorming en in nieuwe initiatieven. Maar als ze werkelijk zo vol compassie zijn, kunnen ze er op zijn minst voor zorgen dat oud-leden met hun ervaringen ergens terechtkunnen, het liefst bij een externe, objectieve hulpinstantie. Het zou mooi zijn als ze in de spiegel kijken en de gebeurtenissen van het verleden, met name van de jaren 1946 tot 2001, erkennen en delen met de buitenwereld voordat ze zich op de toekomst richten. Dat is nooit gebeurd.”

Is het genootschap een sekte?

„Ja, misschien wel, maar ik vind die benaming lastig. Ze klinkt zo sensationeel. Ik ben bang dat dan alle luiken dichtgaan en de groepering zich aangevallen voelt. Ik spreek liever van een nieuwe religieuze beweging. Dat klinkt neutraler. Het gaat uiteindelijk niet om het label, maar om de kenmerken.”

Doet de overheid voldoende om gesloten gemeenschappen in de gaten te houden?

„Nee, alleen als er excessen zijn, zoals seksueel misbruik. Een ex-sektelid die ooit seksueel misbruikt is, gaf aan: Dat seksueel misbruik was het ergste niet, dat was slecht het gevolg van het feit dat je er al niet meer bent. Laten buitenstaanders vooral vragen, luisteren, interesse tonen. Daar heb je geen overheid voor nodig.”

Bent u zelf nog gelovig?

„Ik denk dat ik atheïst ben. Ik geloof niet in God, maar tegelijkertijd denk ik ook niet dat wij als mensen het voor het zeggen hebben. Wij zijn nietige wezens die onszelf snel overschatten. Het leven is absurd. Laten we er met z’n allen wat van maken. In de Bijbel lees ik nauwelijks. Ik ben er ook niet mee opgegroeid. In het luisteren naar de Matthäus Passion vind ik wel houvast.”

Wat wilt u de lezer meegeven?

„Ik vind het bijzonder als mensen er iets uithalen wat hen aanspreekt. Wel zou ik willen zeggen: Let een beetje op met gesloten gemeenschappen, vooral als er kinderen bij betrokken zijn. Tegelijk pleit ik ervoor om niet te snel te oordelen. Scoren met een sensatieverhaal is gemakkelijk, maar probeer het gesprek aan te gaan. Probeer te begrijpen waarom mensen in zo’n groepering zitten en er moeilijk afstand van kunnen nemen.”

Boekgegevens

Apostelkind; In de greep van een gesloten genootschap, Renske Doorenspleet; uitg. Balans; 320 blz; € 22,99

„Boek klopt, maar is niet mijn waarheid”

Het Apostolisch Genootschap in Nederland werd in 1951 opgericht door apostel L. Slok. Het is een religieus-humanistische beweging en telt circa 14.000 leden. Sinds 2011 bekleedt Bert Wiegman de apostelfunctie.

Het boek ”Apostelkind” van Renske Doorenspleet vormt een „gedegen beschrijving” van de geschiedenis van het Apostolisch Genootschap, stelt landelijk voorganger Monique van Strien. „Wel is het boek erg gericht op de Bussumse gemeenschap. Daar lag de lat hoog. Ik ben opgegroeid in een apostolische gemeenschap in Leiden. Ik herken veel, maar heb daar geen negatieve emoties bij. Het boek is waar, maar het is niet mijn waarheid.”

Het genootschap is de afgelopen twintig jaar veranderd van een hiërarchische, gesloten organisatie in een open, levendige en dynamische beweging, stelt Van Strien. „Leden gaan een verbinding met ons gedachtegoed aan en niet, zoals vroeger, met de apostel als persoon.”

Ze noemt het „verdrietig” dat mensen beschadigd zijn in de periode van apostel L. Slok. „We hebben meerdere gesprekken gevoerd met oud-leden over hun negatieve ervaringen. Ook nu nodig ik iedereen die behoefte heeft aan een gesprek uit om bij ons aan te kloppen of om contact te zoeken met de onafhankelijke vertrouwenspersoon.”