Een verzwegen pogrom in Polen

Herinneringsmonument voor de slachtoffers van het bloedbad dat in 1941 in het Poolse dorp Jedwabne plaatshad. beeld Wikimedia
2

Op 10 juli 1941 werd in het Poolse dorp Jedwabne een gruwelijk bloedbad aangericht: 300 tot 1600 Joodse inwoners kwamen om nadat ze werden bijeengedreven in een schuur die in brand werd gestoken. De daders waren niet de Duitse bezetters, maar de Poolse dorpsgenoten.

In ”De misdaad en het zwijgen” vertelt de Poolse journaliste Anna Bikont niet alleen over de toedracht van deze massaslachting, maar doet ze ook verslag van haar zoektocht naar daders en getuigen van die dag, die ze met veel moeite aan het praten kreeg.

De pogrom is eerder, in 2001, beschreven door de Amerikaans-Poolse historicus Jan T. Gross in ”Buren”. Het boek bracht indertijd een schok teweeg. Iedereen ging ervan uit dat de Duitsers de daders waren, maar hij stelde dat de Joden van Jedwabne door hun Poolse dorpsgenoten waren gedood. Het gebeurde met medeweten van, maar niet met medewerking van het Duitse leger. Gross kreeg in Polen een vloedgolf van kritiek over zich uitgestort. Het kwam er kort en bondig op neer dat ”Buren” het werk was van een Joodse Polenhater.

Liberale kranten en tijdschriften waren genuanceerder: was zo langzamerhand de tijd niet aangebroken om te erkennen dat Polen niet alleen verzetsstrijders en slachtoffers kende, maar ook daders?

Jedwabne lag in het gebied van Polen waar Hitler en Stalin op elkaar stuitten. Eerst, in 1939, lijfde de Sovjet-Unie het oosten van Polen in als uitvloeisel van het Molotov-Ribbentroppact. Ook Jedwabne werd door de Russen geannexeerd. De Sovjets zetten veel Polen op transport naar Siberië. Twee jaar later, in juni 1941, trok het Rode Leger zich terug toen Hitler onverwacht de aanval op de Sovjet-Unie opende. De Wehrmacht bezette nu het Poolse dorp.

Op dat moment grepen de Polen hun kans: ze beschuldigden de Joden ervan met de Russen te hebben samengewerkt en dat ze bij de deportatie van Poolse burgers hadden geholpen. Het bleef niet bij woorden. Het kwam in het oosten van Polen tot zo’n dertig pogroms, waaronder die in Jedwabne.

In ”De misdaad en het zwijgen” volgt de lezer Bikont op de voet bij haar onderzoek in Jedwabne. In dagboekvorm doet ze verslag van haar vorderingen. Stukje bij beetje komt de lezer steeds meer te weten over wat er die inktzwarte dag is gebeurd, hoe de Joden werden verbrand of met knuppels, messen en bijlen werden gedood, van de oudste tot de jongste. En dat gebeurde door Poolse medeburgers en niet door Duitsers. De notities wisselt Bikont af met diepgaande interviews met onder andere overlevenden. Voor haar boek, dat in 2004 in Polen verscheen en waarvan nu de geactualiseerde vertaling in het Nederlands is uitgebracht, is Bikont terecht geprezen.

Het boek van Bikont veroorzaakte bij Marek Edelman, een van de Joods-Poolse leiders van de opstand in het getto van Warschau een bijna lichamelijke pijn. „Op onnavolgbare wijze verplaatst Bikont zich in het lijden van de slachtoffers en geeft ze een verbijsterend beeld van de haat die zich in de zomer van 1941 meester maakte van de inwoners van Jedwabne.”

Hoe valt het antisemitisme in Jedwabne en omgeving te verklaren? De regio is zeer conservatief en nationalistisch. De rooms-katholieke kerk moet in dit verband worden genoemd, en dan met name pastoor Orlowski. Voor de ingang van zijn kerk worden de ”Protocollen van de Wijzen van Sion” uitgedeeld, het zogenaamde plan van de Joden om de wereldmacht over te nemen.

De haat tegen de Joden is zestig jaar na de oorlog niet minder intens, merkt de journaliste. Het liefst zwijgt iedereen over het oorlogsverleden. Een groter bewijs dat de inwoners het hebben gedaan kan Bikont niet krijgen, merkt een ooggetuige op. Hun zwijgen is de bevestiging, ”het kroonbewijs”, van hun misdaad.

Boekgegevens

”De misdaad en het zwijgen, Jedwabne 1941. De levende herinnering aan een pogrom in Polen”, Anna Bikont; uitg. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2016; ISBN 979 90 468 2039 1; 640 blz.; € 39,99.