Dr. E. P. Meijering combineert vrijzinnigheid met orthodoxie

Belijdenis van Nicéa

De combinatie van vrijzinnig en orthodox is vrij zeldzaam. Toch maakt dr. E. P. Meijering het waar. Hij is vrijzinnig als hij veronderstelt dat Jezus niet meer is geweest dan een profeet. Door de belijdenis van Nicea-Constantinopel (381) te onderschrijven toont hij zich toch orthodox.

In een zogenaamde ”lage” christologie is Jezus niet meer dan een prediker Die het om God en Zijn Rijk ging. Het christendom is dan slechts een profetische religie. Het gaat erom dat gelovigen de wil van God doen en verschillen met andere wereldgodsdiensten zijn betrekkelijk.

In een ”hoge” christologie stelt men dat Jezus de eeuwige Zoon van God is. Men concentreert zich juist op het verlossend handelen van God in Jezus. Daarbij komen de verschillen tussen de verschillende godsdiensten veel meer aan het licht.

Dr. Meijering neemt als uitgangspunt voor het antwoord op de vraag ”Wie is Jezus Christus?” de meest kritische veronderstelling, dus een zo laag mogelijke christologie. Maar hoe kan hij dan ooit uitkomen bij de hoge christologische belijdenis van de Vroege Kerk? In ieder geval niet door Jezus te ”vergoddelijken”. Dat hebben geleerden sinds de verlichting als verwijt gemaakt aan het adres van de naar hun mening ”latere” hoge christologie.

Wat Meijering niet doet is gebruikmaken van onderzoek dat de laatste twintig jaar gedaan is en waaruit blijkt dat ook historisch gezien Jezus reeds vroeg gezien werd als God. Bekend is het woord van de begaafde nieuwtestamenticus Martin Hengel dat in de eerste decennia veel meer gebeurd is dan in al die eeuwen daarna. Ik houd het er maar op dat Meijering mede vanwege zijn Leidse verleden geen gebruikmaakt van studies van wetenschappers als Martin Hengel, Larry W. Hurtado of Richard Bauckham. In Leiden dienen immers historie en theologie strikt gescheiden te worden beoefend.

Hoe legt Meijering dan de verbinding tussen ”lage” en ”hoge” christologie? Allereerst dient onderscheid gemaakt te worden tussen twee vragen, namelijk de historische vraag ”Wie was Jezus van Nazareth?” en de vraag ”Wie is Jezus Christus?” Het antwoord op de laatste vraag is beslissend voor het gezag dat Jezus heeft.

Wie Jezus Christus is, dient wel verbonden te zijn met Wie Jezus van Nazareth was. Volgens Meijering vallen de twee vragen niet samen, omdat je er dan van uitgaat dat wat in de evangeliën staat zo ook is gebeurd en gezegd. Dat hoeft volgens hem helemaal niet het geval te zijn. Hij stelt dat het mogelijk is om vanuit dit vrijzinnig vertrekpunt toch bij een orthodox eindpunt aan te komen. Het geheim ligt in de opwekking van Jezus. Een historicus is niet bevoegd uitspraken over de feitelijkheid daarvan te doen. Maar het spreken over Wie Jezus ”is” kan alleen vanwege de werkelijkheid van de opstanding. Jezus „de opgestane Heer en God” is één met de predikende Jezus. Dat Jezus tevens de eeuwige Zoon van God is, kan geconcludeerd worden uit Gods wezenlijk betrokken zijn op de geschiedenis. God komt op beslissende wijze tot ons in Jezus Christus.

De Schriftkritische veronderstellingen prikkelen tot tegenspraak. Wat toch de ‘verdienste’ daarvan is in dit boek? Hij kan zo in gesprek met Schriftkritische Bijbelwetenschappers laten zien dat hun ”lage” christologie een ”hoge” niet in de weg staat. Toch kan vanuit de Schrift heerlijker de rijkdom getoond worden van de innige relatie tussen het ”hoog” en ”laag” in Immanuël, dan een vrijzinnig orthodox antwoord. Verder bevat het veel uitspraken die stof genoeg tot nadenken geven: „De christelijke kerk is geen vereniging waarin men het gedachtegoed van Jezus van Nazareth wil bewaren”, en: „Een eerste vraag die we ons, als we nadenken over de verzoening met God door Jezus Christus, mogen stellen is: schrikken wij nog van onszelf voor het aangezicht van de heilige God?”

Wie is Jezus Christus? Een vrijzinnig orthodox antwoord, Eginhard Meijering; uitg. Kok; Kampen; 2010; ISBN 978 90 435 1860 4; 125 blz.; € 13,50.