De standenleer en de prediking van Christus

Titel: ”Waar staan de Gereformeerde Gemeenten?” door mr. A. A. Bart
Uitgeverij: in eigen beheer, 2007
ISBN 978 90 811885 1 7
Pagina’s: 219
Prijs: € 17,50.

De standenleer is gaan gelden als ”het eigene van de Gereformeerde Gemeenten”. Dat is een van de conclusies in het vorige week verschenen boek ”Waar staan de Gereformeerde Gemeenten?” van mr. A. A. Bart. Een andere opmerkelijke bewering is dat volgens ds. G. H. Kersten de verkondiging van het Evangelie aan de onbekeerden uitsluitend is bedoeld tot hun veroordeling. Dat zijn verstrekkende opmerkingen.

Het is opmerkelijk dat de auteur geen kennis heeft genomen van het bekende artikel van wijlen ds. A. Vergunst over het theologisch eigene van de Gereformeerde Gemeenten (GG). Ds. Vergunst zegt daarin iets heel anders dan mr. Bart.

Bart maakt zich zorgen over de prediking in de GG. Hij geeft aan dat hij met zijn boek op het fundament van de Schrift en de belijdenis wil staan. Daarin ligt de impliciete veronderstelling dat de huidige GG daarvan zijn afgeweken. Dat is geen geringe zaak.

Bart wijst erop dat binnen de GG, naar zijn inzicht, de wedergeboorte is losgemaakt van het daadwerkelijk geloven in Christus, dat de gave van het geloof niet meer onlosmakelijk verbonden is met de oefening van het geloof, en ten slotte dat de rechtvaardiging door het geloof is verworden tot een bepaalde stand in het geestelijk leven die niet al Gods kinderen bereiken en waarbij de toerekening van Christus’ gerechtigheid is losgemaakt van de aanneming ervan door het geloof.

Heilsleer

Door deze zaken, die vooral zouden worden geleerd door ds. G. H. Kersten, dr. C. Steenblok en ds. A. Moerkerken, ontstaat de zogenoemde standenleer en daardoor kunnen in de prediking Christus en Zijn weldaden niet meer daadwerkelijk aan zondaren worden aangeboden.

Bij de reformatoren, de nadere reformatoren en in onze belijdenis zouden deze zaken anders liggen. Daar zouden, volgens Bart, de wedergeboorte en het geloven in Christus in de tijd samenvallen, de daad van het geloof onmisbaar zijn tot zaligheid en de rechtvaardiging plaatsvinden door het daadwerkelijk geloven. Hierdoor is een ruim aanbod mogelijk en is van een standenleer geen sprake. Wel kan gesproken worden over opwas in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus.

Bart gaat zelfs zover in zijn conclusies dat hij stelt, in tegenspraak tot wat ds. Kersten altijd uitdrukkelijk heeft geleerd, dat het nieuwe leven wordt gewerkt door de bediening van de wet. Vooral dr. Steenblok, maar ook ds. Kersten en later ds. Moerkerken zouden dit hebben geleerd. De geestelijke levendmaking geschiedt door de prediking van de wet. De geestelijke rust door de prediking en omhelzing van het Evangelie. Maar met wettische overtuigingen zou een zondaar in beginsel reeds behouden zijn. En opwas in de genade is wel mogelijk (kennis van Christus bijvoorbeeld), maar niet beslist heilsnoodzakelijk. De klem om Christus te prediken vervalt daardoor.

Ziedaar de heilsleer zoals die, volgens Bart, alom in de GG geleerd wordt. En waardoor de onbelemmerde prediking van het Evangelie wordt geblokkeerd!

Zegen

Wat moeten we van deze zaken zeggen? Laat ik vooropstellen dat het als predikant van de Gereformeerde Gemeenten best lastig is om hier onbevooroordeeld over te schrijven. Het gaat over mensen (bijvoorbeeld ds. Kersten) van wie je veel geleerd hebt en wiens catechismuspreken je nog steeds met veel zegen mag lezen. En inderdaad, elementen van de zaken die Bart noemt, zijn bij ds. Kersten te vinden. Toerekening en aanneming van de gerechtigheid van Christus door het geloof worden inderdaad door ds. Kersten onderscheiden. Maar ds. Kersten zegt daarover toch wel duidelijke dingen. In de ”Korte lessen over kort begrip” bijvoorbeeld lezen we: „De toerekening gaat aan de aanneming vooraf, maar wordt er ook zeker door opgevolgd, zodat er geen toerekening is zonder aanneming des geloofs.”

Een ander voorbeeld: wedergeboorte en daadwerkelijk geloven. Inderdaad onderscheidt ds. Kersten die twee zaken, maar in zijn boek ”Meer dan overwinnaars” kunnen we ook lezen: „Wie ganselijk mist het vertrouwen dat hem al zijn zonden om Christus wil vergeven zijn, die mist het ware geloof; dié is dood en onwedergeboren!”

Let op: ds. Kersten zegt hier niet: die mist de rust, maar: die is nog niet wedergeboren! Over een nauwe relatie tussen wedergeboorte en daadwerkelijk geloof gesproken.

De vraag kan rijzen hoe het toch komt dat ds. Kersten kennelijk soms een bepaalde indruk wekt. Mag ik in dit verband een suggestie doen? Calvijn en Luther schreven in de 16e eeuw en maakten front tegen de roomse kerk met het ”ingewikkeld geloof”. Comrie leefde in de 18e eeuw en maakte front tegen hen die neerkeken op zielen die het niet zo makkelijk konden ’aannemen’. Ds. Kersten en dr. Steenblok leefden in de 20e eeuw. Dat was de eeuw van Kuyper en de neogereformeerden. En tegen dat optimisme maakte ds. Kersten front. Vandaar dat hij op een bepaalde manier sprak over wedergeboorte, geloof en rechtvaardiging.

Spiegel

We moeten mensen dus wel in hun tijd en in hun worsteling blijven zien, anders gaan we dingen opschrijven waarmee we hun geen recht doen. De gedachte bijvoorbeeld dat ds. Kersten uitsluitend voor onbekeerde mensen preekte tot hun veroordeling en niet om hen te winnen voor de liefelijke dienst van Christus, is beslist onjuist. Men leze er zijn catechismuspreken maar op na.

Er is meer te zeggen over het boek van Bart. Ik zou bijvoorbeeld kunnen wijzen op het feit dat heel veel predikanten in de gereformeerde gezindte dachten in de lijn van ds. Kersten. In het rustige en mooie boekje van ds. E. van Meer, ”Gij zijt de Losser”, vinden we ongeveer dezelfde lijnen. Ik kan daar verder nu niet op ingaan. Laat ik nog enkele korte overwegingen noemen.

Elk boek is een spiegel. In zekere zin is het boek van Bart een spiegel. Zijn wij, dienaren des Woords, geworteld in de Schrift, in de belijdenis en in de oudvaders? Preken we onbekommerd en onbelemmerd Christus voor de grootste der zondaren? Dat zijn wezenlijke vragen die vanuit dit boek tot ons komen. Wellicht dat één ding in dit verband wel gezegd mag worden. Boston zal wat anders oordelen over wedergeboorte en daadwerkelijk geloof. Dat kan niet ontkend worden. Maar dat er aan het daadwerkelijk geloven in Christus tot zaligheid een ontdekkend en ontblotend werk van de wet voorafgaat, daarin was hij glashelder. En dat is toch voor de praktijk, zeker in onze dagen met zo veel evangelische invloeden, een gedachte die wezenlijk is.

In de tweede plaats: Mag ik ook iets vragen aan de schrijver van dit boek en van andere, soortgelijke boeken. Het treft me iedere keer weer pijnlijk dat vaak zo’n eenzijdig beeld van bijvoorbeeld iemand als ds. Kersten wordt gegeven. Probeer toch eens de hele Kersten te begrijpen én te verstaan. En laat ook vooral de context waarin hij zijn werk heeft gedaan eens meewegen in het weergeven van zijn gedachten. Helaas lijkt het nu vaak alsof niet genoeg duidelijk kan worden gemaakt hoe kwalijk mensen als ds. Kersten zijn geweest voor Gods kerk op aarde. Het bedroeft me dat ik het moet opschrijven, maar veel van het geschrevene komt zo op mij over.

Wonder

Laat ik ook iets zeggen voor de gehele gezindte. Onlangs las ik het mooie boek van W. van der Zwaag over Réveil en Afscheiding. In het slothoofdstuk citeert hij Bavinck. We nemen het over omdat dáár de kern van de zorgen ligt. „Het is alsof wij niet meer weten wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekering is. In de theorie kennen we ze wel, maar wij kennen ze niet meer in de ontzaglijke realiteit van het leven.”

Kijk, daar zit het probleem in 2007! Beleven we nog dat er een wonder nodig is van Gods genade in het leven van zondige mensen? Ware dat het geval, de twisten zouden verminderen, de prediking zou meer doortrokken zijn van Christus en Zijn gerechtigheid, en aan boeken als deze zou wellicht minder behoefte zijn.