Arie Kok schrijft actieboek over familiedrama

Boekenweek2020
Arie Kok: „​Misschien had mijn opa zelf dit boek wel willen schrijven.” beeld RD, Anton Dommerholt
2

Op een kwade meidag in 1949 werd de vijfjarige Ortie Kok op de Rijksstraatweg in het Utrechtse Elst aangereden door een auto. Met zijn iets oudere broertje Piet speelde hij een gevaarlijk jongensspel. Ze gooiden kiezelstenen tot over de tramrails die langs de overzijde van de straat liepen. Ortie overleed korte tijd later in het ziekenhuis.

Schrijver en journalist Arie Kok is de zoon van Piet, die voor zijn ogen zag gebeuren dat zijn broertje verongelukte. In ”Brood en stenen”, het actieboek voor de Week van het Christelijke Boek, vertelt Kok dit dramatische familieverhaal en laat hij voelen wat voor impact deze ingrijpende gebeurtenis had op het gezin waar Ortie en Piet kort na de Tweede Wereldoorlog deel van uitmaakten.

Kok kon zich baseren op de verhalen die hij hoorde van zijn vader, van zijn opa en van andere familieleden. Maar vooral kon hij putten uit het levensverhaal dat zijn grootvader en naamgenoot vanaf 31 december 1977 op schrift stelde. „Als kind logeerde ik vaak bij mijn opa en oma, die toen in Veenendaal woonden. Ik herinner me nog goed dat mijn grootvader zat te schrijven in het gele schrift dat ik later via mijn vader van hem heb gekregen. Het waren zijn memoires, maar dat was vast een te duur woord voor mijn opa.”

Het schrijftalent heeft u ook van uw grootvader geërfd?

„Er is beslist een schrijver aan mijn grootvader verloren gegaan. De 200 bladzijden die hij in het gele schrift vol schreef zijn vlot leesbaar, al valt er taalkundig wel het een en ander op aan te merken. Hij vertelde ook graag, zag overal een verhaal in. Met de juiste scholing zou hij met het schrijven vast een eind gekomen zijn. Maar omdat hij uit een geslacht van eenvoudige arbeiders kwam, heeft hij zijn hele leven moeten vechten om het hoofd boven water te houden. Hij had alleen de lagere school doorlopen toen hij op zijn twaalfde ging werken. Hij slaagde er weliswaar in om later in Elst een eigen bakkerij te beginnen, maar dat kon hij lichamelijk uiteindelijk niet volhouden. Hij kwam toen in dienst bij een pottenbakkerij.”

U schreef deze novelle in de ik-vorm. Was het lastig om u te verplaatsen in de leefwereld van uw grootouders?

„Bij het schrijven heb ik me zo veel mogelijk gebaseerd op wat mijn opa heeft opgeschreven en dat aangevuld met verhalen die mijn vader en andere familieleden me hebben verteld. Om er een echte roman van te kunnen maken had ik wel bepaalde scènes nodig die niet in de bronnen waren terug te vinden. Bovendien moest ik op detailniveau veel naar eigen inzicht invullen. Ik heb geprobeerd mijn grootvader zó te laten denken, handelen en spreken zoals ik denk dat hij gedaan zou hebben.”

In uw boek botsen twee geloofswerelden. Dat uit zich met name rond het overlijden van Ortie...

„Mijn overgrootvader Kok kwam uit Woerden. Daar was hij hervormd, maar ging geregeld buurten bij bijvoorbeeld de christelijke gereformeerde kerk als hij het in zijn eigen kerk niet bevindelijk genoeg vond. Later deed hij dat ook in Elst. Op zondagmiddagen belegde hij met gelijkgezinden aparte kerkdiensten; in een tabaksschuur heeft hij met enkele anderen de oud gereformeerde gemeente van Elst opgericht. Dat was een noodkerk, want het ideaal was dat men nog eens zou kunnen terugkeren naar de Hervormde Kerk. Mijn overgrootouders waren ook betrokken bij het gezelschapsleven.

Mijn opa is later weer lid van de Hervormde Kerk geworden. Dat gebeurde nadat hij in een leesdienst een preek van een hervormde dominee had gelezen; want dat werd hem niet in dank afgenomen.”

Uw grootmoeder had een meer bevindelijke inslag.

„Zij ging wel met mijn opa mee naar de hervormde kerk in Elst, maar ze heeft altijd een bepaalde angst met zich meegedragen; ze was bang dat ze de dingen niet goed deed, vreesde voor het oordeel. De klem die het bevindelijke leven met zich mee kan brengen heeft ze haar leven lang met zich meegedragen. Ze leefde meer naar binnen gekeerd. Na de dood van Ortie mocht er in het gezin bijvoorbeeld niet meer gelachen worden.

Mijn opa voelde veel meer de vrijheid; hij kerkte overal, hij had iets oecumenisch, hij dacht heel inclusief. Dat maakte mijn opa ongrijpbaar voor zijn schoonfamilie, maar daar trok hij zich niets van aan.

In zijn levensverhaal preekt hij tegen de bevindelijkheid in, een beetje kohlbruggiaans: het gaat niet om de vrome mens en zijn bevindelijke ervaring. De zaligheid ligt niet in ons, maar op Golgotha. Hij stelde het werk van Christus centraal.”

Speelden karakterverschillen ook een rol?

„Mijn grootouders hadden geen heel goed huwelijk, maar ze zijn wel altijd bij elkaar gebleven. Mijn oma kon niet goed overweg met de hang naar vrijheid en de eigenzinnigheid van mijn opa. Zoiets wringt in een huwelijk. Opa was een denker, een wat zorgeloze dromer. Hij geloofde ook anders; hij kon de genade zogezegd aanvaarden.

Overigens kwam bij mijn opa op het eind van zijn leven toch het bevindelijke van zijn jeugd weer naar voren. Hij worstelde op zijn sterfbed met de vraag of het wel goed zat tussen God en zijn ziel. Mijn vader had toen een pastoraal gesprek met hem en mijn opa kreeg kort daarop een soort visioen waarin hij Christus zag. Toen was het goed. Dat heeft mijn opa en oma op het laatst toch weer dichter bij elkaar gebracht. Mijn oma kreeg na de dood van haar man ook een bepaalde zielenrust. Ze schreef de psalmen op die op haar begrafenis moesten worden gezongen.”

U tekent uw grootvader als een vrije, onafhankelijke geest, die durfde na te denken over grote levensvragen. Hoe ging hij om met de dood van zijn zoon Ortie?

„Mijn opa was een gelovige man. Hij noteerde in zijn dagboeken stukken van preken, psalmen en ook wel gedichten van Gerrit Achterberg. De dood van Ortie heeft hem niet van zijn geloof afgebracht. Hij werd altijd boos als mensen veronderstelden dat hij wel opstandig tegenover God zou zijn. Hij was niet fatalistisch, hij had een blijmoedig karakter. Toch heb ik later wel gehoord dat hij worstelde met het verdriet om de dood van zijn zoontje. Dan lag hij geknield op het land. We kunnen ons ook niet meer goed indenken hoe het was in die tijd van armoede. De gezinnen waar mijn overgrootouders uit kwamen waren groot. Veel kinderen werden in die tijd niet oud. Soms overleden er wel vier of vijf in één gezin. De dood was altijd dichtbij. Ik vraag me vaak af hoe je daarmee omgaat, hoe je dan verder kunt leven. Men leefde sterker met de gebrokenheid van het bestaan en met de dood, maar zulke sterfgevallen moeten mensen toch diep hebben getroffen. De dood van Ortie raakte het hele gezin Kok; iedereen was van de kaart. Mijn vader sprak er niet veel over. „Slachtofferhulp was er in die tijd nog niet”, schreef hij in zijn eigen levensverhaal. Daar gaat een wereld achter schuil.”

Kostte het u geen moeite om dit toch wat intieme familieverhaal aan de openbaarheid prijs te geven?

„Het is inderdaad wel wat vreemd dat het verhaal van mijn opa nu in de boekhandel op de toonbank ligt. De foto’s achterin komen gewoon uit het familiealbum. Ik had het boek niet kunnen schrijven als mijn vader intussen niet was overleden. Dan had ik minder vrijheid gevoeld om de gebeurtenissen naar eigen inzicht te beschrijven. Ooms en tantes en ook mijn moeder hebben meegelezen om te voorkomen dat het verhaal te intiem zou worden. Zij vonden het prima zo. Daarbij komt dat ik aan de tekst van mijn grootvader kon merken dat hij gelezen wilde worden, hij schreef voor een publiek. Mijn opa vertélde ook wat hij opschreef, iedereen in zijn omgeving wist ervan. Misschien had hij zelf dit boek wel willen schrijven. Ik heb dat nu gedaan omdat mijn vader altijd zei dat ik qua karakter op mijn opa lijk. Door dit verhaal te schrijven heb ik geprobeerd te ontdekken wie hij was en of mijn vader gelijk had. Tegelijk heb ik met dit boekje aangetoond dat er een verhaal zit in gewone, eenvoudige mensen. Wat dat betreft is het een statement.”

Boekgegevens

Brood en stenen, Arie Kok; uitg. BCB i.s.m. KokBoekencentrum; 96 blz.; tot en met 14 maart gratis bij aankoop van ten minste 15 euro aan boeken in de christelijke boekhandel

Week van het Christelijke Boek / Boekenweek

De Brancheorganisatie voor het Christelijke Boeken- en muziekvak (BCB) organiseert van 4 tot en met 14 maart de Week van het Christelijke Boek. Tijdens deze periode ontvangt iedereen in de christelijke boekhandel bij aanschaf van tenminste 15 euro aan boeken de speciaal voor deze week geschreven novelle ”Brood en stenen” van Arie Kok.

Op zaterdag 14 maart is het mogelijk om met Kok een wandeling in Elst (Utr.) te maken, de plaats die centraal staat in het boekje.

Ongeveer parallel aan de Week van het Christelijke Boek loopt de 85e Boekenweek: van 7 tot en met 15 maart. Het thema is ”Rebellen en dwarsdenkers”.

Annejet van der Zijl schreef het Boekenweekgeschenk ”Leon en Juliette”. Özcan Akyol tekende voor het inmiddels spraakmakende Boekenweekessay met de titel ”Geraal zonder leger”.

www.bcbplein.nl; www.boekenweek.nl