Harde brexit wordt ramp voor Nederlandse vissers

beeld Cees van der Wal​

Als er één bedrijfstak opziet tegen de brexit is het wel de visserij. Nederlandse vissers vangen 60 procent van hun vis in ”Brits” water. Ze moeten er niet aan denken dat het Verenigd Koninkrijk straks dat deel van de zee exclusief voor de eigen vissers opeist.

De visserij is maar een kleine bedrijfstak. Het aandeel in de nationale economie bedraagt volgens het sociaal-economisch onderzoeksinstituut Wageningen Economic Research zo’n 0,2 procent. Daarbij gaat het niet eens alleen om de vloot: ook visverwerkende bedrijven, handel, toeleveranciers en transportondernemingen zijn in dat cijfer meegerekend.

2017-07-03-VP1-visserij-5-FC_webLonden slaat piketpaal voor visserij na brexit

Directeur Pim Visser van belangenorganisatie VisNed maakt in een zaal met vissers wel een vergelijking met de glastuinbouw. „De waarde van alle vis die wij samen vangen, is vergelijkbaar met die van de gerberateelt. De Nederlandse paprikakwekers zetten zelfs tien keer meer om.”

Het drukt de stoere zeelui met de neus op de feiten. Zelfs in Urk, hét viscentrum van Nederland, worden ze even stil. Vrijdagavond had de plaatselijke SGP daar een bijeenkomst over de brexit belegd, waar Visser een van de sprekers was.

De VisNed-voorman is tegenwoordig vaker in Brussel om te lobbyen dan op zijn thuisbasis, de Helderse visafslag waarvan hij directeur is. In Brussel immers onderhandelen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk over het komende vertrek van dat land uit de Unie. En de Britten hebben de visserij in de top vijf van hun prioriteitenlijstje gezet.

Plaatjes die Visser uit zijn laptop tovert, onderstrepen dat. Te zien is hoe een van de aanstichters van de brexit, de huidige minister van Buitenlandse Zaken, Boris Johnson, bij een bezoek aan een Schotse visafslag een grote kabeljauw in zijn armen houdt. Naast hem staat visserijminister George Eustice, die de Britse vissers belooft dat ze na de brexit „honderdduizenden tonnen” extra vis mogen vangen. Als het aan de Britten ligt, gaat het beheer van de zeeën rondom hun eilandenrijk ingrijpend op de schop. Ze vinden dat ze bij hun toetreding tot de EU in 1973 te veel hebben weggegeven. „Ze willen ”hun” visgronden en ”hun” quota terug, ”hun” visindustrie herstellen, minder regelgeving en meer vrijheid om te vissen”, vat Visser samen.

Let wel: het woordje ”hun” staat op Vissers sheets expliciet tussen aanhalingstekens. Want volgens hem kunnen de Britten helemaal geen exclusieve rechten laten gelden op de visgronden in onder meer de Noordzee en het Kanaal en evenmin op de vis die daar zwemt.

Britse vissers rekenen erop dat zij na de brexit het alleenrecht krijgen in de zogeheten exclusieve economische zone (EEZ of 200 mijlszone) van hun land. Bovendien willen ze dat de visquota in zeeën die nu nog gezamenlijk met de EU worden beheerd, opnieuw worden verdeeld.

Volgens Visser staan deze Britse wensen op gespannen voet met verdragen uit het verleden. De verdeling van visquota tussen de Europese kuststaten is in 1983 –tien jaar na toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de EU– na jarenlange onderhandelingen tot stand gekomen. Basis voor de verdeling waren de daadwerkelijke visvangsten in de periode 1973-1978. „Daar kun je niet zomaar aan morrelen”, vindt Visser.

Wat de EEZ’s betreft, deze zijn gebaseerd op het zeerechtverdrag van de Verenigde Naties (Unclos). „Dat verdrag regelt elk gebruik van de zee behalve de visserij. Voor de visserij is de zee onverdeeld”, aldus Visser.

En dus hebben tot op heden alle Europese vissers vrije toegang tot de EEZ van het VK, uitgenomen de territoriale wateren (de zone tot 12 mijl uit de kust). Van hun kant kunnen Britse vissers ongehinderd hun netten uitwerpen op bijvoorbeeld het Nederlandse of Duitse deel van de Noordzee.

Dat moet zo blijven, vinden de Nederlandse vissers. Voor hen, maar ook voor hun collega’s uit onder meer België, Duitsland, Denemarken, Frankrijk en Ierland is de Britse EEZ van cruciaal belang. Nederlandse vissers halen een kleine 60 procent van hun vangst uit ”Brits” water, goed voor bijna 40 procent van hun jaaromzet. De Belgen vissen er ruim de helft van hun omzet bij elkaar, de vissers uit de andere genoemde landen tussen een kwart en een derde. De Britse vissersvloot op zijn beurt haalt 20 procent van zijn vis uit EU-wateren buiten de eigen EEZ.

Dat de Britten deze twee stevige onderwerpen –beperking van de toegang van EU-vissers tot hun EEZ en herverdeling van vangstquota– in Brussel op de onderhandelingstafel zullen leggen, is wel zeker. In het zwartste scenario komt er een harde brexit, dat wil zeggen dat er nog geen overeenkomst is als het VK in 2019 uit de EU treedt. Volgens VisNed zal de EU-vissersvloot dan met 15 procent inkrimpen, wat neerkomt op 500 tot 600 schepen. Daarbij gaan op de vloot en in de visindustrie tussen de 5000 en de 6000 banen verloren.

Hebben de Britten dan alle troeven in handen? Nee. Op één punt zijn ze juist heel afhankelijk van de EU, namelijk voor de verkoop van de vis die ze vangen. Ruim twee derde daarvan exporteren ze naar de EU: onder meer zalm, kreeft en krab. Deze uitvoer is goed voor ruim 1,3 miljard euro. „De handel is ons breekijzer”, concludeert Visser.

Visserijorganisaties uit negen Europese landen die door de brexit getroffen dreigen te worden, hebben een alliantie gevormd om hun belangen in Brussel hoog op de agenda te krijgen. Ze willen voorkomen dat hun sector straks als wisselgeld gebruikt wordt om een politiek akkoord tussen de EU en het VK tot stand te brengen.

De alliantie krijgt sinds kort steun van lokale visserijgemeenschappen. Visserij mag dan in het totale economisch krachtenveld een kleine speler zijn, voor die specifieke gemeenschappen is ze van levensbelang. In Nederland drijft de economie van dorpen als Urk, Katwijk, Arnemuiden en Goedereede op de visserij en visverwerking. Afgelopen voorjaar nam Urk het initiatief om met visserijgemeenten uit Nederland, België, Denemarken en Frankrijk gezamenlijk druk op Brussel uit te oefenen.

Extra zorgen voor vlagkotters

Vissers die zich extra zorgen maken over de brexit zijn de opvarenden van de zogeheten vlagkotters. Dit zijn enkele tientallen schepen die eigendom zijn van Nederlanders, maar in Britse havens zijn geregistreerd en zo kunnen profiteren van Britse visquota. Vooral in Urk speelt dit: daar zijn zo’n honderd vissersgezinnen voor hun inkomen van deze vlagschepen afhankelijk.

Volgens Meindert Hoefnagel, directeur van accountantskantoor Profinis in Urk, zijn zij formeel Britse werknemers. „Hun gezinnen zijn voor het inkomen, de sociale zekerheid en de ziektekosten gebaat bij een behoud van de huidige situatie.”

Zolang het VK nog lid is van de EU, hoeven de Urkers zich geen zorgen te maken. Hoefnagel betwijfelt echter of zij na de brexit in aanmerking komen voor een ”settled status”, een uitzonderingsregeling voor EU-burgers die al vijf jaar of langer in het VK werken. Omdat de Urkers niet daadwerkelijk in het VK wonen, bestaat de kans dat voor hen straks dezelfde regels gaan gelden als voor bijvoorbeeld Filipijnen. De werkgever moet dan onder meer aantonen dat hij geen Britse werknemers kan vinden. Hoefnagel vindt dat de politiek voor de Nederlandse gezinnen in de bres moet springen.