Lokale vissers in Gambia aan alle kanten in het nauw

Jonge mannen waden met kratten vis op hun hoofd naar de wal. beeld Lex Rietman
2

De Atlantische Oceaan voor de kust van West-Afrika is een van de meest visrijke gebieden ter wereld. Maar de lokale vissers krijgen het steeds moeilijker. En de prijs van vis rijst de pan uit. De belangrijkste bron van proteïne wordt zo langzamerhand onbetaalbaar.

„Ze maken onze zee kapot.” Muhammed Sarr, 28 jaar en visser uit de Gambiaanse kustplaats Gunjur in West-Afrika, is verontwaardigd. De machtige vistrawlers van de buitenlandse concurrentie drijven hem tot wanhoop.

„Zij mogen eigenlijk alleen op volle zee vissen”, zegt Sarr op het strand aan de vissershaven. „Maar ’s nachts naderen ze de kust, tot vijftien of dertien kilometer van het strand. Soms komen ze nog dichterbij. Ze vallen ons lastig. Ze beschijnen ons met felle lampen ,waardoor ze de vis verjagen. En ze varen ook nog eens onze netten kapot.” Volgens Sarr komen deze industriële vissersboten vooral uit het buurland Senegal en China. „Zij hebben grote vissen nodig. De kleine gooien ze weg, maar die zijn dan al dood.”

Inkomen

Sarr is net als de meeste van zijn collega’s vandaag niet uitgevaren. Er waait een stevige bries, en dat maakt de oceaan te gevaarlijk voor de kwetsbare boten van de ambachtelijke vissers. Vooral de kleinere schepen lopen risico, en die maken het leeuwendeel uit van de lokale vloot. En dus liggen tientallen kleurrijk beschilderde vissersboten vandaag werkeloos op het strand van Gunjur.

Vissers en visverkoopsters zitten in groepjes te praten. Anderen turen de zee af. Een van de grotere boten, met een bemanning van zo’n vijftig vissers, heeft het ondanks de ruwe zee vandaag wél aangedurfd om uit te varen. Die kan nu elk moment aan de horizon verschijnen.

Gunjur leeft van de visserij. De 35.000 inwoners danken hun inkomen grotendeels aan de visvangst. Maar voor de bevolking van Gambia als geheel is de visserij ook van groot belang. Volgens het nationale statistiekbureau GBOS is de sector goed voor 12 procent van het bruto binnenlands product.

Bovendien is vis de voornaamste bron van proteïne voor de twee miljoen Gambianen. Voor de bevolking van de andere West-Afrikaanse landen geldt hetzelfde. Naar schatting driekwart van de proteïneconsumptie in de regio bestaat uit vis. Vooral bonga, de West-Afrikaanse haring, is populair, want die is goedkoop.

Watervervuiling

De concurrentie van de buitenlandse industriële visserij is niet het enige probleem waar Muhammed Sarr en zijn collega’s mee worstelen. In 2015 is in Gunjur een Chinese vismeelfabriek geopend. De fabriek, Golden Lead, staat pal aan het strand. Sarr opent een putdeksel tussen de fabriekshal en de kustlijn. „Kijk, hier loopt een pijpleiding”, zegt hij. „En zie je daar die boot die in de haven voor anker ligt? Daarachter komt deze pijp in zee uit. ’s Nachts loost de fabriek haar afval. Het maakt het water geel.”

De watervervuiling leidt tot ongerustheid in Gunjur. Massale vissterfte komt herhaaldelijk voor. „Een halfjaar geleden kwam de bevolking in actie om de pijplijn weg te halen”, zegt Sarr. „Maar er werd meteen weer een nieuwe aangelegd.”

Vandaag ligt de fabriek stil. Door de ruwe zee is er onvoldoende aanvoer van vis. Maar als de vismeelfabriek op volle toeren draait, dan is de stank volgens de bewoners niet te harden. Sommige kinderen uit Gunjur hebben ademhalingsproblemen en huidziekten.

Bewoners vermoeden dat dit met de uitlaatgassen van Golden Lead te maken heeft. Ze hebben geen middelen om een oorzakelijk verband te laten onderzoeken. En de overheid lijkt weinig zin te hebben om de Chinese investeerders voor het hoofd te stoten.

Schikking

Lamin Jammeh is voorzitter van de lokale milieugroep Environmental Concern Group Gunjur. Op een dag zag hij hoe het strand van Gunjur bedolven was onder een enorme laag rottende vis. „Vissers komen uit heel Gambia en Senegal hierheen om hun vangst aan de vismeelfabriek te verkopen”, zegt Jammeh. „Er zijn dagen dat het aanbod groter is dan Golden Lead aankan. Dan kieperen de vissers het overschot terug in zee, want die vis is inmiddels bedorven en kan niet meer op de gewone markt verkocht worden. Die dode vis spoelt later op het strand aan.”

Uit de analyse van een Duits laboratorium bleek dat het zeewater bij de pijpleiding van Golden Lead ernstig vergiftigd was. Milieuactivist Jammeh klopte aan bij het Gambiaanse milieuagentschap NEA. In 2016 diende dit overheidsorgaan een aanklacht in tegen de fabriek, maar Golden Lead werd vrijgesproken. Daarna ging de regering zich met de zaak bemoeien om tot een schikking te komen tussen de Chinese fabrieksdirectie en het Nationale Milieuagentschap NEA.

„De milieubeweging werd niet bij het overleg betrokken, de vissers en de plaatselijke bevolking ook niet”, zegt Lamin Jammeh. „Daar waren wij niet blij mee.”

De situatie verbeterde niet en in 2017 diende hij met zijn milieugroep een aanklacht tegen Golden Lead in bij het hooggerechtshof in de hoofdstad Banjul. „Na vier zittingen hebben we niks meer gehoord”, zegt Jammeh, die zelf bij het gerecht werkt als assistent van een rechter. „Er zit geen schot in de zaak. We hebben geen idee waarom.”

Voedselvoorziening

Toch heeft Lamin Jammeh wel een vermoeden waar het probleem zit. „Gambia en China zijn bevriende landen, daarom wil de regering niet dat deze kwestie bij de rechtbank terechtkomt”, zegt hij. „In 2018 betrapte de Gambiaanse marine vissersboten die illegaal in de kustwateren van Gambia visten. Die boten bleken eigendom van Golden Lead te zijn.” Het nieuws stond in de dagbladen, maar kreeg geen aandacht in het tv-journaal. Lamin Jammeh en zijn milieugroep hebben er nooit meer iets van vernomen.

Maar de komst van de vismeelfabriek heeft ook ingrijpende gevolgen voor de voedselvoorziening van de plaatselijke bevolking. Bijna alle vis, vooral de goedkope bonga, die voor de dagelijkse voedselvoorziening zo belangrijk is, gaat naar de vismeelfabriek. Voor de plaatselijke markt blijft er maar weinig over.

Fatou Jatta weet er alles van. Ze verkoopt al twintig jaar vis op de markt van Gunjur. „Vroeger kostte een mand bonga honderd of tweehonderd dalasi”, zegt ze, terwijl ze de vis schoonmaakt. Dat komt neer op twee tot vier euro. „Nu kost een mand tussen zevenhonderd en twaalfhonderd dalasi.” Oftewel, de prijs is zeker drie keer over de kop gegaan. Hoe dat komt? Jatta aarzelt geen moment: „Door de vismeelfabriek. De vissers verkopen bijna niks hier op de markt. Alles gaat naar de fabriek.”

Visstand

Visser Muhammed Sarr bevestigt dat. „De fabriek wil zo veel mogelijk vis. Als er op een dag driehonderd vissersboten zijn, kopen ze hun hele vangst”, zegt hij. „Voor de lokale markt blijven dan één of twee boten over.”

Golden Lead betaalt een vaste prijs van 315 dalasi per mand. Dat is minder dan de lokale markt betaalt, legt Sarr uit, maar de fabriek bindt de vissers aan zich door leningen aan hen te geven. „Als je een probleem met je boot hebt, geven ze je geld voor de reparatie. Vanaf dat moment is jouw vangst voor de fabriek, omdat je de schuld moet terugbetalen. Veel vissers werken alleen voor Golden Lead.”

Behalve in Gunjur zijn in de voorbije jaren ook vismeelfabrieken geopend in Sanyang en Kartong, ook aan de Atlantische kust van Gambia. In het buurland Senegal staan inmiddels twaalf van zulke fabrieken, in Mauretanië 29. De kust van West-Afrika is zo bezaaid geraakt met vismeelfabrieken. De meeste zijn gebouwd met Chinees kapitaal, soms werken ze onder de lokale vlag. Het visvoer gaat bijna volledig naar China, de grootste producent van kweekvis ter wereld.

Volgens Lamin Jammeh van de milieugroep Gunjur heeft alleen al Golden Lead 2000 ton vis per dag nodig. Samen met de vraag van de andere fabrieken in de regio betekent dat een enorme aanslag op de visstand. De West-Afrikaanse kust is visrijk, maar niet onuitputtelijk. Volgens de wereldvoedselorganisatie FAO wordt bonga al jarenlang overbevist. En voorlopig lijkt daar nog geen einde aan te komen.

Spanningen

Ambachtelijke vissers uit de buurlanden kampen met dezelfde problemen als hun Gambiaanse collega’s. Om met de buitenlandse trawlers uit Europa en Azië te kunnen concurreren, begonnen traditionele vissers uit Senegal grotere schepen te bouwen, zodat ze verder uit de kust kunnen vissen. Anderen geven het op en proberen naar Europa te emigreren.

Op zoek naar de steeds schaarsere vis worden Senegalese vissers behalve in Gambiaanse ook steeds vaker in Mauretaanse wateren gesignaleerd. Dat leidt tot toenemende spanningen. Na de instelling van een visverbod door Mauretanië schoot de lokale kustwacht vorig jaar de jonge Senegalese visser Fallou Diakhaté dood. In zijn woonplaats Saint Louis, aan de grens met Mauretanië, braken daarop rellen uit, waarbij winkels van Mauretaanse immigranten werden geplunderd. Volgens de BBC zou „tientallen vissers” hetzelfde lot hebben getroffen als Diakhaté.

Marktvrouwen

Eind vorig jaar tekenden Gambia en de Europese Unie een nieuw visserijakkoord. Europese schepen mogen de komende zes jaar binnen de Gambiaanse territoriale wateren vissen, de zone van de kustlijn tot 12 zeemijlen (22 km). Per jaar mogen zij daar 3300 ton tonijn en 750 ton heek vangen. In ruil daarvoor krijgt de Gambiaanse regering jaarlijks 550.000 euro. Dat lijkt niet erg veel, maar Bamba Banja van het ministerie van visserij onderstreept dat daar 350.000 euro bijkomt van de Europese reders.

Een deel van dat geld moet besteed worden aan de ondersteuning van de Gambiaanse sector en de strijd tegen illegale vangsten. Maar het akkoord betekent wel dat lokale vissers als Muhammed Sarr nog meer concurrentie krijgen van buitenlandse trawlers, en dat die ook nog eens in de productieve strook dicht bij de kust mogen vissen.

In de haven van Gunjur is inmiddels de vissersboot binnengelopen waar de marktvrouwen op zaten te wachten. De boot ligt voor anker op een meter of dertig voor het strand. Jonge mannen waden met kratten vis op hun hoofd naar de wal. Daar wordt de vangst overgeheveld in plastic manden. De marktvrouwen verdringen zich om de koopwaar. De prijs is hoog vandaag. Omgerekend kost een mand ruim vijftien euro, bijna driemaal zo veel als de vismeelfabriek betaalt. „De zee is ruig vandaag, er zijn bijna geen vissers op zee”, zegt een van de marktvrouwen. „Dus dit is alles wat er is.” Ondanks de hoge prijs gaat de vis vlot van de hand. De moed van de vissers die het hebben aangedurfd om vandaag de zee op te gaan, wordt tenminste beloond.