Theologie van de kerkdienst staat onder druk

„De geméénte kwam in de achterliggende maanden samen rond een geopende Bijbel, niet slechts een afvaardiging daarvan.” Foto: ook deze Londense kerk zette de gemeen-telijke erediensten voort. beeld iStock

Enkele symptomen van ons spreken over de kerkdiensten doen mij vrezen voor een aantasting van wat wezenlijk is. Dat geldt ook voor de taal die we gebruiken in de handreikingen ofwel coronaprotocollen.

We moeten ons taalgebruik in deze coronatijd niet laten infecteren, en zeker niet ons denken. Vaak gaat het van denken naar taal, maar langdurig gebruik van taal beïnvloedt ook ons denken.

Vorige week is er druk vergaderd over het gestalte geven aan erediensten vanaf 1 juni (bezoekersaantal maximaal dertig) en, als er geen kink in de kabel komt, vanaf 1 juli (bezoekersaantal maximaal honderd). Niet zonder reden gebruik ik nu het woord ”bezoeker”. Dat is een symptoom dat me zorgen baart rond het ”opstarten” van onze kerkdiensten. Een ander woord dat aanduidt hoe bedrijfsmatig we zijn gaan spreken over de kerkdienst. Beide zal ik toelichten.

‘Machines’

Er is bij de overheid op aangedrongen, en zo worden de kerken ook gestimuleerd, om met ingang van 1 juni weer op een andere manier gestalte te geven aan onze erediensten. Nee, zó verwoord kom ik het nauwelijks tegen. We moeten weer kerkdiensten gaan ”opstarten”. Maar als dit ons spraakgebruik is, waarmee waren we dan bezig in de achterliggende maanden?

In het kerkgebouw waren de ambten vertegenwoordigd en aanwezig. Dat lijkt me goed gereformeerd gedacht. Daarnaast enkele noodzakelijke (en gewaardeerde!) mensen om ervoor te zorgen dat het medium van beeld en geluid ongestoord doorgang zou verlenen. Waaraan? Aan wat enkele mensen in de kerk deden: een biddende en prekende voorganger (soms zelfs voorzanger) en nog enkele zangers ofwel kerkenraadsleden?

Zo leek het misschien wel, maar zo was het ten diepste niet. De gemeente kwam samen rond een geopende Bijbel! Let wel: de geméénte en niet slechts een afvaardiging daarvan. De samenkomst nu dan weliswaar een poosje niet in één huis, maar verspreid in onze eigen huizen. Maar niet minder onder de aanroeping van Gods Naam, in die Naam.

We gebruiken woorden soms heel argeloos, zonder ons bewust te zijn van mogelijk verkeerde uitwerkingen. Maar ik hoop dat we allemaal rillingen over onze rug voelen lopen als we zo gaan spreken: per 1 juni starten we onze kerkdiensten weer op. Alsof het machines zijn die enkele maanden stilstonden en vanaf die datum weer mogen gaan werken.

Hoe naar ook voor het oog en voor je gevoel, hoe gebrekkig en gebroken ook, de gemeentelijke erediensten als de samenkomsten van de gemeente die God samenroept, zijn in de achterliggende weken doorgegaan. God wilde ons ontmoeten, al was de onderlinge ontmoeting er niet of veel minder.

Consumptieartikel

Overigens, als het gaat om de onderlinge verbondenheid, zelfs daar zouden denk ik technisch gezien nog wel een paar slagen gemaakt kunnen worden. Dat schrijft deze leek na enkele weken ervaring met Zoom, Teams, Webex en wat je nog meer kunt bedenken. Bijvoorbeeld in het verbinden van enkele gezinnen, die dan samen zingen als gemeente. Maar de lofzang ging door in de huizen; er was dus, hoe schuchter ook, een antwoordende gemeente. Via talloze livestreams klonk het levende Woord en riep dat om antwoord.

Het is in het licht van Gods voortgaande ontmoeting met de gemeente trouwens een aangrijpende gedachte dat er erediensten geschrapt zijn. Waarom toch? In een aantal gevallen omdat er volgens de kerkenraad immers te kust en te keur erediensten aangeboden worden. Nee, ik doel dus niet op de situatie dat twee gemeenten, waarvan de ene dan vaak vacant is, gedurende deze periode zo gestalte geven aan de onderlinge verbondenheid. Maar met het schrappen van erediensten vanwege voldoende aanbod stimuleren we kerkgang als consumptieartikel.

Afstand houden

Dat brengt me bij een tweede symptoom rond onze erediensten met ingang van 1 juni, zoals die nu geprotocolleerd zijn. Dat symptoom heeft met het karakter van onze erediensten te maken.

Laat ik eerst nog zeggen dat, vanuit de hunkering naar het weer bijeenkomen van de gemeente voor Gods aangezicht en het samen zingen van liederen, het op een andere manier gestalte geven per 1 juni (door dertig mensen toe te laten) heel begrijpelijk is. Maar ook hierbij geldt: zijn we dan toch weer een beetje blij en alvast op de goede weg, van dertig naar honderd en meer? Dat hangt er maar van af.

Van twee dingen geldt dat we volgens mij niet en nooit de indruk moeten wekken dat ze wel kunnen in een eredienst. In de eerste plaats: het afstand houden. Dat is zo in strijd met het karakter van een ”onderlinge bijeenkomst”, de samenkomst van de christelijke gemeente. De winst (om toch maar eens een organisatieterm te gebruiken) per 1 juni of 1 juli kan voor ons gevoel misschien wel iets doen, maar moet ons niet verblinden.

Misschien echter moet deze letterlijke lichamelijke afstand ons te binnen brengen dat we innerlijke afstand houden tot mensen die niet gelijkgestemd zijn. Je zult hen straks maar zien zitten, de een en de ander, 1,5 meter uit elkaar. Alleen dan kunnen ze in dezelfde bank zitten. Het op deze manier spiegelen van protocollen lijkt me heilzaam. Zelfs die kunnen dan tot bekering leiden.

Zang onmisbaar

In de tweede plaats: een eredienst zonder zang is een onding. Graag verwijs ik naar de column ”Sneuvelen van de lofzang is een ramp” (RD 1-5), over het onmisbare van de lofzang in de eredienst.

Haamstede-5585-DAGKR-sjColumn: Het sneuvelen van de lofzang is een regelrechte ramp

Ook hierbij geldt: laat een situatie zonder gemeentezang niet gaan wennen. De antwoordende gemeente doet er wezenlijk toe. Dan zou inderdaad het scanderen of opzeggen van liederen ver de voorkeur verdienen boven een ”zwijgende gemeente”. Dit kan op een verkeerde manier de gedachte stimuleren dat het in de kerkdienst toch alleen maar om de preek gaat en dat de rest bijzaak is. Als we als gevolg van het aanwezig zijn van dertig of honderd mensen in het kerkgebouw onze mond moeten houden en we zo de zang als gemeente totaal achterwege laten, is het de vraag of we dat wel mogen willen.

De auteur is hoogleraar praktische theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.