Waarom verlangt iedereen naar groter?

beeld saltystock, Gemma Pauwels
4

Groter is beter. Dat adagium krijg je –wellicht onbedoeld– al vanaf je kinderjaren met de paplepel ingegoten. Auto’s, huizen, bedden: het lijkt wel alsof alles steeds groter moet. Terwijl kleiner vaak ook best fijn is.

De voorliefde voor groot begint vaak al jong. Wanneer je een kind vraagt hoe oud het is, loop je de kans dat het iets zegt als: „Bijna zes” of: „Over twee maanden word ik acht.” Een jaar ouder –en dus groter– worden is iets om naar uit te zien. Geen kind zal zeggen: „Was ik nog maar vijf.” Je zou kunnen concluderen dat de stilzwijgende afspraak in de kinderwereld luidt dat groter zijn beter is. Dat sluit wellicht onbewust ook aan bij wat hun ouders voor ogen staat: hen opvoeden tot volwassenheid.

Dat kinderen ook wanneer het om concrete dingen gaat soms bijzonder gespitst zijn op omvang wordt door opvoeders minder toegejuicht. Ze willen allemaal liefst het grootste ijsje, de grootste kamer en het grootste cadeau. En protesteren luidkeels als het er de schijn van heeft dat een ander ruimer wordt bedeeld. „Zij heeft meer!” of de zielige variant: „Ik krijg altijd het minst!” Behalve als het om minder aantrekkelijke zaken –denk aan spruiten en huiswerk– gaat.

Terwijl je opgroeit, worden veel dingen in je waarneming haast automatisch ook steeds groter. Wieg en ledikant maken plaats voor een echt bed. Een fiets met zijwieltjes wordt vervangen door een tussenmodel en daarna, tegen de tijd dat de middelbare school in zicht komt, een volwassen framemaat. Ook als de benen van een prepuber daarvoor feitelijk nog wat aan de korte kant zijn. Een fiets ‘op de groei’ is op die leeftijd aantrekkelijker dan een kindermodel.

En zo gaat dat maar door. Je verhuist van je eerste kamer naar een iets grotere kamer naar een flatje en vervolgens naar een huis met een tuintje formaat postzegel. En daarna naar een nog wat ruimer huis met een tuin die groot genoeg is voor een appelboom en een kippenhok.

Op een gegeven moment is een logische vervolgvraag –vanuit jezelf of vanuit je omgeving–: wat nu? Nog ruimer: vrijstaand met een boomgaard? Maar waarom eigenlijk? Omdat de mensen om je heen dat van je verwachten? Omdat je het je kunt veroorloven?

Nodig is het in ieder geval niet. En of het leven er prettiger, rustiger of comfortabeler van wordt is ook nog maar zeer de vraag. Elke extra vierkante meter woonruimte en perceeloppervlakte brengt zijn eigen zorg, onderhoud en kosten met zich mee. Al die ramen moeten op gezette tijden worden gezeemd. Om over het maaien van het gras nog maar niet te spreken.

De gedachte dat meer beter is en groter prettiger, is nauw verweven met de manier waarop onze economie in elkaar zit. Alles is op groei gericht. Scholen en ziekenhuizen fuseren tot steeds grotere (en loggere) instituten. Schiphol wil nog meer vliegtuigen af gaan handelen. Ook wij, consumenten, krijgen een tik van die drang tot groei mee. De koopkracht neemt weer toe.

Rupsje Nooitgenoeg

De commercie spoort ons –soms luidkeels, soms subtiel– aan om te leven als het rupsje Nooitgenoeg, dat altijd maar meer wil. Een adverteerder zal je nooit confronteren met de vraag of je die bloempot, tuinset of nieuwe auto wel nodig hebt. Hij zal je er niet op wijzen dat je al een bloempot, een tuintafel en een net APK-gekeurde vierwieler hebt. Advertenties en andere commerciële uitingen spelen juist slim in op behoeften waar je jezelf wellicht helemaal niet bewust van was. Met de suggestie dat je er gelukkiger en tevredener van wordt als je die grotere auto hebt, voorzien van de nieuwste technische hulpmiddelen.

Voor je het weet ga je mee met die neiging om op grotere voet te gaan leven. Sterker nog: misschien moet je wel heel sterk in je schoenen staan om daar weerstand aan te bieden en dat niet te doen.

Loop maar eens een willekeurige interieurzaak binnen. Het staat er vol met flink uit de kluiten gewassen meubels: reusachtige banken en eettafels die lang genoeg zijn om er kamerhoge behangbanen op te knippen. Ik denk dan: in wat voor huizen wonen de mensen die dit gaan kopen? Een bank van 3 meter: die kan bij ons niet eens het huis in, althans: de hoek bij de kamerdeur haalt hij niet.

Commercieel gezien is het blijkbaar ook aantrekkelijk om dingen wat groter te doen lijken dan ze feitelijk zijn. Al doet dat soms wel wat komisch aan. Dat de grootste slaapkamer in huis –al is het een standaard tussenwoning, en is die kamer dus niet uitzonderlijk ruim bemeten– in makelaarsteksten tegenwoordig wel de ”master bedroom” wordt genoemd, bijvoorbeeld. Als je er een bed volgens de hedendaagse maten in zet kun je er misschien nog net om heen lopen.

Keuterboerderijtje

Dat de huizen waarin we leven en de dingen waarmee we ons omringen de afgelopen eeuw gemiddeld genomen steeds groter zijn geworden, staat als een paal boven water. Volgens een artikel op de website canonsociaalwerk.eu is de beschikbare woonruimte per persoon in Nederland sinds 1900 verveertigvoudigd. In 1900 moest een gezin van vijf personen het doen met een huis van nog geen vijftig vierkante meter. Tegenwoordig heeft iemand gemiddeld de beschikking over 65 vierkante meter woonoppervlakte.

Wie wil ervaren hoe dat enorme verschil eruitziet, moet maar eens in een openluchtmuseum in een keuterboerderijtje gaan kijken. En zal zich verbazen: over de lage plafonds en de krappe ruimtes, over hoe klein (smal en kort) de bedsteden toentertijd waren en ook met hoe weinig spullen de mensen toe konden. Of lees eens een boek als ”Koninkrijk vol sloppen” (Amsterdam, 2010) van Auke van der Woud, over de erbarmelijke omstandigheden waarin mensen voor 1900 in steden woonden: hutjemutje op elkaar, in vochtige kelderkamers, zonder riolering. Daarbij vergeleken wonen we nu, generaliserend gesproken, allemaal als koningen en koninginnen. Behalve dan de uit Oost-Europa afkomstige werknemers die door huisjesmelkers nogal eens met busladingen tegelijk in een tijdelijke behuizing worden gestopt...

Reusachtig bed

Op zich is het niet meer dan logisch dat de dingen om ons heen de afgelopen eeuw een stuk groter zijn geworden. De welvaart nam toe, dus de mogelijkheden waren er. En de noodzaak was er ook, in ieder geval tot op zekere hoogte. Denk maar aan het feit dat de Nederlander in de loop van de tijd aanzienlijk langer is geworden. Volgens een artikel op de populairwetenschappelijke nieuwssite scientias.nl is de gemiddelde lengte sinds 1850 met zo’n 20 centimeter toegenomen. Dat heeft uiteraard gevolgen voor kledingmaten, stoelhoogtes en de grootte van matrassen. Wie pas beelden heeft gezien van de ontmoeting tussen koning Willem-Alexander en de Britse koningin Elisabeth zal onmiddellijk begrijpen dat zij een verschillende voorkeur hebben als het gaat om een lekker zittende fauteuil.

Maar de voorliefde voor groot, groter, grootst gaat vaak verder dan louter het functionele. Soms is het zelfs alleen maar onhandig. Voor mensen die langer zijn dan gemiddeld, is een bank of een stoel met een wat langer zitvlak fijn. Maar ontwerpers kunnen ook overdrijven. Bij sommige banken is de zit zo diep dat zelfs een uit de kluiten gewassen Nederlander er alleen enigszins rechtop in kan zitten door een stapeltje kussens in de rug te proppen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Tenzij de meubelfabrikant het begrip ”aanliggen” nieuw leven in wilde blazen.

Dat groter niet per se functioneler is dan kleiner, geldt ook voor de automarkt. Het is alsof fabrikanten maar twee smaken hebben: klein en bescheiden qua uitstraling (en prijs) of op alle terreinen flink aan de maat. Sowieso lijkt het een wetmatigheid dat een volgende versie van een bepaald type zwaarder en groter wordt dan de voorganger. De eerste Golf van Volkswagen (bouwjaar 1974) was ruim 55 centimeter korter en 20 centimeter smaller dan het tegenwoordige model. Dat zal wellicht met kreukelzones en dus met veiligheid te maken hebben. Maar of dat alles verklaart?

Journalist Bas van Putten meent van niet. In juni riep hij in een artikel in NRC Handelsblad autofabrikanten op om weer praktische auto’s te gaan maken: vierwielers die geen sta-in-de-weg zijn en waar je ook gewoon spullen mee kunt vervoeren. Zoiets als de Renault Twingo uit de jaren 90, waarin je met neergeklapte achterbank van alles kon meenemen. Maar die functie is geen prioriteit meer. „Bij automerken gaan wensdromen voor praktische behoeften. Zelfs de kleintjes die ze bouwen moeten indruk maken. Hun ontwerpen draaien op testosteron.”

Auto’s van 1,90 of 2 meter zijn te breed voor B-wegen, plattelandsweggetjes en parkeervakken, vindt Van Putten. En ook voor de vaak toch al krappe binnensteden in ons land. Daar zit wat in. Al zullen de eigenaren van zo’n flink uit de kluiten gewassen bolide daar minder snel mee instemmen dan medeweggebruikers die in een nietiger vervoermiddel rondrijden.

Want door toe te geven aan de voorliefde voor groot, neem je als mens natuurlijk als vanzelf meer ruimte in. Als je op de prairie woont, hoeft dat geen probleem te zijn. Maar in een dichtbevolkt land als het onze leidt dat al snel tot irritatie. Wie op de snelweg in een bescheiden vierwieler uit de B-klasse rondrijdt en wordt omringd door vervoermiddelen die vooral hoger en breder en langer zijn, voelt allicht iets van ergernis opkomen. Bijvoorbeeld omdat je niet kunt zien wat er 100 meter voor je gebeurt. De een z’n comfort is de ander z’n gemiste uitzicht.

Groot spreekt tot de verbeelding. „Big is beautiful” zeggen ze in het Engels. Volgens historica Ileen Montijn geldt dat ook voor bedden. In het boek ”Tussen stro en veren” (Wormer, 2006) beschrijft ze het beroemde ”Great Bed of Ware”, een eiken ledikant van 3,38 meter lang en 3,26 meter breed. Rond 1600, lang voor het toerisme was uitgevonden, was dat al een attractie waar reizigers graag een omweg voor maakten. Het bed stond toen in een herberg in Ware, net buiten Londen. Mensen die er een nachtje in verbleven, krasten hun naam volgens de overlevering in het hout van het ledikant. Tegenwoordig staat dit reusachtige bed in het Victoria and Albert Museum in Londen, waar het nog steeds een belangrijke attractie is.

Zo’n loodzware Tesla

Ook in oudtestamentische tijden was een groot bed al iets vermeldenswaardigs. Montijn verwijst in haar boek naar Deuteronomium 3:11 waarin wordt beschreven hoe omvangrijk het ijzeren bed van koning Og was: 9 bij 4 el, ongeveer 4,5 bij 2 meter. De impliciete boodschap is dat de eigenaar van dat bed dus wel een reus van een man moet zijn geweest. Maar niettemin werd hij door het leger van Israël verslagen.

De belangstelling voor grote bedden is volgens Montijn ook tegenwoordig nog springlevend. Ze verwijst naar (dure) hotels die de kwaliteit (en de omvang) van hun bedden tot speerpunt van hun promotie maken.

Maar voor een groot bed hoef je niet per se meer naar een hotel. Dat kun je ook zelf kopen, desgewenst voorzien van een mollig boxspringmatras. Dat kost wel wat, maar afgaand op het aanbod in beddenzaken hebben mensen dat er graag voor over. En het ziet er ook best aantrekkelijk uit, dat moet gezegd. Tweepersoonbedden van 140 centimeter breed: die bestaan nog steeds. Maar je hebt ze inmiddels ook van 2 meter. Breed, wel te verstaan.

Bij zo’n groot bed –met mogelijk een dik en dus onhandelbaar matras– is het eveneens de vraag hoe dat zit met de functionaliteit. Het zal in ieder gevel een hele toer zijn om het op te maken. Hoe groter en onhandelbaarder het matras, hoe meer moeite het kost om de lakens te verwisselen. Verder lijkt het, zeker in de winter, een hele toer om jezelf in zo’n groot bed warm te houden.

Ook uit het oogpunt van duurzaamheid is de hang naar groot niet echt iets om toe te juichen. Al hoor je daar eigenlijk zelden iemand over. Elke keer als ik op de snelweg door een Tesla word ingehaald denk ik: daar gaat de vleesgeworden tweeslachtigheid. Helemaal elektrisch aangedreven, dus volgens de hedendaagse normen groener dan groen. Maar loodzwaar, dus helemaal niet zuinig. En vaak langszij schuivend op de linkerrijstrook, waar auto’s gewoonlijk wat sneller rijden, wat ook al niet energiebewust is.

Als je erover nadenkt, is kiezen voor een groots leven qua duurzaamheid altijd bedenkelijk. Het kost in de eerste plaats meer –eindige– grondstoffen om een groter object te maken. En vaak ook meer energie. Als het niet bij de productie is, dan wel tijdens het transport of in het gebruik. Dat laatste lijkt, ondanks de zogenaamde energietransitie die ons als land de komende jaren te wachten staat, nog niet zo’n acuut punt van aandacht.

Het geld is op

Zouden ze de energierekening wel kunnen betalen? Die gedachte bekruipt me regelmatig als ik ergens grote huizen in aanbouw zie. Dat is de echo van een gesprek met een praatgrage Ier op een camping aan de ruige westkust van Schotland, een jaar of wat geleden. Het was in het staartje van de economische crisis die in 2008 begon, en die ook in Ierland –na een periode van groei– hard was aangekomen. De man wilde weten wat we van de Schotse kust vonden. Hij zei zelf maar vast dat die helaas veel mooier was dan de Ierse. En dat had volgens hem alles te maken met die periode van welvaart. Allerlei Ieren grepen in die tijd hun ruimere budget aan om –blijkbaar niet gehinderd door welstandscommissies en bestemmingsplannen– her en der in de natuur een kasteel van een huis te gaan bouwen. Maar ja, toen kwam de crisis. Waardoor die huizen niet werden afgebouwd, laat staan bewoond. Want, zei de man, toen was het geld opeens op. De eigenaren hadden niet de middelen om hun nieuwbouwhuis af te bouwen. Laat staan om zo’n groot huis warm te stoken.

Het onderwerp van gesprek was waarschijnlijk een stokpaardje van deze Ierse campinggast. Typisch zo’n persoonlijk gekleurde anekdote die voor hetzelfde geld het ene oor in en het andere oor uit was gegaan. Maar dat ging dit keer anders. Zijn verhaal bleef hangen.

En er bleek ook nog eens een kern van waarheid in te zitten. Toen we een paar jaar later, tijden een andere vakantie, de Ierse westkust aandeden, stonden daar inderdaad opvallend veel forse half afgebouwde nieuwbouwhuizen, gebarricadeerd met hekken. Een fraai gezicht was het niet, al die onaffe en desolate huizen. Maar voor de voorbijganger maakt het misschien niet zoveel verschil of dergelijke huizen wel of niet bewoond zijn. Als toerist zie je liever nostalgisch verzakte bouwsels die nagenoeg in de omgeving opgaan dan een mislukt staaltje groot aangepakte hedendaagse prefab-bouw.

Maar ook zonder deze ervaring was het verhaal van de praatgrage Ier blijven hangen: vanwege de link die hij legde tussen grote huizen en energieverbruik. Waardoor hij –bewust of onbewust– de vinger op een zere plek legde. Op grote voet leven heeft een prijs. En de consequenties daarvan zijn op voorhand niet altijd te overzien. Dat geldt in het klein. Maar ook in het groot – denk aan de actuele discussie over de zogenaamde klimaatdoelen en daarmee samenhangend de verhoging van de energieprijzen die voor volgend jaar is aangekondigd. En wie weet wat er daarna nog volgt.

Ben je soms een vrek?

Dat streven naar groot en ver een soort onuitgesproken sociale norm is, merk je als je keuzes maakt die daar tegenin gaan. Dat roept vragen op: bij familie, collega’s en buren. Wie een goed inkomen heeft, wordt geacht in een bijpassende –grote, dure, comfortabele– auto te rijden. Als je dat niet doet, als je dus een beetje tegendraads bent, oogst je verbazing en soms ook wel commentaar. Of je wordt aangezien voor (extreem) groen of vrekkerig.

Terwijl een kleine auto in het volle Nederland gewoon een slimme keuze kan zijn, mits je geen groot gezin te vervoeren hebt. Als de ramen van ijs ontdaan moeten worden, kun je overal met de krabber bij. De auto steekt voor, achter en opzij niet zo ver uit. Hij is lekker wendbaar. Hij past in het krapste parkeervak. En je bent minder geld kwijt aan wegenbelasting en brandstof. Altijd mooi meegenomen.

Wat wonen betreft, vindt vrijwel iedereen het prettig om een beetje de ruimte te hebben. Kleiner gaan wonen is iets wat mensen doorgaans doen als ze een zekere leeftijd hebben bereikt. Maar waarom zou je daarmee wachten tot je oud(er) bent? Een kleiner huis heeft z’n charmes en voordelen. Het is qua lasten sowieso goedkoper. Er is minder schoon te maken, in te richten en te onderhouden. De energierekening pakt lager uit. En –een vaak vergeten pre van kleiner leven– het is zonder ingewikkelde kunstgrepen al snel gezellig. In een woonkamer met de afmetingen van een balzaal een huiselijke sfeer scheppen, dat is nog niet zo simpel. Als de muren dichter bij elkaar staan gaat dat als vanzelf. De meubels die je voor een kleiner vertrek kiest zijn noodgedwongen compacter, waardoor je minder ver van elkaar zit. Dat schept haast automatisch een vertrouwelijke sfeer. In bistro-achtige restaurants hebben ze dat goed bekeken. Daar zijn de tafeltjes zo smal en zit je zo dicht op je tafelgenoot dat je desnoods met fluisteren kunt volstaan.

Lekker weinig bagage

Het leven wordt weleens een reis genoemd. De zaken die je onderweg vergaart zou je dan als bagage kunnen beschouwen. Wie op grote voet leeft, heeft heel wat mee te sjouwen. Licht reizen is veel gemakkelijker.

Als je op vakantie gaat kun je een zo groot mogelijke koffer volstouwen met schoenen en kleren voor alle mogelijke gelegenheden. Maar hoe minder je meeneemt, hoe minder je hoeft te slepen, en hoe minder risico je loopt dat je spullen vergeet. Veel overzichtelijker. Toch? Het is best verbazend dat op grote voet leven nog altijd zo tot de verbeelding spreekt.