Prof. Betteke van Ruler: Eigenlijk wil ik gewoon preken

Prof. dr. Betteke van Ruler: Eigenlijk wil ik gewoon preken

Ze noemt zichzelf prof. dr. Betteke van Ruler. Om een vergissing met haar vader, de bekende theoloog, te voorkomen. Ondertussen weet ze heel goed dat niet alleen haar naam, maar ook haar karakter veel op dat van haar vader lijkt. „Net als hij ben ik zeer ambitieus en wil ik iets vertéllen. Eigenlijk wil ik gewoon preken, net als hij.”

Je zou even kunnen denken dat zo’n ambitieus persoon misschien minder aardig is dan iemand met minder ambitie. Niets is minder waar. Betteke van Ruler is een hartelijke vrouw die luistert en goed nadenkt voor ze wat zegt. Ze is inmiddels met emeritaat en zou als 68-jarige volop kunnen genieten van haar pensioen. Maar ze piekert er niet over om thuis te blijven zitten. Samen met haar man runt ze de Van Ruler Academy, waar ze, als emeritus hoogleraar communicatie­wetenschap, masterclasses en seminars geeft over communicatie.

De lijst met publicaties van haar hand is zo lang dat het bijna een boek apart is. En het is een lijst die nog steeds langer wordt omdat de emeritus hoogleraar steeds weer nieuwe uitdagingen ziet. „Ik kan het niet laten.”

Als jongste dochter van de bekende theo­loog Arnold Albert van Ruler (1908-1970) vertelt ze met smaak over haar jeugd. Als vijfde kind moest ze vernoemd worden naar haar vader. Maar de voornamen dienden volgens de traditie wel omgedraaid te worden. En vervrouwelijkt. Dus werd ze in de burgerlijke stand ingeschreven als Alberta Arnolda van Ruler. Toen ze hoogleraar werd, was haar naam met titels exact die van haar vader: prof. dr. A. A. van Ruler. „Dus besloot ik al snel om als Betteke van Ruler door het leven te gaan om verwarring te voorkomen.”

Over haar vader is veel te vertellen. Hij was, volgens haar, net zo ambitieus als zijn jongste dochter. Ze gebaart met haar handen: „Die zin om mensen te pakken, te arrestéren met je boodschap. Om ze te laten nadenken, om meningen te laten schuren. Dat wilde hij. En dat wil ik ook.”

Haar vader had tijdens zijn leven een grote invloed op tal van studenten die hij als hoogleraar aan de universiteit van Utrecht opleidde. Van Ruler was, toen onlangs weer een uitgave met verzameld werk van haar vader werd gepresenteerd, zeer verrast door de aandacht die er nog steeds is voor zijn werk. „Bijzonder dat hij zo veel mensen raakt. Niet alleen in Nederland, maar ook in andere delen van de wereld. Er zijn in het buitenland zelfs mensen die Nederlands leren om zijn werk te kunnen lezen.”

U noemt uw vader nogal eens „Van Ruler.” Was het een afstandelijke man?

„Ja, zoals dat was in die tijd. Hij was toch echt de professor. De man die zondags het vlees snijdt, om het zo maar te zeggen. De studeerkamer was zijn plaats en wij kwamen daar alleen als we geroepen werden.” Met een glimlach: „En als we daar moesten komen, dan was er wat aan de hand.”

Uw vader was hoogleraar, theoloog, predikant. Stempelde dat de sfeer in het gezin?

„Ja, maar niet in de zin dat we een vroom gezin waren. Godsdienst was toch vooral een intellectuele bezigheid. Mijn moeder had een liberale achtergrond en wellicht dat ook dat een reden was voor het feit dat de sfeer in huis niet door regeltjes werd bepaald. Op zondag mochten we geen dagelijkse werkzaamheden doen. Omdat de zondag een ándere dag moest zijn dan de doordeweekse dagen. En we gingen naar de kerk. Als m’n vader in de buurt preekte, gingen we bij hem ter kerke. En hij kon preken, hoor. Altijd volle kerken. Geweldig.”

U trouwde een rooms-katholieke man en besloot het huwelijk niet in de kerk te laten inzegenen.

„Daar heeft m’n vader nooit echt bezwaar tegen gemaakt. Dat was best bijzonder 
in 1970. Want mijn moeder zei vroeger altijd dat katholieke jongens geen jongens waren. Maar ook in het huwelijk bleven m’n man en ik wel onszelf. Hij een echte katholiek en ik een echte protestant, zij het dat we niet kerkelijk meelevend waren.”

U gelooft niet meer?

„Nee. Ik heb heel bewust afscheid van het geloof genomen. Ik weet nog dat het was in een gesprek met Hongaarse studenten, die bij ons thuis over de vloer kwamen. Toen viel het geloof in een God voor mij weg. Ik noem mezelf nu humanist en ben zelfs lid geworden van het Humanistisch Verbond. M’n vader zou het een sekte noemen, en daar moest hij niets van hebben. Zelfs van de kerk zei hij dat het slechts een instituut was, dat tijdelijk was. God, Díé blijft, zei hij dan.”

Maar het geloof in God bleef voor u niet.

„Ik geloof in de mens en in de wetenschap. Dat laatste is voor mij de innerlijke drive om dingen te doen. En het goed te doen. Er zit veel goeds in de mens, ondanks dat mensen ook verschrikkelijke dingen doen. Ik kom uit een gezin van vijf kinderen, van wie er twee inmiddels zijn overleden. Maar geen van allen hadden en hebben we nog iets met het christelijk geloof in de zin dat we het praktiseren, ook al hebben mijn beide broers theologie gestudeerd. En mijn dochter, die we volledig vrij hebben opgevoed, trouwens ook. Al doet ze niets godsdienstigs met die studie.”

Niet godsdienstig, maar wel een gods­dienstige achtergrond. Inspireren de werken van uw vader u?

„Ik heb er eigenlijk nog nooit grondig genoeg in gelezen. Maar ik beloof mezelf altijd dat ik dat ga doen als ik met pensioen ben. Nou ja, dat ben ik natuurlijk al, maar toch.”

Hoog tijd om zijn boeken open te slaan.

„Ik zal eerlijk zeggen dat ik, sinds het verzameld werk van mijn vader wordt gepubliceerd, steeds meer zin heb om me in zijn werken te verdiepen. Mijn vader kon natuurlijk enorm prikkelen. Bijvoorbeeld met zijn ideeën over de theocratie. Daar maakte hij trouwens ook vijanden mee, en die vijandschap heeft hem denk ik meer pijn gedaan dan hij wilde toegeven. Ds. Buskes maakte m’n vader, zo net na de oorlog, zelfs uit voor een fascist. Dat heeft hem enorm gegriefd. En het was ook volstrekt onterecht, durf ik wel te zeggen.”

Wat bedoelde uw vader met zijn theo­cratische gedachten?

„Iets heel anders dan nu wel wordt gedacht. Dr. Dirk van Keulen, die het verzameld werk verzorgt, heeft er uitvoerig over geschreven. Mijn vader zag de staat meer 
voor zich zoals de toenmalige Hervormde Kerk. Eén instituut, met als inspiratiebron de Bijbel, maar wel met verschillende stromingen. Geen zuilen meer, maar een eenheid met verschillen, zeg maar. Dat heette toen ook wel ”gevulde algemeenheid”. Er moest volgens hem een motor zijn die verbindt. Anders valt de boel uit elkaar.”

Hij lijkt gelijk gekregen te hebben, als we naar onze ontzuilde maatschappij kijken.

„Ik maak me daar zorgen om. Vandaar misschien ook wel die interesse in zijn werk. Ik weet ook dat verschillende CDA- en SGP-politici zich er nog door laten inspireren.”

Wat is voor u de motor die de algemeenheid vult?

„In ieder geval geen entiteit buiten de wereld. Geen God dus. Interesse in mensen en de wetenschap, dat is voor mij vooralsnog genoeg.”

Voor uw vader was de Bijbel de inspiratiebron. Hoe ziet u de Bijbel?

„De Bijbel vind ik een geweldig mooi, sociaal manifest. Vooral het Nieuwe Testament is zeer interessant. Liefde, medemenselijkheid. Onze maatschappij is doordrenkt van christelijke waarden en normen.”

U bent een gezaghebbend persoon als het gaat over communicatie. Wat is communicatie eigenlijk?

„Het is geen discussie waarin je de ander probeert te overtuigen van je eigen gelijk. Ik zie communicatie veel meer als een manier van sparren, waarin je je eigen mening kunt vormen. Dat is iets heel dynamisch, meningen verschuiven voortdurend. Dat is het bijzondere aan communicatie, het is een proces van voortdurende meningsontwikkeling. Tenminste, als je ervoor open wilt staan. Wie verhardt in zijn eigen mening, communiceert niet meer.”

U promoveerde op latere leeftijd en werd daarna hoogleraar. Op een gegeven moment kreeg u een burn-out.

„Als hoogleraar communicatie en organisatie aan de Universiteit van Amsterdam werd ik ook voorzitter van de vakgroep. Ik moest 150 mensen aansturen en moest er ook nog eens voor zorgen een tekort van 800.000 euro weg te werken. Dat werd me te veel, ook omdat ik een perfectionist ben. En geen goede manager.

Ik weet dat ik goed ben in m’n vak, maar als ik mensen moet aansturen, ga ik het werk voor anderen doen. Ondanks dat het niet liep, ging ik gewoon door en toen gingen er steeds meer dingen in m’n lichaam kapot. Eerst was er een doorgebrande maagklep, toen raakte m’n netvlies los en later kreeg ik een tia.

Dat laatste was echt de laatste waarschuwing voor me. Het ging trouwens ook niet langer, ik kon niets meer. Alleen maar in bed liggen. Ik had nergens meer zin in, kon niet meer schrijven en kwam steeds meer tot de overtuiging dat ik in m’n hele leven niets had gepresteerd. Ook in dit ziekte­proces zijn er trouwens opmerkelijke parallellen met m’n vader. Ook die kreeg allerlei lichamelijke mankementen, misschien ook wel puur als gevolg van stress.”

Hoelang duurde die periode bij u?

„Ik kampte zo’n drie jaar met een burn-out, en ben daarna ook nog in een zware depressie geraakt. Dat was een moeilijke tijd. Ik ben 4,5 jaar in therapie geweest bij een vrouw die een vriendin van m’n moeder bleek te zijn. Zo zie je maar hoe het leven kan lopen.”

Speelde in dat therapie- en helingsproces uw godsdienstige opvoeding een rol?

„Helemaal niet. Ik kan me niet herinneren dat we het over religie gehad hebben. Het ging veel meer over wie ik was, wat ik alle­maal moest van mezelf en hoe daarin verandering te brengen. Dat was best een lastige opgave, maar ik ben er toch goed uitgekomen. Ik ben vervroegd met pensioen gegaan, dat wel. En heb toen een naaimachine gekocht omdat ik heel iets anders wilde.”

U werd de beste naaister van Nederland.

„Haha, ja dat moest ik wel worden van mezelf. En ik moet zeggen dat ik één prachtige creatie gemaakt heb, maar inmiddels staat de naaimachine in de kelder van ons appartementengebouw. Ik ben weer gaan schrijven en ben nog lang niet klaar. De weken zijn overvol met lezingen en workshops die ik geef, overal in het land. Heerlijk vind ik het om op een podium en in de schijn­werpers te staan.”

Uw levensinstelling en denkkader ver­schillen wezenlijk van die van uw vader.

„Mijn vader was een extreem charismatische persoonlijkheid. Volgens mijn echtgenoot lijk ik daarin op hem. Maar als we het over zijn geloof hebben, verschillen we inderdaad wezenlijk. Al kon hij ook enorm relativeren. Hij zei over iets wat in de Bijbel staat gerust dat God dat niet goed gezien had, om maar iets te noemen. En nogmaals: ik word wel steeds nieuwsgieriger naar zijn visie, al is die wellicht niet de mijne. Overigens kan ik wel genieten van mensen die wel religieus zijn. Als er maar geen mensen worden uitgesloten. Onverdraagzaamheid, daar ben ik absoluut niet van. Tolerantie vóór alles. Dat was voor mijn vader trouwens ook extreem belangrijk.”

----

Levensloop Betteke van Ruler

Betteke van Ruler (1948) was 37 toen ze aan de­ studie communicatiewetenschap begon. In 1996 promoveerde ze en stapte ze als docent (hbo) over naar de afdeling communicatie­wetenschap bij de VU in Amsterdam. In 2002 bekleedde Van Ruler een bijzondere leerstoel professionalisering communicatiemanagement aan de Universiteit Twente. Kort daarop (2004) werd ze voltijds hoogleraar corporate communicatie en organi­satie aan de Universiteit 
van Amsterdam. In 2010 ging ze met emeritaat. Sindsdien legt ze zich toe 
op de professionalisering van het communicatievak met de door haar opgerichte Van Ruler Academy.