Leren leven met één been na ernstig verkeersongeluk

Aartjan en Dirrieke Brand met hun zonen Rowan (5) en Thijmen (2). beeld RD, Henk Visscher
8

Een ernstig verkeersongeval, waarbij hij zijn linkerbeen verloor, zette het leven van Aartjan Brand uit Barneveld volledig op z’n kop. Nu is hij tien jaar verder. Een lange weg van ziekenhuisopnamen en revalidatie ligt achter hem. Intussen is hij getrouwd en vader van twee zonen.

Niet meer dan 5 procent overlevingskans geven de artsen hem, als Aartjan Brand (nu 27) op de late avond van 20 februari 2010 zwaargewond in het ziekenhuis in Utrecht belandt. Na een gezellige avond bij vrienden in Lunteren –„Ik had geen alcohol gedronken”– stapt de Barnevelder op de brommer. Op weg naar huis komt hij rond elf uur op een weg in het buitengebied frontaal in botsing met een auto.

Zelf kan hij zich van het ongeluk niets herinneren, vertelt Brand in zijn aangepaste hoekwoning in Barneveld. Zijn vrouw Dirrieke is zojuist vertrokken naar haar werk in de ouderenzorg. Zoon Thijmen (2) rijdt in de woonkamer koeien en poppetjes op een Duplotrein, terwijl Rowan (5) bij oma aan het spelen is.

Vanaf zijn kleuterjaren groeit Brand, geboren in Hardinxveld-Giessendam, op in Barneveld. Hij leidt een actief en zorgeloos leven. Als 17-jarige volgt hij op het Hoornbeeck College de bbl-opleiding werktuigbouwkunde. In zijn vrije tijd stapt hij graag op z’n mountainbike en trekt hij veel op met zijn vriendengroep. Ook heeft hij een bijbaantje en is hij actief bij het Rode Kruis.

Het ongeluk zet in één keer een streep door alles. De eerste weken in het ziekenhuis wordt de zwaargewonde Brand slapend gehouden. Niet alleen is hij een been kwijt, ook is zijn linkerhand op meerdere plekken gebroken, is zijn rechterarm uit de kom en eveneens gebroken. Zijn familie vreest voor z’n leven. „Als ik het al zou overleven, zou ik volgens de artsen mogelijk grote hersenschade hebben vanwege een enorm bloedverlies.”

Operaties

Brands eerste herinneringen na het ongeluk zijn vaag. „Ik was heel zwak en onder invloed van medicijnen.” Op enig moment beseft hij dat hij in een bed ligt en dat z’n vader en een zusje naast hem zitten. „Mijn vader werd gebeld door een ander zusje en ik dacht: geef die telefoon maar hier. Maar ik bleek niets te kunnen. Ik kon m’n hoofd nog niet optillen.”

Gaandeweg dringt de werkelijkheid steeds meer tot hem door. „Ik merkte dat m’n linkerbeen korter was dan m’n rechterbeen. Eerst voelde het alsof ik geen voet meer had. Dan heb ik een prothese nodig, dat is wel te doen, dacht ik. Maar ik bleek een heel hoge amputatie te hebben. Mijn been was bij het ongeluk achter de voorruit van de auto blijven hangen en gelijk van mijn lichaam afgescheurd. Zelfs mijn heup was eraf. Toen ik daarachter kwam, schoot het door me heen: dan kan ik niet meer lopen en kan ik waarschijnlijk niks meer.”

Een periode met veel ingrijpende operaties volgt. „Het ergste was de enorme pijn die ik soms had en dat ik alleen maar plat op bed kon liggen. Ik herinner me één moment dat ik me hopeloos voelde. De aanleiding was iets kleins. Ik lag in m’n eentje in een kamer in het ziekenhuis en de bel was gevallen. Het was midden in de nacht, het lukte niet om te slapen en ik kon de verpleging niet inseinen. Op dat moment raakte ik de grip op de situatie volledig kwijt en ben ik gaan schreeuwen tot er een verpleegkundige kwam.”

Vanuit zijn kerk, de oud gereformeerde gemeente van Barneveld, krijgt Brand veel meeleven. „Ouderlingen en diakenen kwamen vaak op bezoek. Welke plek het geloof in God destijds in mijn leven had, is lastig te zeggen. Ik was zeventien jaar, leidde geen losbandig leven, maar was nog zoekend. Waaromvragen hielden me na het ongeluk niet bezig. Ik legde me bij de situatie neer. Het ongeluk was gebeurd en ik moest verder.”

Van de ziekenhuisperiode blijven hem ondanks alle moeiten ook mooie momenten bij. „De verpleegkundigen waren vriendelijk en gingen in de zorg vaak een stap verder dan zou hoeven. Het was soms gewoon gezellig op mijn kamer, ook als mijn vrienden op bezoek kwamen. Het bezoekuur duurde tot negen uur ’s avonds, maar meer dan eens zaten ze er om tien uur nog.”

Inzinking

Half april 2010 verhuist Brand naar de jeugdafdeling van revalidatiecentrum De Hoogstraat in Utrecht. „Ik lag nog steeds plat. In Utrecht ging langzamerhand een deel van m’n bed steeds een paar graden omhoog om me te laten wennen aan een verhoogde bloedsomloop.” Tijdens een intensief traject leert Brand weer zitten en staan. Met behulp van krukken kan hij vervolgens weer enkele stappen zetten.

De eerste maanden verblijft Brand –met diverse onderbrekingen vanwege ziekenhuisopnamen– volledig in De Hoogstraat. Begin 2011 gaat hij in dagbehandeling. Pas laat in het revalidatietraject kan hij in het weekend naar huis. „De thuissituatie was totaal niet geschikt voor een rolstoelgebruiker. Dat maakte het extra moeilijk.”

Als onderdeel van het revalidatietraject moet Brand in zijn rolstoel de stad Utrecht in. „Daar had ik totaal geen zin in. Het leidde tot een inzinking. Ik was heel boos en verdrietig. „Gelukkig, Aartjan breekt een keer”, zei de verpleegkundige, die een soort coach van me was. De emoties moesten er een keer uit komen.”

Het bezoek aan het Utrechtse stadscentrum, met een groep rolstoelers en therapeuten, is onvermijdelijk. Eerder die week heeft Brand op krukken de eerste treden van een trap beklommen. „Dat viel me mee.” Als hij de Utrechtse dom ziet, stelt hij met een lach voor: „Zullen we die beklimmen?” Het leidt tot hilariteit bij de groep, die vervolgens neerstrijkt op een terras om een portie Vlaamse friet te eten.

Enkele dagen later komt zijn fysiotherapeut op de opmerking van Brand terug. Als deze erin slaagt de domtoren te beklimmen, mag hij op kosten van zijn coach het evenement Trekker Trek bezoeken. Brand neemt de uitdaging aan en oefent fanatiek verder met traplopen. In december 2010 staat hij onder aan de 465 treden van de Dom. In een halfuur weet hij met behulp van een kruk de top te bereiken. „Dat was kicken. Toen ik beneden kwam, stond mijn hele vriendengroep me als verrassing op te wachten.”

In de periode dat hij twee dagen per week in revalidatie is, gaat Brand, die grotendeels rolstoelafhankelijk blijft, weer naar school. „Ik stapte over naar de opleiding voor technisch tekenaar aan het Hoornbeeck College. Zeker in het begin was het zwaar, omdat mijn geheugen heel slecht was. Het heeft jaren geduurd voor ik me weer een beetje kon concentreren.”

Telkens ervaart Brand dat hij zijn leven anders moet inrichten. „Ik wilde weer de Aartjan worden die ik voor het ongeluk was, alles doen wat ik toen deed, maar dat ging niet meer.”

Hij haalt zijn examen „met de hakken over de sloot.” In de jaren erna wisselt hij meerdere keren van baan. Zo werkt hij een periode bij een staalbedrijf en is hij enkele jaren EHBO-instructeur. Na korte of langere tijd blijken diverse functies toch te veel van hem te vergen. Op dit moment heeft hij een kantoorfunctie bij een bedrijf.

Verkering

Na zijn verblijf in De Hoogstraat woont Brand enkele jaren in een portakabin naast het ouderlijk huis in Barneveld. In 2011 komt hij Dirrieke, een vroegere schoolvriendin, tegen. „Allebei hebben we het nodige meegemaakt. We raakten aan de praat en het klikte meteen.” De twee krijgen verkering en verloven zich.

Een paar dagen later moet Brand naar het ziekenhuis voor het verwijderen van zijn stoma. „Dat was heel spannend.” Als blijkt dat zijn spieren „ernstig beschadigd” zijn, zit Brand er helemaal doorheen. „Ik dacht: dit komt nooit meer goed. Voor het eerst zei ik tegen mijn bezoek: „Ga alsjeblieft naar huis.” Ik wilde niemand zien. Na een poosje hoorde ik toch weer stemmen op de gang. Ik dacht: o nee, ze komen toch niet terug?”

Even later staat ds. D. de Wit naast zijn bed, predikant van de gereformeerde gemeente van Barneveld-Centrum, waarbij Brand door zijn verkering betrokken is geraakt. „Zijn medeleven betekende veel voor me. We hadden een goed gesprek, waar ik heel rustig van werd. Ik besefte: ik zit te huilen om mijn eigen situatie, maar mijn zonden zijn veel erger. Het belangrijkste is: verhard u niet, maar laat u leiden.”

Op 20 februari 2014 –precies vier jaar na het ongeval– beloven Aartjan en Dirrieke elkaar trouw. „Er waren veel mensen in het gemeentehuis en in de kerk. Ds. De Wit hield een heel persoonlijke preek”, zegt Brand. Hij bladert even in zijn Bijbel en leest de tekstwoorden uit Spreuken 30 voor: „Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve; ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels; opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de Heere? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.”

De eerste jaren woont het echtpaar in een huurhuis dat niet geschikt is voor een rolstoelgebruiker. „Het was soms net kamperen”, zegt Brand. Na de geboorte van Rowan loopt hij steeds meer tegen zijn beperkingen aan. „Toen ik hem op een dag uit bed haalde, balancerend op één been, ging ik door mijn rug. Het valt niet mee om een kind uit een laag ledikant te tillen.”

Uiteindelijk kopen ze een woning die ze volledig laten aanpassen. „In de keuken kan het aanrecht omhoog en omlaag, zodat ik er met mijn rolstoel onder kan. Het is niet alleen functioneel, maar ziet er ook mooi uit, want Dirrieke had natuurlijk ook haar wensen. Badkamer en slaapkamers zijn eveneens aangepast. Doordat het kinderbed en de commode op maat gemaakt zijn naar onze wensen kan ik er goed bij met m’n rolstoel. Aan de buitenzijde van het huis zit een rolstoellift. Ik kan nu prima alleen voor de jongens zorgen als Dirrieke aan het werk is.”

Onbeschrijflijke pijn

De gevolgen van het ongeval blijven op allerlei momenten merkbaar. Zo heeft Brand jarenlang te maken met een juridisch letselschadetraject (zie ”Letselschadetraject duurt bijna tien jaar”). Contacten met het UWV en procedures met de burgerlijke gemeente over regelingen vanwege zijn handicap kosten eveneens veel tijd en energie.

De automobilist die bij de aanrijding betrokken was, heeft Brand nooit ontmoet. „In het begin, toen ik nog helemaal in de kreukels lag, wilde hij langskomen. Op advies van mijn dokter is dat niet gebeurd. Daarna heb ik niets meer van hem vernomen. Op een gegeven moment had ik er zelf ook geen behoefte meer aan.”

Nog steeds heeft Brand lichamelijke klachten als gevolg van het ongeluk. „Vooral ’s nachts heb ik soms last van fantoompijn. Dat is een onbeschrijflijke pijn, als gevolg van mijn amputatie, waardoor ik niet kan slapen. Na een korte nacht moet ik dan toch weer aan het werk. Afgelopen maand had ik er weer last van rond biddag. Ik keek daar enorm naar uit en wilde graag naar de kerk. Maar ik had de nacht ervoor door de pijn heel slecht geslapen en het ging gewoon niet.”

Geregeld wil Brand meer dan hij kan. „Vanuit mijn rolstoel zware dingen optillen, is niet slim. Ik zoek altijd m’n grenzen op, niet om stoer te doen, maar omdat ik bijvoorbeeld m’n vrouw wil helpen of er voor de kinderen wil zijn. Als ik uit mijn werk kom, wil ik het liefst even stoeien met de jongens of een rondje met hen fietsen. Soms ga ik dan over m’n grenzen heen.”

Mijlpaal

Op vakantie gaan is „heel lastig”, merkt Brand. „Een verblijf in een aangepaste woning is allereerst veel duurder dan gemiddeld. Bovendien is het vooraf moeilijk in te schatten of zo’n huisje echt geschikt is. Zo kwamen we een keer bij een verblijf waar allemaal grind omheen lag. Ik kon er met mijn rolstoel niet goed bij komen.”

Door dergelijke ervaringen laat Brand zich niet uit het veld slaan. Denkend aan de toekomst hoopt hij, als de kinderen groter zijn, „wat meer van de wereld te zien.” Op dit moment zoekt hij vooral „rust en stabiliteit.”

Hij vertelt dat hij in 2018, voor het eerst sinds zijn ongeluk, het hele jaar niet opgenomen is geweest in het ziekenhuis. „Een mijlpaal.” Dankbaar is hij ook voor zijn gezin, z’n aange-paste woning en voor veel mensen die hem in moeilijke tijden tot steun zijn geweest. „Steeds weer kwam ik in contact met de juiste personen die me een stapje verder hielpen. Daar zie ik de leiding van God in. Door alles wat ik heb meegemaakt, besef ik hoe afhankelijk ik ben. Ik moet telkens de Heere zoeken.”

„Onze kinderen hadden geen betere vader kunnen treffen”

Ze is hem enkele jaren uit het oog verloren, maar in 2011 komt Dirrieke Blankespoor haar vroegere schoolgenoot Aartjan Brand weer tegen. „We zagen elkaar weer voor het eerst bij fitness. Ik wist dat Aartjan een ernstig ongeluk had gehad en was benieuwd hoe het met hem ging. En hij was geïnteresseerd in mijn situatie”, zegt Dirrieke (26). Inmiddels zijn ze ruim zes jaar getrouwd.

Het eerste hernieuwde contact verloopt spontaan, herinnert Dirrieke Brand zich. „We vonden het allebei leuk elkaar weer te zien. Aartjan kwam net uit het revalidatiecentrum. Hij moest geregeld voor controles naar het ziekenhuis en er wachtten nog diverse operaties. Al snel ging ik met hem mee naar zijn ziekenhuisafspraken.”

Als blijkt dat er sprake is van wederzijdse verliefdheid, gaan de twee niet over één nacht ijs. Ze beseffen dat de situatie van Aartjan, die vanwege een ongeluk een been is kwijtgeraakt, invloed heeft op een eventuele relatie. Dirrieke: „Ik heb er zeker over nagedacht of ik dit wel wilde en me afgevraagd wat de gevolgen zouden zijn als we samen verder zouden gaan. We hebben er veel met elkaar over gepraat.”

Wanneer ze verkering hebben, krijgt Dirrieke uiteenlopende reacties. „Bij mijn familie was Aartjan meteen welkom. Ze merkten al snel dat het goed zat tussen ons. Anderen reageerden in de trant van: is dit wel slim, weet je wel waar je aan begint?Die opmerkingen heb ik naast me neergelegd. Ik vond Aartjan gewoon leuk en daar hadden anderen niets van te vinden.”

Intussen ervaart Dirrieke dat hun verkeringstijd „niet zonder zorgen” is. „Zeker de eerste periode moest Aartjan veel operaties ondergaan. De ene keer ging hij naar Maastricht, een andere keer naar Utrecht. Door diverse ingrepen ging hij er telkens een stapje op vooruit. Vaak merkten we dat pas later, maar toch gaf dat hoop.”

Dirrieke is blij als in februari 2014 de dag aanbreekt dat ze elkaar hun jawoord geven. „Onze relatie had een periode van veel operaties overleefd en we waren blij dat die achter de rug was. Aartjan haalde me op in een schitterende Amerikaanse auto die hij zelf graag zou willen hebben. Dat was een van de mooiste momenten van de dag.”

Hoewel Dirrieke haar relatie met Aartjan als gelijkwaardig ziet, merkt ze dat in veel contacten de aandacht vooral naar haar man uitgaat. „Mensen vragen soms te pas en te onpas hoe het met hem gaat, terwijl ze niet naar mij informeren.” Ze heeft ermee leren leven. „Aartjan heeft wél oog voor mij en voor hoe ik dingen ervaar.”

Blij is Dirrieke met de aangepaste woning die ze in Barneveld hebben. „Veel hulpmiddelen in huis maken het leven voor Aartjan gemakkelijker. Daardoor kan hij zich zelfstandig redden. We hebben het goed met elkaar. De kinderen weten niet beter dan dat Aartjan in een rolstoel zit. Hij is een ontzettend betrokken en lieve vader voor hen. De jongens hadden het niet beter kunnen treffen.”

Letselschadetraject duurt bijna tien jaar

„Aartjan koos ervoor niet in het verleden te blijven hangen, maar naar de toekomst te kijken. In het denken over oplossingen was hij anderen vaak een stap voor.” Dat zegt letselschadeadvocaat mr. Harry Blok, die de belangen van Aartjan Brand behartigde.

De juridische afwikkeling van de schade door het ongeval waarbij Brand op zijn brommer frontaal op een auto botste, kostte bijna tien jaar. Dat heeft diverse oorzaken, zegt Blok, werkzaam bij BVD advocaten in Hardinxveld-Giessendam. Een daarvan is „een enorm geschil over de aansprakelijkheid. Wie een vordering instelt, moet bewijzen dat de ander fout was. Omdat de toedracht van het ongeval op grond van uitgebreid politieonderzoek niet helemaal duidelijk was, erkende de verzekeraar aanvankelijk geen aansprakelijkheid.”

Een proces van diverse verkeersongevallenanalyses en een reconstructie van het ongeval neemt veel tijd in beslag. Na drie jaar treffen de betrokken partijen uiteindelijk een regeling waarbij Brand „het overgrote deel van zijn schade en kosten” vergoed krijgt.

Intussen houdt Blok zich ook bezig met een „toekomstbestendige, aangepaste woning” voor Brand en zijn gezin. Er is een „ingrijpend verschil van mening” met de gemeente Barneveld over wat wel en niet onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) valt. Blok: „Deze procedure heeft zich jaren voortgesleept, maar heeft ertoe geleid dat van niets, via een derde uiteindelijk twee derde van de kosten van alle noodzakelijke aanpassingen uit de algemene middelen is vergoed.”

Het berekenen van de totale omvang van de letselschade is ingewikkeld, geeft Blok aan. Zo is het lastig om te bepalen welke invloed het ongeval heeft op het te verwachten carrièreverloop van zijn cliënt. „Waar moet je van uitgaan bij zo’n jonge persoon? Duidelijk is dat hij het als gehandicapte op de arbeidsmarkt moeilijker heeft dan gezonde collega’s.”

Blok is content dat de betrokken partijen uiteindelijk via het zogeheten harmoniemodel tot overeenstemming zijn gekomen. Dit is, aldus de advocaat, mede te danken aan de positieve insteek van zijn cliënt. „Hij liet ons het werk doen, maar dacht wel mee. Daarbij ging hij niet uit van onmogelijkheden, maar van mogelijkheden en was hij de professionals vaak een stap voor.”

Eind 2019 sloot de letselschade- advocaat het dossier. Uit de schadevergoeding kon zijn cliënt als eerste een speciale Segway aanschaffen. Blok: „Ik had er nog nooit van gehoord, maar daarmee kan hij met zijn kinderen in de rolstoel naar het Kootwijkerzand. Dit kenmerkt Aartjan. Met zijn positiviteit haalt hij het goede in anderen naar boven.”