Drie ondernemers over waarom ze aan ontwikkelingshulp doen

beeld Woord en Daad
4

De wereldbevolking groeit naar verwachting tot 2050 van 7 naar 10 miljard mensen. Zeker de helft van de groei komt voor rekening van Afrika. Niet verwonderlijk dat de aandacht steeds meer uitgaat naar dit continent. Maar ook in andere landen is hulp hard nodig. Naast de overheid en particulieren dragen ondernemers hun steentje bij. Meer dan 1300 van hen geven hulp, samen of afzonderlijk, via de christelijke organisatie Woord en Daad. Op de volgende pagina’s vertellen drie van hen over hun beweegredenen.

Joop de Jong. beeld RD, Henk Visscher

„Helpen gaat boven geld verdienen”

Mensen vooruithelpen vindt hij belangrijker dan geld verdienen. Joop de Jong (62) uit Veenendaal steunt een landbouwproject in Tsjaad. Opgegroeid in Ridderkerk belandde hij aan de rand van Utrechtse Heuvelrug toen hij in dienst trad bij softwarebedrijf Baan.

De Jong kreeg een plaats in het management, maar begon in 1984 voor zichzelf. Nu is hij algemeen directeur van MPrise, een dienstverlener met tachtig werknemers die toonaangevend is in de software voor grote tuinbouwbedrijven en kwekerijen.

Daarmee rolde De Jong vanzelf in discussies over voedsel voor de wereldbevolking. „In deze omgeving wordt vaak nagedacht over de voedselproductie in relatie tot een groeiende wereldbevolking en afnemend grondareaal. Om meer monden te voeden heb je steeds meer precisieland- en tuinbouw met hoge opbrengsten nodig.”

Toch kwam het niet in de eerste plaats door de contacten met kwekers dat hij actief werd in de wereldwijde strijd tegen armoede. „In 2006 kreeg ik de vraag of ik wilde meedenken over de informaticaopleidingen aan de Hope University in Addis Abeba in Ethiopië.”

Zo was het lijntje naar kansarme gebieden gelegd. In de jaren daarna was De Jong betrokken bij ict-projecten in enkele Afrikaanse landen.

Met een groep regio-ondernemers in Ede/Veenendaal steunt MPrise een project in Burkina Faso. „Maar met vier collega’s wilde ik graag directer bij een project betrokken zijn. Toen zijn we begonnen met hulp aan landbouwers in Tsjaad.”

Gezamenlijk leggen de vijf bedrijven gedurende drie jaar in totaal 150.000 euro op tafel. In het Afrikaanse land krijgen boeren trainingen en faciliteiten van een organisatie van een plaatselijke kerk. „Heel basaal door hun voor te houden dat je beter in rijtjes kunt zaaien dan breed te strooien, maar ook door kunstmest te gebruiken en onkruid te wieden.”

Vorig jaar reisde hij met collega-ondernemers af naar het zuiden van het Afrikaanse land. „Je bent ondernemer, wilt het met eigen ogen zien en ook je mening geven. Het was bijzonder leerzaam en bepaald geen toeristische reis. Het binnenland hebben we bereikt met behulp van een vliegtuigje van de MAF. De wegen daar zijn regelmatig onbegaanbaar.”

Als De Jong terugblikt op zijn ervaringen tijdens de reis, omschrijft hij het nog lopende hulpproject als mooi en zinvol, maar hij plaatst ook kant-tekeningen. „Verschillende boeren leggen zich neer bij hoe het nu gaat. Ze zijn geen echte ondernemers en daarom rijst de vraag of het niet effectiever kan. Het zou wellicht nog beter zijn om de ondernemers met potentie eruit te pikken en hen te begeleiden bij de ontwikkeling van hun bedrijf.”

Waarom hij dit doet? „Ik ben nooit getriggerd geweest door geld. Klanten en medewerkers vooruithelpen en succesvol laten zijn, is altijd m’n drive geweest. Of dat te maken heeft met mijn christen-zijn weet ik niet. Je moet het niet zwaarder maken dan het is.”

Hans van Rhijn. beeld RD, Henk Visscher

„Je leert door hun bril te kijken”

Tijdens buitenlandse reizen treft hij „heel blije mensen die niets bezitten. In Nederland zie ik vaak chagrijnige gezichten van lieden die al alles hebben.” Hans van Rhijn (56) uit Katwijk zet zich al vijftien jaar in voor hulp aan projecten van Woord en Daad, voornamelijk in Bangladesh en in Ethiopië.

De mede-eigenaar van een middelgroot bouwbedrijf werd gegrepen door dit werk toen hij, gevraagd door een kennis, voor Dorcas een reis maakte door Kenia en Ethiopië. In 2003 richtte hij een ondernemersgroep voor Woord en Daad op. Betrokken Ondernemers Katwijk (BOK) groeide uit tot een organisatie met een twintigtal ondernemers, die ieder jaar per persoon een bedrag van ongeveer 1000 euro voor een project reser-veren. Met de ondernemersgroep –nu Duin en Bollenstreek geheten– zamelt hij jaarlijks nog eens 30.000 euro extra in. „We willen jaarlijks 50.000 euro bijdragen. Het geld dat buiten de leden om binnenkomt, sprokkelen we bijeen door verschillende acties, zoals onderlinge veilingen, bijeenkomsten met sprekers en dergelijke.”

Al jarenlang kiest Duin en Bollenstreek voor Ethiopië. „Die projecten duren meestal drie tot vijf jaar.” Voorbeelden in de achterliggende jaren waren de bouw van een vakschool, meebetalen aan de inrichting van een universiteit en de bouw van een kippenfarm. Dit jaar wordt begonnen met duurzaam waterbeheer.

Met verschillende werknemers van zijn bedrijf nam Van Rhijn ook deel aan de actie ”Sport for Others”. Dit jaar wordt er opnieuw in Frankrijk per fiets en te voet een berg beklommen om geld in te zamelen. Van Rhijn Bouw hield zich daarnaast bezig met de ontwikkeling van een stenenmachine voor Bangladesh. „Nu wordt daar door kleiafgravingen veel schade aan de oevers aangericht en hoogwaardige grond verbruikt; ook is het werk fysiek veel te zwaar. Ik heb er zelfs kinderen zien sjouwen. Met die machine is dat verleden tijd.”

Het verlangen naar een beter bestaan voor armen in andere werelddelen drijft hem om zich voortdurend voor de medemens in te zetten. „Een baan is een bestaan, heb ik eens gehoord. Daar wordt het hele gezin beter van. Vaak profiteert ook de rest van de familie. Ze zijn in die landen beter in delen dan wij.”

Hij nam zelf al enkele malen een kijkje. „Halverwege een project organiseren we een reis. Wie mee wil, mag mee. Op eigen kosten.” De bezoekjes omschrijft hij als „heel confronterend. Je leert er ook door hun bril te kijken. We moeten er niet ons westerse concept neerleggen, dat werkt niet.”Lange vliegreizen geven veel milieubelasting. Lastig? „Dat is het zeker. Toch wil ik vasthouden aan wat een dorpsbewoonster zei, die me een ketting met een kruisje aanbood. Ze gaf aan „blij te zijn dat wij via de lucht naar hen kwamen.” Niet alleen omdat het daardoor in haar omgeving beter ging, maar vooral omdat we voor hen ook het Evangelie hadden meegebracht. Dat zie ik als een uitspraak waarmee God me toch wat te zeggen heeft.”

Wim de Jong. beeld RD, Henk Visscher

„Eens staan we allebei voor God”

Hij steunt met zijn bedrijf kleine boeren in Tsjaad. Wim de Jong (45) van Burgland Bouw uit Dodewaard ging er met een groepje collega’s enkele malen naartoe. „De mensen hebben geen elektriciteit, geen stromend water en nauwelijks voedsel. Echt niets.”

Bij het begin van de economische crisis in 2008 begonnen De Jong en Henk Aantjes hun bouwbedrijf. Het waren moeilijke jaren voor de sector. Burgland wist desondanks al spoedig de weg omhoog te vinden. Het bedrijf telt nu circa zestig werknemers.

Toen de regio-ondernemers begonnen met een jaarlijkse inleg van 1000 euro per ondernemer voor een project in Burkina Faso, sloot hij zich direct aan. „Liever nog wilden we iets waar we onze werknemers bij kunnen betrekken. Het is onze wens om vanuit Bijbels perspectief een deel van onze winst te besteden aan ontwikkelingshulp.”

Via Woord en Daad werd gezocht naar een project. Dat bleek niet eenvoudig. „Toen zagen we een presentatie over Tsjaad. Ongeveer 40 procent van de bevolking is christen, de rest moslim. Maar het is een vergeten land, dat met 14 miljoen inwoners op de wereldranglijst van welvarendheid de op twee na laagste plek inneemt. Niet gemakkelijk te bereiken, politiek instabiel en eigenlijk niet zonder risico’s.”

De Jong was erdoor getroffen. „Het was niet wat we zochten, maar er waren geen sponsoren voor te vinden. We konden die mensen, nota bene geloofsgenoten, toch niet aan hun lot overlaten?”

Drie jaar geleden begon zijn bedrijf met jaarlijkse steun aan een drietal dorpen in het zuidwesten. Er wonen duizenden mensen, die voor voedsel zijn aangewezen op wat de landbouw hun oplevert. Onder andere groenten, graan, pinda’s, courgettes en tomaten worden verbouwd langs de oevers van de rivier Chari, die is verbonden met het grote Tsjaadmeer. Belangrijkste hulp aan de boeren vormen de trainingen van PCAR (Programme Chrétien d’Animation Rurale), een uit de christelijke kerken ontstane organisatie. „Dat is hard nodig. In veel gevallen zoeken mensen voedsel voor een dag, waarna ze de volgende dag weer verder kijken. Het gaat echt om een mentaliteitsverandering. PCAR leert hen bij het zaaien en planten verder vooruit te kijken.” De doelstelling is om in 2020 circa 1600 boeren getraind te hebben.

De Jong bezocht Tsjaad tweemaal: bij de start van de hulp, nu drie jaar geleden, en in februari van dit jaar. „Het is een dag rijden met de auto vanaf de hoofdstad Ndjamena. In het regenseizoen is het bijna niet te doen.”

Beide reizen ging hij met vier werknemers. „Ik ben begonnen met degenen die het langst in dienst zijn en zo verder. Meegaan is niet verplicht, het is ook geen toeristische trip. Het maakt je wel bewust van de extreme oververvloed waarin wij leven. Ik sprak er met een boer, een overtuigd christen, die zei zich geen voorstelling te kunnen maken van de rijkdom in het Westen. „Maar we zullen eenmaal voor dezelfde God staan om verantwoording af te leggen”, zei hij. „Op zo’n moment besef je de enorme betrekkelijkheid van aardse rijkdom.”