De wereld van luthier Hans de Louter

Hans de Louter. beeld RD, Anton Dommerholt
12

In de werkplaats waar hij instrumenten repareert en op het zolderkamertje waar hij zijn schilderijen produceert, leeft Hans de Louter zijn eigen leven. Afgezonderd van de buitenwereld, omgeven door het maaksel van zijn handen. „Ik ben typisch een einzelgänger, denk ik. Ja, dat kun je volgens mij wel zeggen.”

De houtkachel in het atelier van Hans de Louter (63) verspreidt een behaaglijke warmte. Hier brengt de instrumentenmaker een groot deel van de dag door. Zijn woning ligt pal aan de Arnhemseweg, een van de drukste verkeeraders van Apeldoorn. In de werkplaats achter het huis dringt het gerumoer van auto’s en bromfietsen niet door. Het is er een gemoedelijke chaos van halve en hele instrumenten, bergmeubeltjes uit grootmoeders tijd, planken en mallen, een collectie strijkstokken, een paar aftandse bureaustoelen, een stellingkast vol beits, vet en smeer, een cello met zwaar beschadigde hals en nog heel veel meer.

Uit een oude box klinkt muziek van Radio Gelderland, de favoriete omroep van de luthier, zoals hij zichzelf noemt. Niet dat hij ooit een luit heeft gemaakt, maar de benaming past bij zijn ambacht en klinkt fraai. Boven het werkblad voor het raam, met zicht op de kleine stadstuin, hangt een portret van Einstein. De Louter wil zich niet met de geniale natuurkundige meten, maar hij vindt Einstein een inspirerende figuur. En hij heeft een mooie, karakteristieke kop. Ook zijn eigen hoofd wordt met het vorderen van de jaren steeds fraaier. Het zilverwitte haar en het brilletje met ronde glazen bezorgen hem het uiterlijk van een ethisch hervormde dominee uit een boekje van W. G. van de Hulst.

De Louter

Het document kan niet getoond worden, omdat het mogelijk is dat het cookies plaatst die volgens uw cookie-instellingen niet toegestaan zijn.
Sta alle cookies toe om het document te tonen.

Sitar

Het moderne leven heeft weinig vat op de luthier. Afgezonderd van de boze buitenwereld repareert en restaureert hij beschadigde snaarinstrumenten of werkt hij aan nieuwe. Van een aantal instrumenten kan hij geen afstand doen. Het zijn de meesterstukken uit zijn loopbaan.

Als 13-jarige jongen raakte de inwoner van Apeldoorn gegrepen door Ravi Shankar, destijds een internationaal bekende sitarvirtuoos. Niet alleen door zijn muziek, ook door zijn instrument. „Ik ben naar de Koninklijke Houtvesterijen gegaan, heb daar een stuk hout gekocht, en probeerde er een sitar van te maken. Die leek natuurlijk niet op een echte, maar zo is wel de liefde voor het vak ontstaan. Ik was anders dan de meeste jongens van mijn leeftijd. Die vonden voetballen leuker dan een sitar bouwen.”

Nadat hij een jaar of zes de kost had verdiend als pianostemmer, besloot hij zelfstandig instrumentenmaker te worden. Naast zijn losvaste baan als musicus. „Ik speelde mee in een aantal bandjes: contrabas, banjo en piano.” De instrumentenmakerij begon hij in een flat. De buren waren niet erg gecharmeerd van zijn activiteiten. Daarom verhuisde hij naar een hoekwoning in nieuwbouwwijk De Maten. Ruim twintig jaar geleden kon hij het vrijstaande pandje van een overleden installateur overnemen. Daar wil hij nooit meer weg. De eerste jaren maakte hij vooral jazzgitaren, nu schrikt hij voor niets meer terug. Een cello, viool, mandoline, banjo, bouzouki, ukelele, hij kan ze allemaal fabriceren. „In totaal heb ik zo’n 65 instrumenten gemaakt, naast het reparatiewerk. Daarmee verdien ik mijn brood, maar het maken van nieuwe instrumenten is mijn passie.”

Lyra-mandoline

Om vier uur in de middag opent hij de deur van het winkeltje in het voorhuis van het meer dan honderd jaar oude huisje aan de Arnhemseweg. Ook dat heeft een museale uitstraling. Niet dat De Louter daar bewust naar streefde. Het ging vanzelf. Liefhebbers van snaarinstrumenten kijken er hun ogen uit. Tussen de exemplaren in de etalage prijkt een geschilderd zelfportret, uit de tijd dat hij nog een volle bos haar had.

In een standaard op een antieke kast staat zijn absolute meesterwerk: een lyra-mandoline in de vorm van twee zwanen, van elkaar gescheiden door de hals van het instrument. Hiermee verwierf hij zich een plaats tussen man- nen van naam in het vak. „Nee, die is niet te koop. Ik heb er twee jaar aan gewerkt. Voor zover bekend zijn er wereldwijd maar vier van zulke instrumenten gebouwd.”

De oude piano kreeg een plaats in een hoek van het winkeltje, onder een rij altviolen. Op de vraag of hij wat wil spelen, reageert De Louter licht verschrikt. Dan neemt hij plaats op de met rood vilt beklede eiken stoel, alternatief voor een pianokruk. Buiten passeert auto na auto, maar de instrumentmaker ziet ze niet. De weemoedige klanken die zijn vingers oproepen, vervullen het winkeltje. Na de laatste toon staat hij op, keert zich om en maakt met ietwat verlegen lach een lichte buiging.

Op de tafel in de kleine woonkamer achter het winkeltje staan olieverfportretten van zijn twee dochters. Hier en daar moet nog wat worden aangepast, vindt hij. Het glas in lood op de vensterbank van het zijraam is vervaardigd door een vriendin. „In ruil voor het opknappen van een viool.” Het werkstuk toont een altviool die verliefd tegen een gitaar hangt. Aan hun voeten ligt een dansmeesterviooltje. „Dat is mijn logo. Aardig, vind je niet?”

Ezel

Schilderen doet De Louter een verdieping hoger, in een klein kamertje onder het schuine dak. Op de ezel staat zijn jongste doek: een stilleven van een wonderlijk instrument op een bureaublad met een doek onder de klankkast en halverwege de hals een tros witte druiven. Het geheel wordt beschenen door een bureaulamp. Schilderen in opdracht doet hij niet. „Dan komt er zo’n rare druk op te zitten.” Zijn oudere doeken, die doen denken aan werk van Helmantel, zijn stemmiger van kleur. „Ja, ook mooi”, erkent De Louter, „maar nu heb ik behoefte aan vrolijker kleuren.”

Ten diepste is schilderen meer wat voor hem dan musiceren, ontdekte hij. „Daarom heb ik na 22 jaar het schilderen weer opgepakt. Musiceren is een heel extroverte bezigheid, schilderen puur introvert. Dat past meer bij mij. Ik ben typisch een einzelgänger, denk ik. Ja, dat kun je volgens mij wel zeggen. Meestal begin ik hier ’s avonds om een uur of tien. Dan kan ik nog een uur of twee in alle rust aan een doek werken. Nee, dat vind ik niet eenzaam. Het is juist heerlijk om zo in m’n eentje bezig te zijn.”

Omdat hij niet voor een solistische zonderling versleten wil worden, sloot hij zich aan bij de in 1993 opgerichte Nederlandse Vereniging van Muziekinstrumentenmakers. Het is een gezelschap van zo’n dertig vakgenoten, verspreid over het hele land. „Het is leuk om elkaar zo nu en dan te ontmoeten. Tussendoor hebben we weinig contact. Elke instrumentenmaker gaat toch min of meer zijn eigen weg. Dat past bij dit beroep.”

Pensioen

Met pensioen gaat hij voorlopig niet, als zijn gezondheid blijft zoals nu. „Werk heb ik genoeg. Steeds vaker moet ik nee zeggen tegen grote reparaties, omdat ik graag tijd overhoud voor het maken van nieuwe instrumenten. Zo’n drie per jaar. Dit soort werk moet je toch minstens tot je vijfenzeventigste jaar kunnen volhouden. Denk je niet?”