COA-medewerker John Sebastiao: Azc Elspeet was net klein Angola

Woonbegeleider John Sebastiao in het azc in Oisterwijk. beeld Sander Verhoeven

Als tiener wilde hij profvoetballer of advocaat worden. „Het is anders gelopen”, zegt John Sebastiao. De geboren Angolees is mentor van alleenstaande minderjarige vluchtelingen.

Naam: John Sebastiao (28)

Afkomstig uit: Angola

In Nederland sinds: 2001

Functie: mentor alleenstaande minderjarige vluchtelingen in azc Oisterwijk

„Ik ben in 2001 op 10-jarige leeftijd samen met mijn broer van 15 naar Nederland gekomen. In Angola was het destijds onrustig. Je kon zomaar worden meegenomen om als kindsoldaat te moeten vechten. Mijn ouders besloten dat het beter was dat mijn broer en ik naar Europa zouden gaan, allereerst voor onze veiligheid, maar ook om betere kansen op studie te hebben. Via een aanmeldcentrum voor asielzoekers kwamen we in het azc in Elspeet terecht. In het begin had ik last van heimwee. Ik miste vooral mijn moeder erg.

In een van de vier gebouwen van het azc zaten allemaal minderjarige vluchtelingen, van wie 80 procent Angolees was. Het voelde als een klein Angola. We gingen op het azc-terrein naar school. Ook werden er allerlei activiteiten georganiseerd zoals voetbal, basketbal en een vechtsport.

Na een halfjaar vertrok ik uit Elspeet. Ik heb op allerlei plekken gewoond, onder meer in een woongroep voor asielzoekers en in pleeggezinnen. In 2005, toen mijn broer op kamers ging, kwam ik in een christelijk Antilliaans pleeggezin in Tilburg terecht.

Ik kom zelf uit een christelijk gezin. Toen ik uit Angola vertrok, gaf mijn moeder me een kleine Bijbel mee. Die ben ik het azc kwijtgeraakt. In Tilburg ging ik me weer meer met het geloof bezighouden. Op 17-jarige leeftijd ben ik in een pinkstergemeente in die stad, Holy Life Ministries, gedoopt.

Over een verblijfsvergunning heb ik jarenlang in onzekerheid verkeerd. Twee keer kreeg ik een vergunning voor een jaar. Daarna werd die ingetrokken omdat Angola een veilig land zou zijn. Uiteindelijk kreeg ik na dertien jaar toch een definitieve verblijfsvergunning. Ondertussen probeerde ik altijd positief te blijven denken: ik heb in ieder geval onderdak en ik ben gezond. Ook besefte ik: als God wil dat ik in Nederland blijf, zal ik hier blijven; als ik toch terug moet, zal het ook goed komen, want Hij zorgt voor mij.

Na het voortgezet onderwijs heb ik de mbo-4 opleiding sociaal maatschappelijke dienstverlening gedaan. Tijdens een stage gaf ik inburgeringslessen aan vluchtelingen. Ook bood ik als vrijwilliger huiswerkbegeleiding aan Nederlandse jongeren.

In 2015 solliciteerde ik bij het COA en sindsdien werk in het azc Oisterwijk. Op dit moment wonen hier zeventien alleenstaande minderjarige vluchtelingen. Ze komen vooral uit Eritrea en uit Noord-Afrikaanse landen zoals Marokko en Algerije. Ook zijn er een paar Syrische jongens en een Afghaan.

Als mentoren bespreken we de dagelijkse zaken met de jongeren, bijvoorbeeld hoe het op school gaat. Ook bieden we sportactiviteiten aan. Soms staat een bezoek aan een bioscoop of een kermis op het programma, voor degenen die dat willen. Met juridische procedures houden we ons niet bezig. Dat is een taak van de voogdij-instelling Nidos.

Alle jongeren hebben één doel: een verblijfsvergunning krijgen. Ik zie de teleurstelling als hun aanvraag wordt afgewezen. Door mijn eigen ervaring kan ik me goed in hun situatie verplaatsen. Als ze de asielprocedure en de onzekerheid lang vinden duren, weet ik wat dat voor hen betekent.

Soms verandert hun gedrag. Het gebeurt weleens dat een bewoner betrokken is bij een winkeldiefstal of dat hij softdrugs gebruikt, zoals dat bij Nederlandse jongeren ook wel voorkomt. Dan ga ik met zo’n jongere in gesprek om te kijken waar dat gedrag vandaan komt.

Soms geef ik een waarschuwing of leg ik een maatregel op, zoals papier prikken op het azc-terrein of drie dagen naar een andere locatie gaan om te reflecteren op het gedrag. Na afloop vraag ik dan: Hoe denk je nu verder te gaan?

Maar ik heb zeker niet alleen met lastige zaken te maken. Het mooiste is als ik zie dat jongeren ondanks alles wat ze hebben meegemaakt in hun eigen land en toen ze op de vlucht waren, positief blijven.”