Veel open eindjes na debat tussen christen- en islamtheoloog

Mohamed Ajouaou (l.) en Sam Janse. beeld Reyer Boxem

Een 7-jarig islamitisch meisje speelde voor het eerst bij een blank vriendinnetje. Thuisgekomen vertelde ze dat de ouders van het meisje haar allerlei lastige vragen over de islam hadden gesteld.

Het overkwam een dochtertje van vrienden, zei dr. Mohamed Ajouaou maandag. De universitair docent islamitische theologie (VU Amsterdam en KU Leuven) sprak op het aan de Rijksuniversiteit Groningen gehouden symposium ”Slangen en duiven; een theologische kijk op de islam”.

Vanwege de komst van hun vierde kind kochten Ajouaous vrienden een groter huis. Anticiperend op de verhuizing brachten ze hun kinderen vast naar de nieuwe school. Aanvankelijk wilde geen enkel kind van de ‘witte’ school met het 7-jarige nieuwe klasgenootje spelen. Toen het meisje eindelijk een vriendinnetje had gevonden, kwam het na daar te hebben gespeeld ontdaan thuis vanwege alle lastige vragen die de vader en moeder haar hadden gesteld. Ten einde raad stuurden de ouders hun dochtertje maar weer naar haar oude school.

De universitair docent gebruikte het voorbeeld om duidelijk te maken dat angst een zware wissel trekt op de multiculturele Nederlandse samenleving. Autochtonen die bang zijn voor de islam zijn volgens hem niet de enigen die angst kennen. „Kun je je de vrees van moslimvaders en -moeders voorstellen als niemand met jouw kind wil spelen? En wat het bij een 7-jarig kind oproept als ze allerlei lastige vragen op zich afgevuurd krijgt?”

Ajouaou reageerde maandag op het betoog van nieuwtestamenticus dr. Sam Janse. Deze bracht drie punten naar voren. Allereerst is het gesprek tussen christenen en moslims in Nederland noodzakelijk, aldus Janse. Hij waarschuwde wel voor „aardigdoenerij” en inhoudsloos relativisme. „Ik was meermaals getuige van een mislukt gesprek. De moslimtheoloog zei iets over Allah, Mohammed en de opdracht van moslims. Vervolgens kwam de christentheoloog niet verder dan respect voor elkaar en elkaar de ruimte geven. Dat is een asymmetrisch gesprek, niet zozeer tussen islam en christendom, maar tussen islam en verlichting.”

Angst

De dialoog is niet zonder problemen, stelde Janse. Een van die problemen is volgens hem de angst in de samenleving. Die is deels terecht, „maar blijf onderscheid maken tussen onderbuikgevoelens en intuïtief stamdenken enerzijds en gefundeerde inhoudelijke kritiek anderzijds.”

Janse bracht zijn inhoudelijke kritiek op de islam vragenderwijs naar voren. Is er in de islam sprake van een vervangingstheologie, zo wilde hij van Ajouaou weten. De nieuwtestamenticus verwees daarmee naar het „huidige virulente antisemitisme in de moslimwereld.” Verder vroeg Janse aan de universitair docent waarom moslims de kruisiging van Jezus ontkennen, of de islam –net als het christendom– de ontdekking kan doen dat het beter is om religie en macht te scheiden en in hoeverre de islam geherinterpreteerd kan worden.

Bij die laatste vraag verwees Janse naar de ranglijst christenvervolging van Open Doors. „In de topvijftien staan dertien islamitische landen. Alle vier wetscholen kennen de doodstraf op geloofsafval. Hoe diep zit dit geweld tegen andersdenkenden in het DNA van de islam?”

Het religieus extremisme is het probleem van de islam, zo zei Ajouaou. Er zijn in Nederland dubieuze moskeeën die vanuit „verre landen” worden gefinancierd. Hij vindt het goed dat daar het debat over geopend is. „Soms belt een moskeebestuur mij met de vraag of ik de persoon ken die ze willen vragen voor een lezing. Dat zij goed willen weten wie ze vragen, geeft aan dat ook zij alerter zijn op haatpredikers.”

Janse merkte op dat de islam in plaats van een Voltaire eerder een Karl Barth nodig heeft. Ajouaou gelooft daar niet zo in, omdat de islam geen hiërarchische religie is. Hij ziet meer in „rationalisatie van de islam” en geleidelijke hervormingen. „Zelfs in Saudi-Arabië zijn er stapje voor stapje veranderingen.”

Ethiek

Een aanwezige wilde weten wat christenen van de islam kunnen leren. Wellicht iets op het punt van de ethiek, opperde de universitair docent. Hij illustreerde dat met een anekdote over zijn 17-jarige zoon. „Als enige van zijn voetbalteam wordt hij nooit gewisseld. Want, zei zijn trainer, hij is de enige die zaterdag volledig nuchter op het veld staat, omdat hij geen alcohol drinkt.”

Aan het eind van zijn bijdrage had Ajouaou nog heel wat vragen onbeantwoord gelaten. „U had daarvoor ook te weinig tijd”, meende Janse. Een aanwezige predikant zei na afloop dat ook niet erg te vinden. „Ik vond het de moeite waard om zijn visie te horen. In het dagelijks leven kom ik nauwelijks moslims tegen.”