„Kloof naar kerk overbruggen valt niet mee”

Catechese
Ds. S. P. Roosendaal uit Lelystad. beeld RD, Henk Visscher

Toen ds. S. P. Roosendaal anderhalf jaar geleden predikant werd in Lelystad trof hij een groep jongeren aan die niet in de kerk kwam. Maar ze geloofden wel in God. Hoe overbrugde hij de kloof tussen deze kerkverlaters en de kerk?

De samenwerkingsgemeente van christelijke gereformeerden en Nederlands gereformeerden (cgk/Ngk) in Lelystad kwam tien jaar geleden in zwaar weer terecht toen de toenmalige predikant werd losgemaakt. De kerk was voor jongeren geen veilige plek meer, vertelt ds. Roosendaal. „Ze bezochten de eredienst niet meer. De toenmalige jeugdwerker André van der Galiën zocht hen op en zette hen bij elkaar in een huiskamer. Elke maand kwamen ze samen om te eten en Bijbelstudie te doen. Geleidelijk aan werd dit voor jongeren hun kerk.”

Ds. Roosendaal haakte aan bij het initiatief. „Ik bezocht de kring, bracht verdieping aan van de Bijbelstudies en wat bleek? De jongeren hadden honger naar het Woord van God. Zij voerden stevige theologische gesprekken met me. Over hemel en hel, de positie van ongelovigen, de waarde van de ethiek.”

Jeugdpastors

De CGK-predikant zoekt naar manieren om een brug te slaan naar de kerk. Dat valt niet mee. „Er blijkt weinig behoefte bij jongeren om zich te binden aan een instituut. Een kerkverband zegt hen weinig. Dat geldt voor bijna alle Flevolanders. Het is een relatief jonge provincie. Niets heeft hier sterke wortels.”

De grootte van de gemeente speelt ook een rol. „We zijn te groot om ieder individu met aandacht te ontvangen, maar te klein om te splitsen. In de periode van malaise hebben bovendien veel mensen de gemeente verlaten. Die opengevallen functies zijn niet zomaar weer opgevuld.”

Door de inzet van jeugdpastors probeerde de gemeente contacten te leggen met de jongerengroep. Met resultaat. „Er is een vertrouwensband ontstaan. Twaalf jongeren hebben aangegeven komend seizoen de belijdeniscatechese te volgen. Dat is een open groep waarin jongeren zich kunnen oriënteren op het doen van belijdenis.”

Dat de jongeren na het afleggen van openbare geloofsbelijdenis weer elke zondag in de kerk zitten, verwacht de predikant niet direct. „Als je niet gewend bent om elke week te gaan, is het heel moeilijk om de draad weer op te pakken. Soms bezoeken jongeren de kerk weer als ze een relatie krijgen of na het overlijden van een opa en oma.”

De meest ideale situatie zou volgens ds. Roosendaal zijn als jongeren eerder belijdenis afleggen. „Nu doen veel jongeren dat rond hun twintigste. Belijdenis doen is dan het sluitpunt van de catechese. Daarna vallen ze in een gat en worden ze zelf geacht hun Bijbel te lezen. Het besluit om je aan te sluiten bij een kerk valt echter vaak veel vroeger. Mooier vind ik het om het om te draaien. Belijdenis als start van een woestijnreis in geloof en discipelschap.”