Een ”liturgie van Dordt” is er niet

Fragment van een schilderij van de 17e-eeuwse kunstschilder Gijsbert Jansz. Sibilla (ca. 1597-1655) waarop een gereformeerde dienst in de Grote of Laurentiuskerk in Weesp omstreeks 1635 is afgebeeld. beeld Museum Catharijneconvent

Van een ”liturgie van Dordt” kan eigenlijk niet gesproken worden. Maar de Dordtse synode heeft in 1619 wel degelijk op een aantal liturgische kwesties invloed uitgeoefend.

Al te makkelijk wordt door orthodox-gereformeerde kerkverbanden en denominaties in discussies over liturgische vernieuwingen een beroep gedaan op ”Dordt”. Wie zich verwant weet met de Dordtse Leerregels en de Dordtse Kerkorde (DKO) kiest ook voor de Dordtse liturgie. En dat zou dan staan voor een sobere invulling van de eredienst, waarbij het Woord centraal staat en waarin uitsluitend psalmen en de ”Eenige Gezangen” gezongen worden.

Maar feitelijk heeft de Synode van Dordrecht in 1619 helemaal geen orde van dienst of liturgie opgesteld dan wel voorgeschreven. Met enige moeite kunnen we, onder andere vanuit de gebeden en formulieren in het psalmboek van Datheen en aan de hand van de kerkorde die de synode van Dordrecht 1574 –wel aangeduid als de ”liturgische synode”, omdat er veel liturgische kwesties werden besproken– opstelde, ongeveer reconstrueren hoe aan het begin van de 17e eeuw een zondagochtenddienst er ideaal gesproken uit moest zien. Maar ”Dordt” heeft hierover niets officieel vastgelegd.

Wat heeft deze synode dan wél betekend voor de gereformeerde liturgie in de brede zin van het woord? Dat zijn allereerst de aanwijzingen voor liturgische momenten en speciale diensten die in de DKO zijn opgenomen. In deze kerkorde worden allerlei zaken die sinds de synode van Emden (1571) en vooral Dordrecht (1574) spelen, definitief vastgesteld. Het gaat in 1619 dan ook om een revisie van de kerkorde van de laatste nationale synode, die van Den Haag 1586. De Nederlandse afgevaardigden nemen deze herziening ter hand tijdens de 26 zittingen die vanaf maandag 13 mei 1619 gehouden worden; de buitenlandse afgevaardigden zijn dan vertrokken. De weerslag van die zittingen is te vinden in de zogenoemde ”post-acta” of ”nahandelingen”.

Behalve met de liturgische aanwijzingen die in de DKO terechtkomen, houdt ”Dordt” zich tijdens deze nazittingen ook bezig met het geheel van gebeden en formulieren (aangeduid als de „Nederlantsche Liturgie”) achter in het psalmboek.

Als het gaat om het belang van deze synode voor de gereformeerde liturgie, kunnen concreet de volgende vijf zaken genoemd worden.

I. Doop en avondmaal

Uitvoerig spreekt de DKO over de bediening van de sacramenten van doop en avondmaal (de artikelen 56-63). De doop moet bijvoorbeeld altijd bediend worden in combinatie met het houden van een preek, terwijl ook het betreffende formulier gelezen moet worden.

Bij de bediening van het avondmaal moet alle „superstitie” –de misstanden van de Rooms-Katholieke Kerk– vermeden worden. Eerdere synodes hadden uitgesproken dat het een middelmatige zaak is of het avondmaal zittend of staande gebruikt wordt, en dat het stichtelijk is als er onder de viering uit de Bijbel gelezen en gezongen wordt. De DKO schrijft alleen voor dat de predikant na de preek en de gebeden van de kansel af moet komen om vóór de tafel het formulier te lezen.

Wat betreft de frequentie van de avondmaalsviering: de kerkorde schrijft voor dat dit sacrament, indien mogelijk, iedere twee maanden moet worden bediend. Op de oude vraag of de viering ook met Pasen, Pinksteren en Kerst mag plaatsvinden, antwoordt de kerkorde dat dat juist „stichtelijk” is. Het ideaal lijkt dus te zijn dat negen keer per jaar het avondmaal wordt bediend.

II. Bijzondere diensten

De DKO geeft ook aanwijzingen voor bijzondere diensten. Bijvoorbeeld de zondagmiddagdienst, waar de catechismus moet worden uitgelegd (artikel 68). Gewaarschuwd wordt (artikel 65) voor het houden van begrafenisdiensten („lijkpredikatiën”). Eerdere synodes hadden als reden genoemd dat zulke diensten tot bijgeloof leiden. Waar ze wel gehouden werden, moest in ieder geval „de lof der afgestorvenen” niet verkondigd worden. En ook moest het luiden van de klokken –een rooms gebruik– afgeschaft worden.

De doordeweekse diensten, de zogenoemde avondgebeden die als voorzetting van de dagelijkse vespers werden gehouden, mogen blijkens artikel 64 wél intact blijven, omdat ze op veel plekken „vruchtbaar” blijken te zijn.

Naast de reguliere zondagse en wekelijkse diensten kunnen er extra vasten- en biddagen worden vastgesteld (artikel 66). De kerk moet de overheid vragen zo’n dag uit te schrijven en ervoor te zorgen dat die dag „geheiligd” wordt. Getuige eerdere synode-uitspraken (bijvoorbeeld uit 1574) is het de bedoeling dat de gemeente op zo’n dag naar de kerk komt, waar wordt gevast en uit de Bijbel gelezen en waar twee preken gehouden worden.

III. Kerkelijk jaar

Over de kerkelijke feestdagen was in de periode vóór 1619 het nodige te doen geweest. Het liefst hadden de gereformeerde vaderen gezien dat alléén de zondag geheiligd werd (zo in 1574). Met Pasen en Pinksteren –die al op zondag vielen– mocht de predikant dan wel over de opstanding respectievelijk de uitstorting van de Heilige Geest preken. Het kerstverhaal kon op de zondag vóór Kerst worden behandeld.

Gaandeweg bleek echter dat veel overheden allerlei feestdagen onderhielden: met Nieuwjaar en Hemelvaart, en met Kerst, Pasen en Pinksteren zelfs twee dagen. In die situatie was het het beste om dan als kerk „de onnutte en schadelijke lediggang” te veranderen „in een heilige en profijtelijke oefening”, zo werd in 1578 bepaald. In 1586 was dat geworden dat de kerken de kerst-, paas- en pinksterdag –en indien van toepassing de nieuwjaars- en hemelvaartsdag– moesten onderhouden.

In 1619 zegt de DKO (artikel 67) zelfs dat op plaatsen waar de besnijdenis (= Nieuwjaar) en hemelvaart van Christus nog niet gevierd worden, bij de overheid moet worden bepleit om dat wél te gaan doen. Daarmee is het kerkelijk jaar officieel vastgesteld. Overigens met uitzondering van de Goede Vrijdag. Op die dag wordt er tot ver in de 19e eeuw op veel plaatsen geen dienst gehouden.

IV. Kerkzang

Over wat er tijdens de eredienst gezongen moet worden, had de provinciale synode van Dordrecht (1574) zich uitvoerig uitgesproken: de psalmen die Datheen heeft vertaald, plus de paar gezangen die deze aan zijn berijming heeft toegevoegd. Overigens was in 1574 de vraag gesteld of er ook „enighe andere gheestelicke liedekens ende psalmen van anderen gheleerden luijden ghemaeckt” gebruikt mochten worden. Antwoord: Laten we tevreden zijn met wat Datheen biedt, totdat de generale synode iets anders besluit.

De generale synoden die volgden (Dordrecht 1578, Middelburg 1581, Den Haag 1586) spraken wel over een uitzondering voor de boeren in Overijssel (voor hen mochten wat Duitse gezangen worden geselecteerd), maar hielden het verder bij de psalmen en gezangen van Datheen.

In 1619 handhaaft de Dordtse synode deze uitspraak en concretiseert om welke gezangen het dan gaat: de Tien Geboden, de geloofsbelijdenis, het Gebed des Heeren en de drie nieuwtestamentische lofzangen. De Bedezang voor de Predikatie wordt ook gedoogd. Maar als er andere gezangen worden gebruikt, moeten die worden afgeschaft.

Overigens wordt in 1619, net als in 1586, geen berijming genoemd. Sinds 1580 was ook het psalmboek van Marnix van Sint-Aldegonde op de markt. Wil de synode zich niet specifiek op Datheen vastleggen? Of heeft Marnix het inmiddels al moeten afleggen tegen Datheen zodat het niet nodig is de berijming expliciet te maken?

V. Liturgische formulieren

In 1566 had Datheen aan zijn psalmboek behalve de Heidelbergse Catechismus ook een aantal formulieren voor liturgische handelingen en gebeden voor de eredienst en thuis opgenomen. Datheen putte daarvoor vooral uit de kerkorde van de Palts (1563) en uit ”De christlicke ordinancien” van Marten Micron (1554). Dit liturgisch deel van het psalmboek onderging in de loop der jaren de nodige veranderingen. Teksten werden gereviseerd. Aan de formulieren van doop, avondmaal en huwelijk werden in 1586 die voor de bevestiging van ambtsdragers en de uitoefening van de kerkelijke tucht toegevoegd. En in 1610 werd in Zeeland nog besloten een formulier voor de volwassendoop te ontwerpen.

In 1611 was in Middelburg een soort standaardeditie van de belijdenisgeschriften en de liturgische teksten verschenen, maar die was nooit kerkelijk goedgekeurd. Dat nu wil de Dordtse synode in 1619 doen. De eenheid van de kerken komt immers ook uit in één vastgestelde tekst van gebeden en formulieren. En die moet dan ook officieel worden uitgegeven, in plaats van dat drukkers allerlei varianten op de markt brengen.

Op vrijdagmiddag 24 mei komt de revisie van de liturgische geschriften ter sprake en wordt een commissie van vier man ingesteld om hiernaar te kijken. Als de commissie op dinsdagochtend 28 mei verslag uitbrengt, blijkt er echter geen tijd meer te zijn om naar het concept te kijken – de synode zal de volgende dag sluiten. De vergadering besluit daarop dat de commisieleden die de acta moeten goedkeuren of de beide scriba’s van de synode nog maar eens naar deze zaak zullen kijken. Daarna kan de „Nederlantsche Liturgie” met de andere publieke geschriften uitgegeven worden.

Helaas is deze standaardtekst van de liturgische formulieren en gebeden er nooit gekomen; in ieder geval niet uitgegeven. Met als gevolg dat de drukkers van de psalmboeken allerlei varianten blijven publiceren. Tot op de dag van vandaag is er discussie over de vraag welke teksten van de „Nederlantsche Liturgie” nu de officiële zijn.

Conclusie

De conclusie moet zijn dat de Dordtse synode in 1619 géén gereformeerde liturgie –in de zin van orde van dienst– heeft ontworpen of vastgesteld. Wél heeft ze in een groot aantal liturgische kwesties de gegroeide praktijk van de achterliggende vijftig jaar op landelijk niveau willen reguleren.

Voorzover de verschillende provincies zich na 1619 aan de DKO wilden binden, heeft ”Dordt” op die manier een belangrijke rol gespeeld voor de praktijk van de eredienst in de Gereformeerde Kerk in de decennia en zelfs eeuwen die volgden.