Ds. C. Stelwagen: echt oud hervormd

Het Gesprek
Ds. C. Stelwagen. beeld RD, Anton Dommerholt
2

Veel zorg heeft hij, over de gereformeerde gezindte waar het te veel over de buitenkant gaat, over leegheid en oppervlakkigheid, over jongeren die met hun vragen aan de kerkdeur staan te kloppen, over veel preken, en over zichzelf: ds. C. Stelwagen te Nunspeet.

Een halfjaar geleden keerde ds. Stelwagen met zijn vrouw vanuit Friesland terug naar de Veluwe. Nu wonen ze in Nunspeet, maar Friesland mist hij wel: „We missen huis en context, ik bedoel het simpele en eenvoudige Friese platteland, dat van: Hé, hé, doe maar gewoon. Hoewel, we wonen hier ook goed.”

U heeft boven in Friesland een jaar lang evangelisatiefolders verspreid, van Damwoude tot aan de Waddenzee. Was het tot zegen, voor deze of gene?

„Daar weet ik echt niets van. In de gemeenten die ik mocht dienen, is het Woord gezegend geworden, dat mag ik wel zeggen. Maar of dat folderwerk gezegend is geweest, dat weet ik niet. Dat is ook niet belangrijk. Natuurlijk, mijn hoogmoedige hart zou opspringen als ik zou horen dat er iemand door een folder van mij in zijn hart gegrepen is, maar het komt mij niet eens toe dat te weten. Als een folder naar het Woord is, dan zegt God: „Ik zal er mee doen wat Mij behaagt.” Nou dan. Als ik aan iemand een folder kwijt kon, mocht ik zeggen: „Alstublieft Heere, het ligt nu in Uw handen.” Wat weten wij er ook van wat de Heere met Zijn Woord doet? Wij kunnen lange definities opstellen over wat nodig is om gekend te worden voor de eeuwigheid, maar Adam en Eva hebben in alle eenvoudigheid op het woord der belofte hun hoofd neergelegd en zijn ermee ingeslapen.”

In Friesland woonde het echtpaar Stelwagen in Damwoude, maar ze kerkten in Wouterswoude. „Ik heb het wel heel verdrietig gevonden dat we niet konden kerken in de plaats waar je woont. We zijn echt oud hervormd. En dus hoor je te kerken waar je woont. Het kan niet bestaan dat je ergens ánders kerkt, maar we deden het wel, noodgedwongen. We zouden meer moeten bidden of God wil opstaan over Nederland.”

U bent dus oud hervormd. Wat mag dat zijn?

„Echt oud hervormd ben ik, ja, ja, ja. Ik ben geboren in Ootmarsum, maar groeide op in Putten. Daar wisten we van niets anders dan van de Hervormde Kerk. Wat oud hervormd is? Daar wordt Bijbels gedacht over de geestelijkheid van Gods wet, want Hij hanteert de heilige wet in zijn geestelijke diepte. Daar wordt Bijbels gedacht over de borggerechtigheid van Christus en over de Persoon en het werk van Heilige Geest. Daar wordt Bijbels gedacht over de volkomenheid van de genade van God.”

Hij zegt het met nadruk: „De genade van Gód. Niet die van Christus. Maar de genade van God Drie-enig. Het gaat hier om de eerste Persoon, over God de Vader, Die schoon zwaar getergd, toch lankmoedig is en weldadig en groot van goedertierenheid.”

Veel preken schieten daarin tekort?

„Wie kan er ook over zo’n grote rijkdom preken zoals het behoort? Ik vind het zelf steeds moeilijker worden, preken zoals God het van mij vraagt. Er is het bittere gevaar dat preken blijven steken in beschrijvende prediking. Alsof de man op de preekstoel zou mogen denken: „God weet niet zo goed hoe Hij een mens moet bekeren. Ik zal Hem dat even zeggen, zal Hem er een systeem, een schema voor aanreiken.” De verkondiging van het Woord moet gaan over hoe goddeloze zondaren door Hemzelf worden teruggebracht in het huisgezin van God, de Vader van onze Heere Jezus Christus.”

Met zware klemtonen op elke lettergreep: „En dat dat mogelijk is, daar heeft Hij nu Zelf voor gezorgd. Hoe bestaat het!”

In het leven van ds. Stelwagen zitten vier inktzwarte momenten. Het overlijden van zijn eerste vrouw na een ziekbed van twee jaar. Het overlijden van zijn dochter Edith bij een auto-ongeval. De scheuring onder hervormd-gereformeerden, in 2004. En zelf kreeg hij een ernstig auto-ongeluk, in 2015.

Over al die verdrietelijkheden wil ds. Stelwagen best praten. Maar dat gaat wel staccato: „Moeten we het over 2004 hebben? Beter van niet. Niet verstandig. Wat was het een oordeel van God. Er waren geen overwinnaars. Alleen verliezers.”

U stond toen in Elspeet.

„En ik heb toen vaak vanuit de studeerkamer van de pastorie zitten kijken naar die oude hervormde vaderlandse kerk. Daar stond duizend jaar trouw van God in steen gehouwen. God had dat Woord duizend jaar bewaard, dwars door alles heen, dwars door het geweld van Rome, dwars door Afscheiding en Doleantie heen. En zou ik dan opeens in 2004 durven zeggen dat dat allemaal wég was, dat ik weg mocht lopen onder de schuld vandaan? Veel heb ik gevraagd: Heere, wat bedoelt U nu, dat ik onder het oordeel moet blijven, dat ik moet blijven waar ik ben? Ik durfde ook niet luidkeels te gaan roepen: „Land, land, wat ben je toch in verval”, want de verdonkering van Nederland is op de kansels begonnen. Of: „Kerk, kerk, wat ben je in verval.” Eerder was het: „Stelwagen, Stelwagen, wat ben je zelf toch ook diep in verval.”

Op 6 maart 1999 overleed zijn vrouw, in de leeftijd van 53 jaar. De zinnen worden kort, de woorden weinig. „Wat dat was, is niet te zeggen. We kregen samen nog wel twee jaar de tijd om het laatste pad te gaan. Samen hebben we de afbraak doorleefd. Het was hartverscheurend. Maar tot op het laatst heeft ze goed van God gesproken.”

Op 11 maart 2002 overleed zijn oudste dochter, Edith, in de leeftijd van 27 jaar. „Edith was onderwijzeres in Wouterswoude, maar na het overlijden van haar moeder kwam ze thuis, om voor ons gezin –met nog elf kinderen thuis– te zorgen. Dat deed ze met haar hele hart, maar die last was haar te zwaar. Ik wilde dat ze één dag in Wouterswoude op school bleef. Dan was ze tenminste nog één dag in haar element. Onderweg van Elspeet naar Friesland is ze verongelukt. Ze raakte van de rechterweghelft af en kwam in botsing met een andere auto. We denken dat ze in slaap is gevallen.”

Het blijft even stil. „Ik ben opstandig geweest. Ja. Opstandig. Mag een dominee opstandig zijn? Nee. Dat duurde totdat de Heere sprak: „Wie heeft Edith meer lief? Haar vader? Of haar hemelse Vader?” Nu mag ik denken: „God, wat een zegen dat ze bij U mag zijn.” Mijn vrouw en mijn dochter zijn beiden verlost van het leed der aard’, en kunnen niet meer overtreden. Ze zijn thuis. Er zijn er in elk geval al twee over wie ik geen zorgen meer hoef te hebben. Ze mogen Hem zien gelijk Hij is. Toch onvoorstelbaar. Toch onvoorstelbaar.”

In de zomer van 2004 hertrouwde ds. Stelwagen, met een zus van zijn eerste vrouw. „Daar dank ik God ootmoedig voor.”

Op 16 april 2015 kreeg ds. Stelwagen zelf een auto-ongeluk. Hij brak zijn nek en zijn ribben op veertien plaatsen. „Ik ben een hardleers mens. Ik zal het wel nodig hebben gehad. Onder Amersfoort ben ik van de weg geraakt en met 70 kilometer per uur tegen een grote paal gebotst. Ik ben nabij de dood geweest. Wonder boven wonder ben ik er nog. Ik ben gespaard en mag nog het Woord verkondigen. Alsof de hemel sprak: „Alsjeblieft, hier is nog een toegift”, terwijl ik toch ook tegen alle geboden Gods had gezondigd. Sindsdien wil ik op de kansel niet meer vervallen in allerlei bijzaken.”

Wat is de hoofdzaak?

„Dat onze goede God goddeloze zondaars bekeert. Dat Hij weglopers terugbrengt bij Zichzelf. Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, en van de straf voor eeuwig is ontheven. De Heere zal in dit moeilijk leven –wat een tranendal is dit– Zijn volk en erfdeel nooit begeven.”

Veertienmaal was ds. Stelwagen te gast op de predikantenconferentie in het Engelse Leicester. „Dat was altijd verademend, om met dominees van all over the world samen te zijn rond de Schrift. Daar wordt niet gepraat over de doop en niet gestreden over een Bijbelvertaling. Verbazend gewoon, dat zoiets nog kan in deze donkere wereld. Ik hoop dit jaar nog een laatste keer te gaan, zeg maar: als een soort afscheid. Ik ben 72.”

Over de gereformeerde gezindte is ds. Stelwagen zeer bezorgd. „In kerkelijk Nederland mag de vlag wel halfstok. We zeggen wel vaak: „Wie zou niet wenen”, maar ik vraag me soms af wie dat echt meent. Toch gaat de Heere door en Hij stoort Zich niet aan al onze verdeeldheid. Ik zie ernaar uit dat Hij op de jongste dag al onze kerkelijke rommel gaat opruimen.”

Dat in de gezindte jaren geleden de aanduiding ”christelijk” is ingeruild voor die van ”reformatorisch” zit ds. Stelwagen ook hoog. „We hebben ons dat ”christelijke” laten afpakken. Alsof we de Christus der Schriften hebben ingeruild voor de reformatoren. Dat scholen naar een dominee worden genoemd. Ach nee.”

En dan is er nog zo veel wat aan de buitenkant blijft steken, zegt ds. Stelwagen. „Ons kerkelijk leven heeft een prachtige voorgevel. Er worden kerken gebouwd als paleizen, maar er is veel versteende verstarring waar je van schrikt. Er is veel verstolde oppervlakkigheid waar je van huivert.”

Veel jongelui staan tegen de kerkdeuren aan te schoppen, zegt ds. Stelwagen. „Maar hoor eens: dat komt omdat ze willen wéten waar we voor staan. Ze willen niet weten welke rechtzinnige gedragscodes we hebben, niet welke vrome wensen we aan hun adres kunnen uitspreken, maar of er in ons binnenste iets echts zit, iets wat van God komt. Dat is de grootste schat voor de grootste der zondaren. Jongeren willen horen waar het straks echt op aankomt.”

En dat is?

Met grote eerbied, alsof hij op de preekstoel staat: „Dat Hij bitter vertoornd is over onze zonde, maar Zich toch diep naar ons nederbuigt, in de kribbe en aan het kruis. Dat Christus wilde spreken en eten met hoeren en tollenaren. Dat Hij in Zijn grondeloze barmhartigheid Zich tot verloren mensen nederbuigt, om uit te delen in vrije gunst. Dat Hij Zich wil ontfermen, niet over lieve en aardige mensen, maar over de slechtsten, die zich van Hem hebben afgekeerd. Te midden van al onze gebrokenheid en dwaasheid slaat Hij toch, schoon oneindig hoog, op hen het oog die nederig knielen. Dáár komt het op aan. En dát moeten we zeggen tegen jongeren die de weg zijn kwijtgeraakt.”

Wat ds. Stelwagen ook nog vindt: er worden niet genoeg fundamentele boeken gelezen. „Lees de Redelijke Godsdienst van Brakel, de Galatenbrief van Luther, de Institutie van Calvijn en nog iets van Kohlbrugge. Verder moet je niet te veel lezen. Veel stichtelijke boekjes komen op hetzelfde neer. Lees fundamentele boeken, waar je over na moet denken, waar je in jezelf wat over kunt blijven murmelen, waar je je handen bij kunt vouwen, waarbij je ook weleens moet vragen: „Heere, wat bedoelt U?”

Is er hoop voor zo’n land verloren in zonde en schuld?

„Grosso modo zijn wij als een pot gel, veel te slap. Maar God is nog niet klaar met Nederland. Hoe minder ik het zie, hoe meer ik het geloof. Ik zie dat er nog mensen worden gevangen in het evangelienet, dat er nog mensen aan de haak zitten. Die kunnen spartelen wat ze willen, maar de Heere zal hen Zelf wel binnenhalen. God zal terugkomen in Nederland, en dan komt Hij als eerste terug in de Protestantse Kerk, want Hij begint in de meest vervallen kerk van Nederland. Dan gaan we, van Groningen tot Terneuzen, dagen beleven waarbij Pinksteren nog maar een kleinigheid was.”

Ds. C. Stelwagen ging maandag met emeritaat. Over de toekomst is hij ondanks alles niet pessimistisch. „God is nog lang niet klaar met Nederland.”„Hoe minder ik zie, hoe meer ik geloof”

Levensloop ds. C. Stelwagen

Chris Stelwagen werd op 23 mei 1945 in Ootmarsum geboren. Aan de Driestar te Gouda volgde hij de onderwijzersopleiding, waarna hij achtereenvolgens voor de klas stond in Ede, Groenekan en Woudenberg. Op 27-jarige leeftijd ging hij theologie studeren. Als predikant diende hij de hervormde gemeenten van Driesum (1980), Montfoort (1985), Harskamp (1990) en Elspeet (1995). In 2009 ging ds. Stelwagen op 64-jarige leeftijd om gezondheidsredenen vervroegd met emeritaat. Met zijn tweede vrouw woont hij in Nunspeet. Hij is lid van de Stichting Reformatorische Publicatie, het toezichthoudend orgaan van Erdee Media Groep.