Marion Bloem haalt Indo’s uit de schaduw van het verleden

Marion Bloem over de eerste generatie Indo’s: De Nederlandse bevolking wist niet wie ze waren en waarom ze in Nederland woonden. Ze bestonden niet.”  beeld Wikipedia
2

De moeder van premier Rutte overleed onlangs op 96-jarige leeftijd. Het leverde informatie op over het gezin waarin de premier als jongste van zeven opgroeide.

De vader van Rutte en diens eerste vrouw werden in de Tweede Wereldoorlog geïnterneerd in een jappenkamp. Zij overleed daar in juli 1945, hij hertrouwde met haar jongere zus: de moeder van Mark Rutte. Op een of andere manier heeft de premier dus iets met Indisch.

Het gebeurt nogal eens dat Indisch gerelateerd wordt aan India. Maar mensen met een Indische achtergrond zijn afkomstig uit voormalig Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Nadat Sukarno in 1945 de onafhankelijkheid uitriep van Nederlands-Indië en de republiek Indonesië ontstond, kwamen honderdduizenden Indischen naar Nederland. De Indo was geboren: in Nederland door omstandigheden.

Het nieuwste boek van Marion Bloem gaat over Indo’s. Deze vuistdikke pil kun je het best lezen als een lange overpeinzing van iemand die zich afvraagt wat het betekent om een familiegeschiedenis te hebben die raakt aan voormalig Nederlands-Indië.

Bloem, geboren in 1952 in Arnhem uit Indische ouders, geldt als een van de boegbeelden van de Indische cultuur in Nederland. In 149 hoofdstukken vat ze als het ware heel haar leven samen. Ze haalt herinneringen op en beschrijft gebeurtenissen uit het heden en verleden, inclusief grote en kleine drama’s en frustraties die ze opdeed in haar jeugd en haar carrière als schrijver, filmmaker, documentairemaker en kunstenaar.

Ze geeft van binnenuit weer hoe het was en is om een Indo te zijn. Bij haar eerste vriendje leerde ze dat Nederlanders op maandag altijd hetzelfde warme menu aten. Moeilijk vond ze de vraag: hoeveel aardappelen eet jij? Dat geeft iets weer van het afgepaste wat in Nederlandse huiskamers gewoon is, net als de koektrommel die weer dichtgaat als iedereen iets heeft genomen. Dit contrasteert nogal met de royale rijstmaaltijden en versgebakken kroepoek in huize Bloem, waar onbeperkt gasten konden aanschuiven.

Worsteling

Waarom is de Indo zoals hij is? Wat bindt hem met het land van oorsprong? En bestaat er in Nederland zoiets als een Indische cultuur? Wat is de Indische kwestie? Vragen die Bloem probeert te beantwoorden. Bloem, die psychologie studeerde, interviewde uit diepe interesse Indische mensen van de eerste generatie in haar eigen familie en later nog vele Indische anderen daarbuiten.

Zelf is ze eerlijk over haar grote worsteling om altijd tussen twee culturen te laveren. Ze deed te veel haar best om bij de buitenwereld te horen en had anderzijds sterk de behoefte om zichzelf en haar binnenwereld trouw te blijven. Zo leefde ze voortdurend in een innerlijk conflict met verschillende identiteiten. Het probleem van de eerste generatie Indo’s is volgens haar dat ze als groep geen erkenning voor hun bestaan kregen en zich onbegrepen voelden. „Voor hun geschiedenis, hun trauma’s, hun problematiek was geen ruimte in de media. De Nederlandse bevolking wist niet wie ze waren en waarom ze in Nederland woonden. Ze bestonden niet. De ontkenning van hun bestaan zat ook in de geschiedenisboekjes waaruit hun kinderen over het verleden moesten leren.”

Koloniale verleden

Natuurlijk kan Bloem niet om het koloniale verleden heen. Het huidige Indonesië was vanaf ongeveer 1600 een wingewest van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en werd in 1816 officieel een kolonie van Nederland. Aan de hand van de geschiedenis van haar voorouders vertelt Bloem fragmenten over de koloniale tijd, hoe de inheemse bevolking werd gekoeioneerd.

Hier op school leerde Bloem over specerijen en koffie waar de VOC rijk van werd. Ze kreeg te horen dat Javanen als slaven naar Suriname en de Antillen waren vervoerd, lui waren en niet hard konden werken vanwege hun tengere bouw en dat ze het daardoor nooit ver hadden kunnen brengen en arm waren gebleven. „In de klas werd ik naar voren gehaald als voorbeeld van het Aziatische ras.’

Grote en kleine ”Boeng”

Bloem noemt de grote ”Boeng” en de kleine ”Boeng”. Tot de grote Boeng behoren Indo-Europeanen met een hogere status in het leger of de ambtenarij – blank of lichtgetint, welvarend en zich ‘wit’ wanend. De kleine Boeng waren in de kazernes geboren als kind van een Nederlander en een inlandse vrouw. Ze werden gediscrimineerd door zowel het koloniale bestuur als de hogere Indo-Europeanen.

Halverwege de vorige eeuw waren de kleine Boeng opnieuw de klos. Ze werden in hun geboorteland uitgekotst vanwege de eeuwenlange trouw aan Nederland. Bloem: „De kloof tussen Indonesiërs en Indo’s was te groot geworden en door de Japanse bezetting onoverbrugbaar.” Ze hoorden nergens meer thuis en raakten in een identiteitscrisis, stelt Bloem. Velen die dienden in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) kenden geen andere wereld dan die van het koloniale leger. Waar moesten ze heen?

Bersiap

In 1977 bezoekt Bloem voor het eerst het heimweeland waar haar ouders waren geboren, het land dat niet meer bestond maar dat na hun vertrek gewoon was doorgegaan met te bestaan onder een andere naam, met andere leiders. Ze moet daar uitleggen dat zij een Indo is en wat een Indo is: mensen die door Sukarno als honden van de Nederlanders werden beschouwd en aan wie de oorlog werd verklaard. Velen van hen hadden net de jappenkampen overleefd en werden geconfronteerd met de haat van de inheemse bevolking. Slachtpartijen volgden: de beruchte Bersiap. Het dodenaantal liep in de honderdduizenden.

Na de onafhankelijkheid van Indonesië (27 december 1949) moesten de Indische Nederlanders kiezen tussen Indonesië of Nederland. In Nederland kregen ze allerminst een warm onthaal. Nederland was bezig met de wederopbouw; voor het leed van de Indo’s was nauwelijks belangstelling.

Barakken en pensions

In Nederland werden de Indische Nederlanders ondergebracht in barakken en pensions. Een opmerkelijk detail dat Bloem niet vermeldt is bijvoorbeeld dat in 1950 de eerste Indische Nederlanders in De Schattenberg arriveerden, het voormalige Kamp Westerbork. Ook Bloems ouders moesten zien te dealen met de krappe behuizing, de karige Hollandse kost en het kille klimaat. Wat het meest kwetste was dat de gemiddelde Nederlander geen flauw idee had van wat zich in Nederlands-Indië had afgespeeld.

De tweede generatie Indo’s kreeg mondjesmaat zicht op de koloniale geschiedenis, die tot dan toe vrijwel alleen nog werd verteld vanuit wit perspectief, vanuit het oog van de koloniaal, aldus Bloem. Op de middelbare school kreeg ze de ”Max Havelaar” aanbevolen – en las ze dingen over Nederlands-Indië waar ze thuis noch in de geschiedenisles op school over had gehoord.

Herdenkingen

Bloem beschrijft hoe de Indo’s zich in hun vaderland als vreemden behandeld voelden. De herdenkingen van wat zij hadden meegemaakt kwamen heel laat. Pas op 15 augustus 1988 werd in Nederland voor het eerst een nationale herdenking van de Tweede Wereldoorlog in Azië gehouden.

Bloems vader, die de torpedering van het vrachtschip Junyo Maru wonderlijk overleefde, sprokkelde geld bij elkaar om een eerste herdenking te houden toen er in Nederland nog nooit aandacht aan was besteed. Hij nodigde eens zijn dochter uit om in Soesterberg op 15 augustus iets te komen zeggen, maar dat ging niet door „want wij (Indo’s) mogen maar één keer in de vijf jaar herdenken van de gemeente.”

Identiteit

Met ”INDO” laat Bloem zien dat de Indische familieachtergrond door veel Indo’s als een onderscheidende factor wordt ervaren. Niet alleen voor de eerste generatie die zich in Nederland vestigde, maar ook voor de tweede generatie, die opgroeide in een overwegend blanke samenleving, en zelfs voor de derde generatie, die te maken heeft met niet te beantwoorden identiteitsvraagstukken.

Op de laatste pagina sluit Bloem af met de constatering dat ze leerde met afstand naar zichzelf te kijken als vrouw met meervoudige identiteiten. Ze hoefde niet te weten wie ze was omdat niemand dat precies weet, en omdat ze ook niet hoefde te weten tot welke cultuur ze behoorde en wat die cultuur precies was, „omdat een cultuur net als identiteit dynamisch is en dat ook moet zijn, omdat ze anders gedoemd is te sterven.”

Boekgegevens

INDO. Een persoonlijke geschiedenis over identiteit, Marion Bloem; uitg. De Arbeiderspers; 461 blz.; € 24,99

”Oeroeg” van Hella Haasse

Marion Bloem verhaalt in ”INDO” uitgebreid de receptie van haar werk in literair Nederland. Ze hekelt de heersende blanke dominantie en beschrijft hoe ze niet zelden met dedain werd bejegend en weggezet. „Kritiek van Indo’s op karikaturale aspecten in de roman Oeroeg van Hella Haasse wordt door literatoren nog altijd niet erg op prijs gesteld alsof door die kritiek het talent van Hella Haasse zou worden aangetast. Toen er een gratis herdruk van het boek verscheen voor de middelbare scholieren in Nederland, had er op z’n minst als voorwoord of nawoord een tekst toegevoegd kunnen worden die Oeroeg beter in de tijd zou plaatsen. Daarmee had de herdruk een mooie bijdrage kunnen leveren aan het dekolonisatieproces”.

Koloniaal verleden

Op 17 januari 1969 deed een oud-militair, psycholoog Joop Hueting, als eerste officieel onthullingen over excessen die door Nederlandse troepen in Indië zouden zijn begaan. De uitzending sloeg destijds in als een bom. De regering gelastte een onderzoek; het rapport was echter vaag. Sindsdien bleef het roerig rond de ”Indische kwestie” en ligt het koloniale verleden uiterst gevoelig en pijnlijk. Dat was weer te merken bij het staatsbezoek van koning Willem-Alexander en koningin Máxima aan Indonesië in maart dit jaar. Er werd op eieren gelopen – excuses aanbieden of niet? Het wachten is nu op de uitkomst, in 2021, van het onafhankelijk en wetenschappelijk onderzoek naar de gewelddadige dekolonisatie van Nederlands-Indië naar wat zich tussen 1945-1949 heeft voorgedaan.