Geen preekjes, wél een boodschap

Voor meesterverteller P. de Zeeuw J. Gzn. was schrijven niet alleen ambacht. Hij beschouwde het als hoge roeping. ”Een jeugdschrijver heeft een verantwoordelijke taak, want hij werkt niet gering mee aan de opvoeding van kinderen, van ons volk dus.” En De Zeeuw kweet zich van zijn taak. Zijn oeuvre omvat meer dan 200 titels.

Jong geleerd, oud gedaan. Dat gold zeker de loopbaan van Piet de Zeeuw (1890-1968). Op zijn twaalfde schreef hij zijn eerste boekje, een historisch verhaal over de hooiplukkers van Lochem. Op zijn veertiende stond hij als kwekeling met akte voor de klas op een school in Slikkerveer tegen een jaarwedde van honderd gulden. Zijn onderwijzerschap legde hij neer bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, het schrijverschap hield hij vol tot kort voor zijn dood, zij het dat hij de laatste jaren slechts moeizaam de pen kon hanteren omdat hij als gevolg van een beroerte in 1966 zijn rechterhand niet meer kon gebruiken. De Zeeuw leerde alsnog het schrijven met de linkerhand. Wanneer ik als schooljongen op een zomeravond met een zucht een van De Zeeuws pennenvruchten onder mijn kussen schoof en nog even door het raam van mijn slaapkamer naar buiten keek, had ik altijd het uitzicht op het ouderlijk huis van De Zeeuw aan de Rijksstraatweg in Rijsoord. In dit plaatsje onder de rook van Rotterdam was de familie De Zeeuw een geslacht van aanzien, zij het dat je begin jaren zestig al kon spreken van vergane glorie. Piet de Zeeuw was een telg uit een geslacht van vlasboeren, die eind 19e eeuw in Rijsoord en omgeving behoorden tot de ”upper ten”. De familie stond bekend als welgesteld en goedgeefs. In het grote gezin van elf kinderen werd altijd rekening gehouden met de toevallige voorbijganger. Moeder De Zeeuw zette vaak een extra pannetje op het vuur voor de nabije buur die of het verre familielid dat in behoeftige omstandigheden verkeerde. Rond 1900 had de vlasteelt in ons land het zwaar vanwege de toenemende concurrentie van het Egyptisch katoen. Veel vlasboeren zochten naar andere mogelijkheden van bestaan. Toen in 1905 vader De Zeeuw de kans kreeg burgemeester van Ridderkerk te worden, deed hij zijn bedrijf van de hand. Het burgemeestersambt bekleedde hij tot zijn dood in 1923. De familie De Zeeuw behoorde tot de Gereformeerde Kerken en was met overtuiging antirevolutionair. ”Degelijke lui, integer, harde werkers en bezet met een grote studiezin,” zo herinneren bejaarde Ridderkerkers zich het gezin van de burgemeester.

Vonk

Vader J. G. de Zeeuw wilde graag dat zijn kinderen zich zouden inzetten voor kerk, staat en maatschappij. Daarbij drong hij er nogal op aan te kiezen voor het onderwijs. Vooral omdat het openbaar en bijzonder onderwijs aan het begin van de twintigste eeuw nog niet gelijkgesteld waren, was de keuze voor een baan in het christelijk onderwijs tegelijk de keus voor een karig belegde boterham. Vader De Zeeuw was bereid zo nodig uit eigen zak voor beleg te zorgen. Slechts bij één zoon sloeg de vonk over. Piet koos ervoor om voor de klas te gaan staan, een keus waar hij naar eigen zeggen nooit spijt van heeft gehad. Hij was zijn vader dankbaar voor de stimulans die hij hem had gegeven. Wellicht is de toevoeging J. Gzn. achter zijn naam een eerbetoon aan zijn pa. Als mensen namelijk vroegen waarom hij dit extraatje aan zijn naam toevoegde, antwoordde hij bijna altijd: ”Omdat ik een vader heb gehad die J. G. heette.” Kwam men daar later nog eens op terug, dan zei hij: ”Je moet niet zaniken, J. G. was mijn vader.” Piet de Zeeuw ging naar de Normaalschool, de opleiding voor onderwijzers. Als broekje van veertien jaar stond hij voor een klas van veertig leerlingen in het naburige Slikkerveer. In de volgende jaren werkte hij op scholen in Giessendam, Barendrecht en Ridderkerk. Na afronding van zijn studie aanvaardde hij in 1918 een benoeming aan een tweemansschooltje in Holk nabij Nijkerk. Zeven jaar later volgde zijn aanstelling als hoofd van de School met de Bijbel in Nijkerk. Dertig jaar lang stond hij daar voor de klas. Historische verhalen Ook al zat het schrijven Piet de Zeeuw al jong in het bloed, de drang om de pen op te pakken valt vooral vanuit zijn werk als onderwijzer te verklaren. De kinderen op school hunkerden keer op keer naar het moment dat de meester weer ging vertellen. Dan luisterden ze ademloos. Deze verhalen onthield meester De Zeeuw en thuisgekomen schreef hij ze op. Zo ontstonden historische jeugdboeken waarin het vooral ging om de tijd van de Reformatie. Bekende titels zijn: ”De tuinman van Ferrara” (over Calvijn), ”De pastoor van Jacobswoude” (Jan de Bakker), ”De galeislaaf van St. Andreas” (Knox) en vele andere. Voordat De Zeeuw het verhaal opschreef, verifieerde hij de historische context tot in detail. Hij beschikte daartoe over een privé-bibliotheek van duizenden werken op het terrein van geschiedenis, politiek en literatuur. Huize De Zeeuw kreunde onder de last van de boeken. Met zijn verhalen stond hij in de traditie van E. Gerdes: de hervormingsgezinden deden het altijd goed, de roomsen waren uitsluitend werkers van het kwaad. Laatstgenoemden hadden het alleenrecht op wreedheid en bedrog. Bijna altijd maakte hij in zijn verhalen gebruik van lugubere personen om de werken der duisternis van Rome extra accent te geven. Juist deze historische vertellingen hebben De Zeeuw binnen reformatorische kring bekendheid gegeven. Zijn boeken over geschiedenis zijn tot op de dag van vandaag te vinden in kerk- en schoolbibliotheken.

Lezende iets leren

Toch heeft De Zeeuw meer geschreven. Het eerste boek dat van hem werd gedrukt, was bijvoorbeeld niet gericht op de jeugd. Het verscheen in 1918 bij Drukkerij Libertas in Rotterdam en droeg de titel ”Om de bruid”. De Zeeuw droeg het op aan Henrietta Gerardina Voogel, met wie hij kort daarvoor in het huwelijk was getreden. Ten behoeve van het onderwijs schreef hij ”De mensch en z’n gezondheid”. Het boek droeg als ondertitel ”Hygiënisch leesboek voor de hoogste klassen van de l.o. en de u.l.o.-scholen met den Bijbel”. Alleen al de titel typeert de didactische opvattingen van De Zeeuw. Het was een leesboek, geen leerboek. De scholier moet al lezende iets leren. Ongedachte kennisoverdracht, omdat de aanpak meeslepend en prettig is. Vanuit diezelfde gedachte schreef De Zeeuw een leesboek voor de kerkgeschiedenis en publiceerde hij ”Bonte Bloemen”, een twaalfdelige serie leesboeken voor het christelijk onderwijs. Deze serie legde uitgever G. B. van Goor en Zonen in Den Haag beslist geen windeieren. Veel scholen maakten er gebruik van en de uitgave beleefde jarenlang herdruk op herdruk. Er verscheen zelfs een editie voor de christelijke scholen in onze rijksdelen in de Oost. Deze kreeg de titel ”Indische Bloemen”. Zowel de Nederlandse als de Indische boekjes zijn stukgelezen. De weinig overgebleven exemplaren zijn inmiddels felbegeerde verzamelaarsitems. Met de serie ”Oud Goud” kreeg de verteller uit Nijkerk ook buiten de kring van het christelijk onderwijs bekendheid. In deze reeks vertelde hij in sterk bekorte vorm klassieke verhalen na, zoals dat van de Vier Heemskinderen, de hut van Oom Tom, Robinson Crusoe, Pinokkio en Wilhelm Tell. Daarnaast verschenen in deze serie biografieën van onder andere Michiel de Ruyter, Willem van Oranje en Paul Kruger.

Oranjehuis

Naast het schrijven van zijn boeken was De Zeeuw ook actief als medewerker van kindertijdschriften. Hij schreef bijdragen voor bladen als ”Voor ’t jonge Volkje”, ”Hou Zee”, ”Meisjesleven” en ”Voor de jeugd”. Zijn trots was het blad ”Vrij en Blij”, waarvan hij jarenlang redacteur was. Toen De Zeeuw de redactionele teugels in handen nam, stond het blad er slecht voor. Het abonneeaantal liep fors terug. Dankzij het redacteurschap van de Nijkerkse schrijver kwam het tot een opleving die jarenlang standhield. Voor het Oranjehuis had De Zeeuw grote waardering. Met grote passie redigeerde hij het blad ”De paleispost”, een uitgave van De Branding in De Bilt. Daarnaast schreef hij negentien boeken over het leven en werk van Oranjes. De leden van ons vorstenhuis tekende hij als godvruchtige, sober levende mensen die bijzonder gesteld zijn op elkaar en veel waarde hechten aan een goed gezinsleven. Kortom, ze zijn een voorbeeld voor het volk.

Geen literator

Vanuit literaire kringen was er nogal eens kritiek op het werk van De Zeeuw. Recensenten vonden zijn werk beneden de maat. Zij namen hem verder kwalijk dat hij met het herschrijven van klassieke verhalen essentiële onderdelen wegliet. Ook zou hij te weinig aandacht schenken aan de psychologische ontwikkeling van de verhaalfiguren, al moesten ze toegeven dat De Zeeuw er steeds in slaagde een bepaald soort spanning in zijn boeken te brengen door gebruik te maken van historische gegevens. De Nijkerkse schrijver kon er niet wakker van liggen. Het ontbrak hem aan de tijd om zich op de kritiek te bezinnen. Hij was al weer bezig aan het volgende verhaal. Met een gemiddelde van vier boeken per jaar kon dat ook niet anders. Het ging De Zeeuw er ook niet om literaire hoogstandjes te leveren. Hij had het kind op het oog. Daarvoor schreef hij. Dat wilde hij iets meegeven. Een goed boek moest volgens hem een boodschap brengen, want het is geschreven voor ”mensen met een eeuwigheidbestemming.” Dat was zijn drijfveer, zonder dat hij die op een dikdoenerige manier wilde realiseren. ”Kinderboeken zijn geen preekjes, geen handboekjes van christelijke ethiek, maar stukjes natuurlijk christelijk leven, zoals men die alle dagen kan aantreffen in het rijk-genuanceerde leven onder de mensen, maar dan gezien door het oog van een kind, overdracht in een geest als die van een kind, geschreven in een vorm bevattelijk voor het kind.” Voor De Zeeuw was de sfeer bepalend voor het overbrengen van de boodschap. ”Verzaakt de schrijver zijn roeping iets over te dragen, dan geeft hij stenen voor brood.”