Amos Oz (1939-2018): Israëls geweten

Amos Oz. beeld EPA, ABIR SULTAN

Nadat Amos Oz in 1965 zijn eerste boek publiceerde, liet hij vrijwel elk jaar een roman of een bundel verschijnen. Vele werden direct in tientallen talen vertaald. Zo werd hij de bekendste schrijver van Israël. Vrijdag overleed hij op 79-jarige leeftijd.

Alleen in het Nederlands verschenen niet minder dan veertig van zijn boeken, vaak bezorgd door zijn vaste vertaler Hilde Pach. Oz wist, nadat hij in 1968 doorbrak met de roman ”Mijn Michaël”, wereldwijd literatuurliefhebbers aan te spreken door zijn zinderende taal, prachtige metaforen en psychologisch knappe tekeningen van fragiele relaties.

Zijn romans gaan over de Israëlische samenleving, met al haar idealen, spanningen en conflicten. Regelmatig breekt dit decor in op het plot en raken de romans verknoopt met de Israëlische geschiedenis. Verrassend is dat niet: Oz zelf belichaamde die geschiedenis als weinig anderen.

In 1939 werd hij als Amos Klausner geboren in Jeruzalem, als zoon van twee Oost-Europees-Joodse intellectuelen, liberaal, niet-religieus en rechts. Hij ervoer de kloof tussen de Europese cultuur van thuis en de Midden-Oosterse werkelijkheid. Maar evenzeer tussen het rechts-liberale zionisme en het dominante socialistisch-zionisme. Na de ingrijpende zelfmoord van zijn moeder ontvluchtte hij het ouderlijk huis en ging naar de kibboets Choelda, waar hij zich ontpopte als een uitgesproken linkse zionist. Om die overgang te markeren, veranderde hij zijn Europese achternaam in de veelzeggende Hebreeuwse achternaam Oz – kracht.

Sleutel

In zijn autobiografische roman ”Een verhaal van liefde en duisternis” (2004) blikte hij terug. Nu was hij zelf tot hoofdpersoon geworden – en opnieuw kon het leven niet losgemaakt worden van de context. De titel kan gelezen worden als een sleutel tot heel Oz’ oeuvre: in de levens die hij schetst gaat het om de kracht van de liefde, maar ook hoe duistere krachten dat vaak verstoren. De depressies van zijn moeder hadden hem al jong geleerd hoe mensen in de greep kunnen komen van boze geesten.

Liefde en duisternis hebben evenzeer betrekking op Israël. Oz was overtuigd van de betekenis van de staat en bleef het zionisme levenslang toegedaan. „Ik ben een Zionist”, zo zei hij al in 1968, „omdat ik niet wil en niet kan bestaan als een splinter van een symbool in de gedachten van anderen.” Overal in de wereld is de Jood de belichaming van stereotypen, alleen in Israël kan een jood volledig zichzelf zijn.

Vanuit die liefde voor Israël schuwde hij kritiek niet. Hij zag, vooral na de Zesdaagse Oorlog van 1967, ook duisternis in Israël. Oz nam waar hoe de bezetting van de Westbank en Gaza de samenleving in de greep kreeg en hoe Israëli’s blind werden voor de verlangens van de Palestijnen. In het Palestijns-Israëlisch conflict zag Oz „twee achtervolgde en neurotische partijen” die tegenover elkaar stonden en niet in staat waren zich te verplaatsen in de ander.

Eenzaam figuur

Het maakte Oz soms tot een eenzaam figuur. Hij zette zich met hart en ziel in voor de Israëlische vredesbeweging en bepleitte hartstochtelijk een tweestatenoplossing. Met evenveel passie verzette hij zich echter tegen wat hij zag als naïef links anti-zionisme, dat Joden een eigen staat ontzegt en hen daardoor opnieuw weerloos maakt.

Doordat hij meer dan menig ander de Israëlische geschiedenis belichaamde en toegewijd was aan de idealen van de Joodse staat, groeide Oz uit tot het publieke geweten van Israël. Dat schuurde en botste regelmatig, maar precies dat was hij aan zijn stand verplicht.

Zijn milde ironie, liefdevolle realisme en kritische blik zal Israël voortaan moeten missen. Wat rest is een indrukwekkend oeuvre dat het verdient om gelezen en herlezen te worden.