OpinieOpinie

Gereformeerde kerkleer hapert rond ”geestelijk” en ”zichtbaar”

De vrijgemaakte voorman Klaas Schilder schreef in februari 1952 in De Reformatie: „...dat kerkverband, waarvoor de Here Christus gebloed heeft”. Doelde hij hiermee op de onzichtbare kerk of op een concreet kerkverband?

Kerktoren steekt uit boven herfstbomen.
„Zolang de gereformeerde en de lutherse kerken nog in een span bleven lopen met de staat, zorgde de overheid voor de éénheid en spilfunctie van de kerk.” beeld gettyimages

De ecclesiologie (kerkleer) vormde een kernpunt van de reformatorische kritiek op de Rooms-Katholieke Kerk. De kerk mocht immers niet tussen God en de gelovige in staan. De kerk als instituut werd op een bepaalde manier aan de kant gezet. Maar tegelijk ook weer niet. Luther bleef namelijk op veel punten dicht bij Rome: de biecht en de bisschop bleven overeind. En ook het Genève van Calvijn was door de kerk als instituut gestempeld.

Abraham Kuyper vond het goed en natuurlijk dat er meerdere kerken naast elkaar bestaan

Volgens de gereformeerde kerkleer was de kerk, als zichtbaar instituut, niet essentieel maar toch wel onmisbaar. Daar zat spanning in. De echte hapering liet echter lang op zich wachten. Met name doordat de gereformeerde en de lutherse kerken nog eeuwenlang in een span bleven lopen met de staat. Dat zien we ook terug in artikel 36 van de NGB: de overheid moet de kerk beschermen, afgoderij uitroeien en dwaling bestrijden. Zo zorgde de overheid voor de eenheid en de spilfunctie van de kerk.

Versnippering

Maar kerk en staat groeiden uit elkaar. De echte hapering kwam daarbij onomstotelijk aan het licht. In de loop van de 18e eeuw tekende zich dat al af. En in 1848 kreeg Nederland een scheiding van kerk en staat. Juist in deze tijd begonnen de eerste scheuren in de kerk zich te vertonen. In 1834 begon de Afscheiding. Dat was de start van twee eeuwen versnippering van de Nederlandse kerk.

Ook bij Klaas Schilder hoeft ‘Urk’ niet hetzelfde te zijn als ‘Rotterdam’

Daarmee mondde de spanning in de gereformeerde kerkleer uit in een haperende motor. Er was niet meer de éne zichtbare kerk. Er kwamen kerken. De Kerk met een hoofdletter werd nu veelmeer een onzichtbaar en ongrijpbaar geheel. Abraham Kuyper was een centrale figuur in deze ontwikkeling.

Steigerwerk

Kuyper juichte de scheiding van kerk en staat toe en doordacht die. Hij onderscheidde de kerk als organisme van de kerk als instituut. Het organisme was de essentie, de echte kerk. De gelovigen overal verspreid op aarde. De kerk als instituut was slechts het steigerwerk, de tijdelijke ondersteuning. Met Woord en sacrament, bediend in de kerk als instituut, werd het organisme gevoed. Voor Kuyper was dit erg belangrijk. Het instituut was hem dan ook veel waard. In zijn colleges over de eenheid ging die eenheid over de essentie van de kerk, het inwendige, niet over de kerk als instituut.

Zijn hele leven hamerde Klaas Schilder op eenheid met de Christelijke Gereformeerde Kerken

In Kuypers visie is het goed en natuurlijk dat er meerdere kerken naast elkaar bestaan. De eenheid ligt dan in de gedeelde stam en in Christus als het hoofd. Inmiddels is deze visie gemeengoed onder protestantse christenen. Er is nu eenmaal een lappendeken van kerken in ons land. De éne kerk, de ”una sancta”, is er slechts in geestelijke zin. Dit is de hapering in de gereformeerde kerkleer.

„Opdat zij allen één zijn”

De vrijgemaakte voorman Klaas Schilder schreef in februari 1952 in De Reformatie: „...dat kerkverband, waarvoor de Here Christus gebloed heeft”. Doelde hij hiermee op de onzichtbare kerk of op een concreet kerkverband?

Om deze uitspraak op waarde te schatten moeten we Schilders visie op de kerk goed begrijpen. Hij is bekend geworden met de ”warekerkgedachte”. Je vindt die gedachte trouwens niet alleen bij de vrijgemaakten maar ook in de NGB (art. 29), bij andere gereformeerde kerken en misschien nog wel het duidelijkst bij de bisschop van Rome.

Wat bedoelde Schilder met zijn uitspraak? Op Schilders grafsteen, in IJsselmuiden, staat een tekst uit Johannes 17: „Opdat zij allen één zijn.” Meer dan wat ook is dit de kern van Schilders kerkleer.

Het hart van Schilders theologie is de concreetheid van het heil. Het gaat God in zijn heil niet alleen om de nieuwe aarde straks, maar ook om de aarde nu. Hierin was hij voluit kuyperiaan. Maar nu preste Schilder zijn grote leermeester om die concreetheid ook op de kerk toe te passen. Schilder wilde over de kerk denken in concrete termen, niet abstract. De kerk is bij uitstek de plek waar Gods heil zich in de historie uitwerkt. Concreet, tastbaar, zichtbaar, lichamelijk. Natuurlijk heeft de kerk onzichtbare, geestelijke kanten, maar die mogen nooit worden losgemaakt van de zichtbare kerk.

En natuurlijk heeft de kerk een organische kant. Maar het eigenlijke van de kerk is toch het institutionele, het concrete samenkomen van de gemeente, het concrete belijden van de kerk op zondag, haar onderwijs in de catechisatie. Dat is kerk.

Altijd in beweging

De eenheid van de kerk moeten we dus concreet denken. Geen oecumene van het hart. Geen geestelijke verbondenheid. Het moet echte kerkelijke eenheid zijn, eenheid van belijden van Christus. Kerkelijke verdeeldheid zonder dat dit op het spel staat, kan en mag dus niet. Vervolgens kan er grote veelvormigheid zijn in de kerk. Ook bij Schilder hoeft ‘Urk’ niet hetzelfde te zijn als ‘Rotterdam’. Maar als er in een plaats twee kerken zijn die hetzelfde belijden maar niet één zijn, dan klopt daar niets van.

Christus heeft zijn bloed vergoten, ook voor het kerkverband, schreef Schilder. Daarmee lijkt hij een soort rooms-katholieke kerkvisie aan te hangen, met de gereformeerde, later de vrijgemaakte kerk als zichtbaar instituut, essentieel voor je heil.

Dat is niet zo. Want Schilder spreekt ook van dynamiek in zijn kerkvisie. De kerk is nooit statisch maar altijd in beweging, onderweg van schepping naar voltooiing. De onderscheiding tussen de kerk als organisme en de kerk als instituut komt bij Schilder terug in deze dynamiek. Ook Schilder begrijpt dat niet iedereen die nu in de kerk zit uitverkoren is. Hij begrijpt ook dat er uitverkorenen zijn buiten zijn vrijgemaakte of gereformeerde kerk. Dat herhaalt hij regelmatig.

Wie er uitverkoren zijn, is een kwestie van de eeuwige raad van God. Daar hebben we in de tijd weinig mee van doen. Hier hebben we van doen met Gods kerkvergaderend werk. Met zijn opdracht tot eenheid, tot liefde, tot cultuur, tot heiliging.

Eruit gezet

Dit betekent dat een rusteloze ijver tot concrete kerkelijke eenheid onze roeping is. Schilder ging in zijn optiek niet de kerk uit maar werd eruit gezet. Zijn hele leven hamerde hij op eenheid met de Christelijke Gereformeerde Kerken. Want eenheid in belijden moet eenheid van kerk zijn. Als Schilder zegt dat Christus zijn bloed heeft vergoten voor het kerkverband, doelt hij dus op dat concrete van de eenheid.

De auteur is universitair hoofddocent theologie van het neocalvinisme aan de TUU. Dit artikel is een samenvatting van zijn lezing getiteld ”Het kerkverband en de haperende gereformeerde ecclesiologie”, die hij op 3 oktober hield op het symposium ”Ontmoetingen tussen bevindelijk-gereformeerde en neocalvinistische theologie” in Apeldoorn.