Kerk & religieNeocalvinisme

Dr. Van Egmond: Augustinus zag zichzelf, ook als kind, als gelovig

Kerkvader Augustinus zag zichzelf, in later jaren terugblikkend op zijn vroege jeugd, wel degelijk als een gelovig kind, zei dr. B. van Egmond vrijdag op een door uitgeverij De Banier belegd symposium.

Twee mannen, in pak, met elkaar in gesprek.
Bezoekers van het symposium over bevindelijk-gereformeerde en neocalvinistische theologie, vrijdag in Apeldoorn, met elkaar in gesprek. Links dr. C.S.L. Janse, oud-hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad, rechts ds. T.A. Bakker, hersteld hervormd predikant te Giessendam-Neder-Hardinxveld-Sliedrecht. beeld André Dorst 
Man in donker pak, lachend, met das, bril en klein baardje.
Dr. B. (Bart) van Egmond, predikant in de gereformeerde kerk vrijgemaakt te Capelle-Noord. beeld André Dorst

„Hoe benader je een kind dat in het verbond van God geboren is?” Dr. B. van Egmond, predikant van de gereformeerde kerk vrijgemaakt in Capelle-Noord, gaat er niet van uit „dat het wedergeboren ter wereld is gekomen omdat het een verbondskind is”. Toch heeft hij „de neiging” zijn opgroeiende kinderen „te zien als gelovigen”.

Dat het niet zo vreemd is dat hij dit doet, illustreerde hij vrijdag, op een door uitgeverij De Banier georganiseerd symposium in Apeldoorn, aan de hand van het leven van Augustinus. Dr. Van Egmond ging in zijn lezing in op hoe Augustinus, die „ver van God is afgedwaald en een bewogen bekeringsweg heeft gehad”, later spreekt over zijn geloof als kind. Ook besprak de predikant hoe enerzijds neocalvinistische en anderszijds bevindelijk-gereformeerden over de bekering van Augustinus hebben geschreven.

Maagkrampen

Neocalvinistische theologen als J. Geelhoed en A. Sizoo gaan wel in op het moment dat Augustinus als jongen eens zulke sterke maagkrampen had dat hij meende te gaan sterven en dat hij vervolgens, vanuit een sacramentalistische doopopvatting, om de doop vroeg; maar zij verbinden daar geen vergaande conclusies aan.

Als de christelijke gereformeerde ds. A.J.T. Ruis over de jeugdige kerkvader schrijft, merkt deze, aldus dr. Van Egmond, op dat Augustinus wel „indrukken kreeg, maar dat indrukken niet verward moeten worden met echte bekering tot God”. Iets vergelijkbaars zegt de bevindelijk-gereformeerde schrijver S. Nentjes.

„Kerkvader schrijft dat hij zich het heil toe-eigende aan de borst van zijn moeder”

Dr. B. van Egmond, predikant gkv Capelle-Noord

Toch, als we kijken naar hoe Augustinus op latere leeftijd over zijn jeugd schrijft, vinden we iets anders, aldus de predikant uit Capelle aan den IJssel. De kerkvader stelt in zijn Confessiones „dat hij zich als kleine jongen het heil toe-eigende aan de borst van zijn moeder” en dat hij vanaf dat moment „de Naam van Christus Zijn Verlosser diep in zich bewaarde”.

Bovendien beschrijft Augustinus zelf zijn latere vraag om gedoopt te worden „als een uiting van oprecht geloof in Christus, want hieruit bleek volgens hem dat God zijn behoeder was geworden”.

Schema

Wat we hiervan kunnen leren, is in elk geval „dat we Augustinus niet moeten proberen in te passen in een schema waarin de vraag centraal staat wanneer hij echt bekeerd was of wedergeboren”, aldus dr. Van Egmond. Tegelijk bewaart een goed lezen van Augustinus ons voor „een benadering van het geloof van de mens als iets om in te rusten, dat gelovigheid een menselijke eigenschap wordt die ons zelfgenoegzaam maakt”, zei de predikant. „Dat is, als ik het goed zie, de terechte angst van de bevindelijk-gereformeerde traditie ten opzichte van de neocalvinisten.”

Uitgeverij De Banier had het symposium, waaraan zo’n tachtig mensen deelnamen, georganiseerd naar aanleiding van de publicatie van twee boeken. Het betreft een heruitgave van het boek ”Blijmoedig belijden” van H. Bavinck, en het boek ”Robbedoezen”, waarin Gerjanne van Lagen een veertigtal „waardevolle opvoedingsadviezen” van de neocalvinistische pedagoog prof. J. Waterink doorgeeft.

Man met witte baard, in witte wollen trui, met microfoon in de hand. 
Ds. Rob Visser stelt een vraag op het symposium over bevindelijk-gereformeerde en neocalvinistische theologie, vrijdag in Apeldoorn. beeld André Dorst

„Het gaat ons vandaag niet om confrontatie, maar om een eerlijke ontmoeting”, zei dr. H.T. Wendt, die de bijeenkomst ’s morgens opende. Het symposium was ook aangekondigd als ”Ontmoetingen tussen bevindelijk-gereformeerde en neocalvinistische theologie”. Dr. Wendt, predikant van de gereformeerde kerk vrijgemaakt te Urk, leidde uit 1 Korinthe 4 de „dubbele regel” af dat christenen, uit welke denominatie ze ook komen, „niets moeten bedenken boven wat er geschreven staat, en dat niemand opgeblazen mag zijn tegen de ander”. In het seculariserende Nederland van vandaag worden „neocalvinisten en bevindelijk-gereformeerden naar elkaar toegedrongen”, zei hij.

Upgraden

Man met bril en baardje, in donker pak, staat voor in een zaal, met microfoon in de hand.
Ds. T.A. Bakker beantwoordt vragen op het symposium over bevindelijk-gereformeerde en neocalvinistische theologie, vrijdag in Apeldoorn. beeld André Dorst

Dr. Wendt hield ’s middags een lezing over overeenkomsten tussen de cultuurvisie van Ewald Mackay en Harmen Westerink. Een andere voordracht op deze dag ging over de doop- en verbondsbeschouwing van prof. J. Kamphuis, die prof. dr. W. van Vlastuin, rector van het Hersteld Hervormd Seminarium, wilde „upgraden” naar „een voluit trinitarisch doopbegrip”. Verder sprak ds. T.A. Bakker, hersteld hervormd predikant te Giessendam-Neder-Hardinxveld-Sliedrecht, over ”Reformatorische reflecties op Bavincks avondmaalsleer”, en hield dr. J.M. de Jong, hoofddocent aan de Theologische Universiteit Utrecht (TUU), een referaat over ”Het kerkverband en de haperende gereformeerde ecclesiologie”.

Man met bril, in donker pak, staat voor in een zaal, met microfoon in de hand.
Prof. dr. W. van Vlastuin beantwoordt vragen op het symposium over bevindelijk-gereformeerde en neocalvinistische theologie, vrijdag in Apeldoorn. beeld André Dorst

„Ds. Holland spoort hoorders aan tot belijdenis van het gebroken hart dat het niet kan en niet wil geloven”

Dr. P.C. Hoek, docent Hersteld Hervormd Seminarium

Man in donkergrijs pak, met bril en blauwe das.
Dr. P.C. Hoek. beeld André Dorst

Dr. P.C. Hoek, docent homiletiek aan het Hersteld Hervormd Seminarium, vergeleek preken van de neocalvinistische ds. J.C. Sikkel en ds. B. Holwerda enerzijds met die van de bevindelijk-gereformeerde ds. C.B. Holland en ds. G. Boer. „Ds. Holland dringt in zijn preken sterk aan op het hart, maar dat is veelal een aandringen om te onderkennen en te erkennen of men deelt in het heil of niet. In dat laatste geval spoort hij de hoorder aan tot overgave aan Christus, juist opdat de belijdenis van het verbroken hart zal zijn dat het niet gelooft, dat het dat niet kan, dat het dat niet wil”, aldus de Amsterdamse theoloog.

Volgens hem zit op dit punt, als het om het homiletische gesprek gaat, „een van de dringendste issues”. Dr. Hoek: „In de preken van Sikkel, maar nadrukkelijk in die van Holwerda, lijkt sprake te zijn van een veronderstelde mogelijkheid tot geloof van de kant van de hoorder.”

Ontdekkend

Het symposium in Apeldoorn werd afgesloten met een beschouwing door prof. dr. H. van den Belt, hoogleraar systematische theologie aan de Vrije Universiteit een aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA). „Ik heb veel gehad aan Bavinck”, zei de hoogleraar, „die onder meer stelde dat ook in de gemeenteprediking het ontdekkende element niet mag ontbreken.”