Cultuur & boekenWaar is Louise?

Puzzelverhaal: De reis van Louise #4

Fictie

Deze zomer plaatsen we wekelijks een aflevering van het puzzelverhaal ”De reis van Louise”. Hoofdpersoon Louise maakt in de loop van het verhaal een lange tocht door Nederland. De vraag is elke week: Waar is ze nu? Puzzel mee en maak kans op een boek. Deze week aflevering 4: Denk slimmer, ren sneller.

Website header puzzelverhaal deel 4

Er staat niets in de krant en dat is vreemd. De gezette, oudere vrouw die in de trein naast haar zit heeft een tijdje in haar Volkskrant zitten lezen, en Louise heeft met een schuin oog meegekeken. Niets op de voorpagina, niets op de volgende pagina’s, niets in het achtergrondkatern.

Hoe is dat mogelijk? Als de inhoud van het pakje dat zij in haar rugzak met zich meedraagt écht gestolen is, dan zou dat toch groot nieuws zijn? Dat kan toch niet anders, met zoiets bekends? Of zouden ze het bewust stilhouden, zou er alleen achter de schermen een groot politieonderzoek zijn opgestart?

Ze voelt zich onrustig worden van die gedachte.

Als dat zo is, dan zijn Mark, Boris en de onbekende man niet de enigen die naar haar op zoek zijn. Als ook de politie meekijkt, kan ze straks zéker geen treinkaartje kopen voor de verdere reis. En ook geen geld meer pinnen, of überhaupt met een bankpas betalen. Dan moet ze op haar bestemming zien te komen zonder ook maar ergens online sporen achter te laten.

Honderd keer heeft ze het afgewogen. Zal ze gewoon naar het dichtstbijzijnde politiebureau gaan om daar de riskante inhoud van haar rugzak af te geven? Of toch doorzetten en zelf het pakje terugbrengen naar waar het hoort?

Ze kan niet anders dan dat laatste doen, denkt ze. Om Mark te beschermen.

Ze weet niet wat hij gedaan heeft. Misschien was hij alleen degene die hand-en-spandiensten verleende, misschien loopt het allemaal wel los. Maar ook als er maar één procent kans is dat hij iets strafbaars gedaan heeft… Ze kan dat risico niet nemen.

„Mag ik er even langs?” zegt haar buurvrouw, terwijl ze zich overeind hijst. „Ik moet naar de wc.”

Louise kijkt opzij en knikt, terwijl ze overeind komt.

De vrouw zet haar rugzak op de zitting, de opgerolde krant in het zijvak. Het boekje dat ze een paar minuten geleden tevoorschijn gehaald heeft, legt ze er opengeslagen bovenop. Ze worstelt zich langs Louise heen en loopt door het gangpad van de trein in de richting van het toilet.

Louise gaat weer zitten, maar ze kan haar ogen niet van het boekje afhouden. ”De allermooiste wandelroutes van Nederland” heet het, en er staan overzichtskaartjes in. Dat heeft ze net gezien, toen ze met een schuin oog mee zat te kijken terwijl haar buurvrouw bladerde.

Als ze íéts dringend nodig heeft, is het wel een kaart van Nederland. Hoe kan ze anders haar weg vinden, misschien wel gedeeltelijk lopend of liftend? Ligt Utrecht op haar route, of Arnhem, of Den Bosch? Ze schaamt zich een beetje dat ze het niet weet, zij, die straks voor de klas staat en de plekken op de kaart van Nederland feilloos aan moet wijzen. Maar ze is zo gewend aan Google Maps binnen handbereik…

Ze kijkt naar haar hand die –alsof hij een eigen wil heeft– in de richting van het boekje beweegt. Het voelt glad aan onder haar vingers. Ze slaat de inhoudsopgave op, bladert gehaast verder naar de pagina met ”Wandelroutes Oost”.

Het is maar een klein kaartje, maar het is beter dan niets. Zonder verder nadenken scheurt ze de pagina uit het boek, in één haal. En nu ze toch bezig is – de ”Wandelroutes Midden” kan ze misschien ook wel gebruiken.

Als haar buurvrouw terugkomt ligt het boekje weer precies zoals het lag, opengeslagen boven op de rugzak. Niemand ziet dat er nu een briefje van tien euro in het zijvakje van de rugzak zit.

Kan ze daar haar geweten mee sussen, dat ze geld gegeven heeft in ruil voor twee kaartjes?

Of lijkt ze toch meer op haar broer dan ze zelf altijd gedacht heeft? Mark, die altijd wel een manier wist om wat hij gedaan had glad te strijken en goed te praten? Omdat hij alles altijd met de beste bedoelingen deed? Hun vader had hem bij zulke gelegenheden herhaaldelijk het spreekwoord ”Het doel heiligt de middelen” uitgelegd. En gezegd dat dat geen goede en geen christelijke leefregel was.

Maar of dat geholpen had?

Ze wou dat ze wist waar Mark nu weer in verzeild was geraakt.

De perrons in Nijmegen zijn overdekt met grote, ouderwetse, gietijzeren perronkappen. Er valt een zacht, gefilterd licht over het perron. Achter haar buurvrouw uit de trein stapt Louise uit, voegt zich in de mensenstroom richting de uitgang.

Bij de trappen naar beneden staat een jongen van een jaar of achttien met een donker omrande bril, die de reizigers aandachtig lijkt op te nemen. Ook haar. Ze ziet hoe hij zijn telefoon pakt, terwijl hij naar haar blijft kijken.

Als ze hem voorbij is, kijkt ze om. Hij heeft zich omgedraaid en kijkt nu opnieuw in haar richting. Maar hij maakt geen aanstalten om van zijn plek te komen. Hij staat daar alleen maar te bellen.

Ze kan bij de kiosk op het volgende perron komen om koffie te kopen. Maar het station uit kan alleen door de poortjes. Daarvoor moet je een vervoersbewijs scannen, en dat heeft ze niet.

Ze had gedacht dat je hier in Nijmegen misschien nog wel kaartjes kon kopen bij iemand achter een loket. En dan contant betalen. Maar dat kan niet. Er is geen servicebalie meer, zegt de man van de kiosk.

Wat nu?

Gewoon verder reizen zonder kaartje? De overtredingen stapelen zich wel op, op deze manier… Maar ze moet wat, en hier blijven kan ze niet.

De eerste trein naar het noorden dan maar.

Aarzelend kijkt ze om zich heen. Het lijkt wel of er iets niet goed is. Ze kan er de vinger niet op leggen, maar ze heeft geleerd haar intuïtie te vertrouwen.

Toch lijkt alles gewoon. Ze kan niets bijzonders ontdekken.

Als ze terugloopt, van de kiosk opnieuw naar het perron waar ze aankwam, ziet ze dat de intercity naar Arnhem net vertrokken is. Maar de stoptrein staat klaar. Eigenlijk is dat ook beter: zo kan ze altijd uitstappen, als er in de verte een conducteur aankomt.

Ze steekt haar hoofd naar buiten, kijkt langs de trein. De deuren gaan dicht. Alleen de hunne is nog open.

Als de trein begint te rijden, ziet ze op het perron nog steeds die jongen staan, die jongen met de donkere bril, de telefoon aan het oor. Als ze nu eens geraden hebben dat ze uiteindelijk hoe dan ook op het station van Nijmegen zou belanden? Als ze iemand op de uitkijk hebben gezet?

De jongen met de bril kijkt naar de trein. Ziet hij haar?

Het duurt niet lang voor ze het antwoord op die vraag weet.

Vlak achter de conducteur staat ze. Haar hart bonst. Als ze ook maar één seconde te laat reageert, zit ze dik in de problemen.

Hier, op dit kleine station tussen Nijmegen en Arnhem, zag ze hem langs de ramen van de trein lopen. Boris. Ze weet niet zeker of hij haar ook gezien heeft – half verscholen achter een stukje wand tussen twee ramen. Maar hij is in de trein gestapt en dat voorspelt weinig goeds. Straks, als de deuren dichtgaan, zit ze in de val. Als ze niet heel snel reageert.

De conducteur blaast op zijn fluitje. Dit is het moment.

Ze steekt haar hoofd naar buiten, kijkt langs de trein. De deuren gaan dicht. Alleen de hunne is nog open.

„Pas op mevrouw”, zegt de conducteur, „we gaan vertrekken!”

Louise haalt diep adem. Dan duwt ze de arm van de conducteur weg en springt uit de trein, holt het perron af.

De conducteur kijkt haar verbouwereerd na, besluit dan dat de trein evengoed kan vertrekken. De deuren blijven dicht.

Als Louise omkijkt ziet ze de trein in beweging komen.

Het perron is leeg, op een paar moeders met kinderen na.

Boris moet nog aan boord zijn.

Daar staat ze nu, op een klein station. Ze kan niet zomaar de volgende trein nemen. Ze weten waar ze heen gaat, ze moeten haar eindbestemming sowieso hebben geraden. Wat nu? Ze slentert over het perron, de trap af –hier gelukkig geen poortjes!– en ziet dan een grote plattegrond aan de overkant staan. Dat is tenminste íéts.

Ze moet Mark en Boris en alle anderen een stap voor zijn. Slimmer denken, sneller reizen. Maar ze weet niet of het op deze manier lukt om vandaag nog op haar bestemming te komen. Het is al laat in de middag, de stationsklok wijst tien voor vier.

Misschien moet ze proberen te liften. Maar de rivier die ze, zo op de kaart te zien, eerst moet oversteken is gelijk al een struikelblok. Een stukje lopen dan maar? En dan met de pont over de rivier, en daarna liften?

Er zit niet veel anders op.

Ze hijst de rugzak op haar rug en zet er de pas in. Maar ze voelt dat ze vandaag al de nodige kilometers gemaakt heeft. Het gaat niet meer vanzelf. De rugzak weegt zwaar, haar ene hiel begint pijn te doen. Maar er zit niets anders op dan doorzetten. Eerst een stuk naar het westen, tot aan het eerstvolgende dorpje, en dan door de bebouwde kom naar het noorden. Daar ligt de rivier.

Bijna drie kwartier later nadert ze een kerk met een mooie toren. Rooms-katholiek, zo te zien. De deur staat open. Er ligt een rustig pleintje omheen, en bij de ingang zijn uitnodigende, brede traptreden. Daar kan ze even gaan zitten om uit te rusten en de banaan uit haar rugzak op te eten.

„You from Poland?” vraagt hij, nadat hij de eerste rook uitgeblazen heeft

Ze heeft zich amper geïnstalleerd, als er een onopvallend geklede man naar buiten komt. Iemand van het parochiebestuur? Een pastoraal werker? Een vrijwilliger? Hij knikt haar toe, terwijl hij aan de andere kant van de traptreden tegen de muur leunt en een sigaret opsteekt.

„You from Poland?” vraagt hij, nadat hij de eerste rook uitgeblazen heeft.

Louise schudt zwijgend haar hoofd, ietwat bevreemd.

„Er komen hier veel Polen”, zegt de man, nu in het Nederlands. „Voor de tentoonstelling in de kerk. De Polen zijn hier in 1944 geland, met parachutes. De Eerste Poolse Onafhankelijke Parachutistenbrigade. Voor de Operatie Market Garden.”

Hij ziet het onbegrip op haar gezicht en verduidelijkt: „De Slag om Arnhem, weet je wel?”

Louise durft niet te zeggen dat haar dat nog altijd niet veel zegt. De Tweede Wereldoorlog, dat weet ze natuurlijk. En ze weet dat de bevrijding in 1945 was. En dat er iets was met die Hongerwinter, toen het gebied boven de rivieren nog bezet was en onder de rivieren al bevrijd. Maar hoe en waar er precies allemaal gevochten is?

Haar buurman heeft evenwel geen aanmoediging nodig. Hij vertelt over de tentoonstelling in de kerk, over de jaarlijkse herdenkingsbijeenkomst, over de bijzondere band van het dorp met de Polen.

Louise weet uiteindelijk niets beters te doen dan op te staan. „Ik zou het graag willen bekijken”, zegt ze, „maar dan een andere keer. Ik moet nu verder.”

Oplossing gevonden? Stuur je antwoord in via puzzel@rd.nl en maak kans op een prijs.

Dit is de vierde aflevering van een vervolgverhaal dat de hele zomer duurt. Volgende week deel 5: Geschiedenis is geen spelletje.

Denk slimmer, ren sneller