Jeugdpsychiater Peter Adriaenssens: Tijdens het gesprek aan tafel knutsel je aan het kompas van je kind
In de puberjaren krijg je de kladversie van je kind te zien, weet de Vlaamse psychiater Peter Adriaenssens. Het allerbelangrijkste in die tijd is: hou van je kind, blijf praten. Het kwartje gaat ooit vallen, echt waar.

Moeiteloos lepelt kinder- en jeugdpsychiater Peter Adriaenssens denkbeeldige gesprekjes op tussen ouders en hun puber. Uit de woorden van de gepensioneerde hoofddocent van de KU Leuven klinkt een grote compassie voor tieners en jongeren. Een dag voordat hij naar Spanje vertrekt voor een fietsvakantie maakt hij tijd vrij voor een interview, via een onlineverbinding.
Hij zit – gekleed in een witte coltrui – voor een levendige, goedgevulde boekenkast, waarin de boeken en papieren elkaar ternauwernood op de juiste plek houden. Een kalender met foto’s hangt in het zicht, net als enkele poppen. Sinds 2024 speelt Adriaenssens voorstellingen voor volwassenen over trauma en herstel. Ook houdt hij nog twee dagen per week praktijk in Berchem.
Vorig jaar verscheen zijn boek ”De flexgeneratie”, **„**een leidraad om flexibeler door die woelige puberperiode te navigeren”. Zijn eerste opvoedboek, ruim dertig jaar oud, was een soort quizboek met antwoorden, zegt hij. Sindsdien is er enorm veel veranderd. Omgaan met alles wat op pubers afkomt – een instabiele wereld, fakenieuws, mentale problemen – vergt nieuwe vaardigheden. Deze week concludeerde het (Nederlandse) Commissariaat voor de Media nog in een rapport dat mensen zich door het gebruik van sociale media en hun feeds minder goed een vrije en geïnformeerde mening vormen. Verwarrende en misleidende informatie en de macht van het algoritme hebben impact op jongeren.
Los van die maatschappelijke ontwikkelingen is er inmiddels veel meer bekend over het brein, weet Adriaenssens. „Elke set hersenen is anders. We kunnen dus niet simpel zeggen: opvoeden moet zo.”
Een pasklaar stappenplan ontbreekt in ”De flexgeneratie”, wel is er een steeds terugkerend refrein. Op z’n Vlaams: „Zie je kind graag.” We mogen jongeren best wat meer waarderen, vindt de bekendste kinderpsychiater van Vlaanderen. „En waak er vooral ook voor om je eigen pessimisme door te geven.” Hij voelde boosheid opkomen toen NAVO-baas Rutte eind vorig jaar waarschuwde dat de Russen binnen vijf jaar Europa kunnen aanvallen. „Want ik weet welk effect dit heeft. Tieners die zeggen: Nou, dan hoef ik ook niet te studeren. Als ze me toch naar de frontlijn sturen …”
Praat liever over kansen en doelen, vindt hij. „Vraag: Wat gaan wij doen voor deze wereld? Als volwassenen hebben we de plicht om hoop te bieden aan jongeren!”
In uw boek klinkt een verrassend pleidooi: Ga als gezin weer dagelijks samen aan tafel.
„Het aantal tieners dat zijn eten meeneemt en ergens voor een scherm gaat eten is veel te groot. Het is het meest simpele wat ouders kunnen doen, hè: ervoor zorgen dat je samen aan tafel zit, maar het gebeurt steeds minder. Aan tafel is de plek waar je praat: Hoe was je dag, hoe was die voor papa en mama, wat is er gaande in de wereld?”
Waarom is dat belangrijk?
„Wat je tijdens een gesprek eigenlijk aan het doen bent, is knutselen aan het kompas van je kind: wat vinden wij goed en wat niet? Want iedere jongere staat vandaag voor het probleem dat op internet elk denkbaar antwoord te vinden is.
Het beloningscentrum in de hersenen van tieners is daarbij heel vatbaar voor beïnvloeding en verslaving. Dat zie je bij games, bij alcohol, maar ook bij influencers. Ontwikkelaars van sociale media mikken daarop. Benoem dat zeker richting tieners: Ik vind het verschrikkelijk wat die volwassen makers doen.”
Je kunt kinderen helpen door steeds het gesprek aan te gaan, benadrukt Adriaenssens. „Zeg: „Het was in het nieuws dat iemand vreselijk werd gepest op school. Ik zou het heel erg vinden als jullie zoiets zouden doen. Of als het jullie zou overkomen … Zouden jullie het mij dan komen zeggen?” Ik geef op zo’n manier aan hoe de balans van goed en kwaad voor mij werkt. Dat moeten ze vaak horen, in een wereld waarin van alles te vinden is.”

In zo’n gesprek kun je heftige uitspraken horen van je puber.
„In de eerste plaats: wees fier als je kind de vrijheid voelt om dingen tegen je te zeggen. Hij had zijn mening achter de kiezen kunnen houden. Dat gebeurde in eerdere generaties. Nu krijgen ouders vaker krasse dingen te horen. Zeg: „Dit is heftig, maar wow, ik ben blij dat je het me zegt.” Zo kan er een gesprek ontstaan. Het is heel makkelijk om – ik noem maar wat – te zeggen: Dit soort mensen moet het land verlaten_._ Maar als de gesprekspartner vervolgens zegt: „Ik ben wel verrast, leg mij uit waarom?”, dan ontdekt de jongere dat er diepgang moet zijn. Dan hoor ik die redenering en dan zeg ik: „Ah, oké, ik begrijp nu dat je bang bent dat er straks geen werk meer voor jou is. Is dat wat je eigenlijk wilde zeggen? Want ik vind het pijnlijk als dat verbonden wordt aan een groep mensen. Maar ik begrijp wel jouw zorg.” En we kunnen verder.
Veel van de huidige volwassenen kregen als kind en jongere te horen: „Zoiets moet je niet zeggen.” Niet effectief, want het emotiecentrum in ons brein laat dan meteen een gordijn zakken: Oké, ik moet dus niet praten. Maar als je het gesprek aanmoedigt, dan kun je ontdekken wat er achter die stevige uitspraken zit. Dan blijven de hersenen van de ander luisteren.”
U pleit voor gezamenlijk eten, stipt de teloorgegane vaste rustdag aan … Zijn we gewoonten kwijtgeraakt die eigenlijk heel goed zijn?
„Jawel. Onze hersenen genieten van structuur. Samen ontbijten, dat je kind weet wie er thuis is als het uit school komt … Als je over zulke dingen verder niet hoeft na te denken, geeft dat stabiliteit aan je brein. En met een vaste basis ontstaan er gemakkelijker nieuwe verbindingen in je hersenen.”
Een duidelijke levensfilosofie is een pre, zegt u. Is opgroeien in een religieus milieu dat dus ook?
„Iedereen groeit op in een milieu, of dat nu religieus is of niet. Het ene milieu is zich misschien wel meer bewust van wat het zijn kinderen aanbiedt dan het andere. Duidelijkheid is altijd een voordeel, maar de vraag is: is er ook een bepaalde mate van openheid? Als je in het achterhoofd houdt dat een puber gebaat is bij structuur en bij experimenteerruimte, zit je goed.
Het is normaal dat tieners vragen hebben over keuzes van hun ouders. Ik vergelijk die fase soms met kleedhokjes in een kledijzaak: ze proberen dit eens, dat eens en ergens tussen de 18 en 25 jaar landen ze.
De uitdaging is om in die ontwikkeling geen bedreiging te zien. Stel dat een kind van 14 zegt: „Ik vind dat wij ook oorlog moeten voeren.” Dan kun je als ouders onmiddellijk denken: nee, welke ideeën heeft hij? Maar hij is nog maar 14, hè? Tussen je 14e en 16e is ongeveer 60 procent van je brein klaar. Er is nog een hele weg te gaan. Dus ja, we moeten over zo’n kwestie discussiëren, maar zo’n gesprek niet reduceren tot: Als jij zulke standpunten hebt, dan kom je hier niet meer binnen. Door te papegaaien wat je ouders zeggen, gaan waarden bovendien geen deel uitmaken van je eigen pakket.”
Stamboom
In zijn praktijk stuurt Adriaenssens tieners graag naar hun grootouders om een stamboom te maken. Zingeving zit wat hem betreft ook in het delen van levensverhalen. Hij laat de tieners uitzoeken of er familieleden zijn die met problemen kampten. Oorlog, ziekte, suïcidaliteit, depressie – en, waar het vooral om gaat: met welke kracht is die persoon daardoorheen gekomen? „Denken de grootouders dat die 13-, 14-jarige iets zou kunnen hebben van die kracht die je in de familielijn ziet? Je bent deel van een geheel, daar gaat het mij om.”
Hij heeft om die reden een hekel aan de zielloze, kale interieurs die hij overal in kranten en tijdschriften ziet. „De dingen die in je huis te zien zijn, vertellen een verhaal.” In zijn living hangt de enige foto die hij heeft van zijn overgrootvader. „Veel mensen denken dat ik uit een artsenfamilie kom, maar hij was matroos in Antwerpen. Zorg dat je weet waar je vandaan komt, zeg ik mijn kleinkinderen altijd. Je hebt veel te danken aan deze mensen.”

Dus de grootouders ook maar uitnodigen aan tafel?
„Als dat kan, dan is dat een absolute troef.”
„Zie je puber graag”, zegt u. Wij zouden zeggen: „Hou veel van je puber.”
„Dat is heel fundamenteel. Laat je informeren, google op ”hersenrijping”. Emoties, sociale vaardigheden – het zijn ontwikkelingsgebieden. Als je dat weet, brengt het een zekere mildheid mee. De basis is: Je blijft mijn kind. Aan het gedrag moet soms echt iets gebeuren. Dat is onze taak. Ook al moet je iets voor de 121e keer zeggen.”
Het is een beetje wachten op de dag waarop ineens het kwartje valt, betoogt hij. Veel dertigers kijken positief terug op hun opvoeding, blijkt uit onderzoek. „Dan zeggen ze: Ja mama, hoe dikwijls heb je dat moeten zeggen? En dan komt die zin die je eindeloos hebt herhaald. Net zoals je vaak 17-jarigen ziet die zeggen: Mijn broer van 13, 14, die zit veel te veel op sociale media. Als ouders sta je te kijken en je zegt: Ja, maar weet je nog dat we dat over jou zeiden? En die 17-jarige zegt: Nee, nee, bij mij was dat niet zo. Die kan het zich niet meer herinneren, want ondertussen is zijn brein een aantal stappen verder. Voor het overgrote deel van de ouders is dit een hoopvol verhaal.”
Nog wat positiefs: minstens 80 procent van de jongeren heeft tegenwoordig een bijbaan en de meeste werkgevers zijn erg tevreden over die jongeren, vertelt Adriaenssens. „Vreemde ogen lijken het goede boven te halen. Ik zeg vaak: Daar zie je als ouder het resultaat van je opvoeding. Thuis krijg je in de puberjaren een kladversie, maar er is al een exportproduct dat het eigenlijk best wel goed doet.”

De flexgeneratie. Hoe een puberbrein functioneert in deze onzekere tijd
Peter Adriaenssens
uitg. Pelckmans
220 blz.
€ 24,50
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- RDMagazine
- Boeken | Maatschappij
- Jongeren








