Cultuur & boekenWaar is Louise?

Puzzelverhaal: De reis van Louise #2

Fictie

Deze zomer plaatsen we wekelijks een aflevering van het puzzelverhaal ”De reis van Louise”. Hoofdpersoon Louise maakt in de loop van het verhaal een lange tocht door Nederland. De vraag is elke week: Waar is ze nu? Puzzel mee en maak kans op een boek. Deze week aflevering 2: Hoe word je onvindbaar?

beeld Sjaak Verboom

Ze heeft zich nog nooit zo opgejaagd gevoeld als nu, Louise. Ze trapt en trapt –waarom is ze in Kevelaer te krenterig geweest om een e-bike te huren?– maar het is of ze nauwelijks opschiet. Er lijkt geen eind aan de weg te komen. Overal bosjes, weilanden en struikgewas, maar nergens een afslag. Straks is de pont opnieuw heen en weer gevaren, deze keer met de gele auto aan boord. En dan hebben ze haar in no time te pakken.

Het had bij het Afferdense veer geen haar gescheeld. Met gierende banden kwamen ze aanrijden, net toen de pont zich losmaakte van de kade. De man met de donkere baard schoot uit de auto nog voor die helemaal stilstond, sprintte naar voren – maar de afstand was te groot. Anders was hij zeker op de veerboot gesprongen.

Verstijfd had ze naast haar fiets op het pontdek gestaan. Zijn ogen ontmoetten de hare. Harde ogen. Langzaam was zijn hand omhooggegaan, twee vingers gingen eerst naar zijn ogen, toen naar haar, in een niet te miskennen gebaar.

Huiverend had ze zich afgekeerd, bang ineens.

Maar de vragen in haar hoofd laten zich niet stoppen. Wie is die man? Hoe kan het dat Mark zulke mensen kent? Wat dóét hij überhaupt met zo’n man in de auto? Of zit hij op een of andere manier in de knel? En waar is Boris?

Eén ding is heel duidelijk: dat pakje, dat mysterieuze pakje, is belangrijk. Dus zullen ze het er niet bij laten. Ze zullen haar achterna komen.

En dan? Als ze het pakje terug hebben, zullen ze haar dan laten gaan?

Ze weet het niet.

Ze vermoedt nu in elk geval dat het écht is, het voorwerp dat ze in de rugzak met zich meedraagt. Als dat zo is, is het van onschatbare waarde. En niet alleen in geld.

Een dwaalspoor, denkt ze, als eindelijk de eerste zijwegen opdoemen. Ze moet voorlopig een andere kant op dan ze verwachten. Niet naar het noorden, waar het dichtstbijzijnde station is. Een kleine omweg is niet erg. Als ze die auto maar kwijtraakt.

De winkel is verrassend groot voor zo’n klein dorp. Ze kan er alles vinden wat ze nodig heeft. Een flesje sap, krentenbollen, saucijzenbroodjes, een appel, een banaan. Haar waterfles zit nog bijna vol – bijgevuld op de camping.

Ze aarzelt even bij de foldertjes van de omgeving die bij de servicebalie liggen, en pakt dan in een opwelling een wandelroute mee. Het is niet veel, maar het is een kaartje dat ze kan raadplegen zonder haar telefoon aan te zetten. En –de argwaan heeft haar nu definitief in z’n greep– ze besluit ook geld te pinnen. 200 euro moet genoeg zijn.

Vanaf hier zal ze geen sporen meer achterlaten. Zelfs niet via een betaalpasje. __ Ze weet hoe haar broer is.

Ooit, jaren geleden, hadden ze de rector van zijn school aan de deur: Mark had de schoolwebsite gehackt en zijn hele klas een middag vrij gegeven. Wat zijn ouders daarvan dachten?

Dat was natuurlijk geen vraag geweest. Hun vader had hem woedend ter verantwoording geroepen. Wat hij wel dacht! Hacken was even erg als inbreken! Straks hadden ze de politie aan de deur!

Daar op straat staat met de rug naar haar toe een man, de handen in de zakken. Alsof hij alle tijd van de wereld heeft

Maar Mark was zich van geen kwaad bewust geweest. Hij had maar een grapje gemaakt, zei hij. En nee, hij had nooit cijfers veranderd of adressen doorgegeven of andermans geld op zijn eigen rekening gestort. Terwijl dat toch makkelijk genoeg was. Een fluitje van een cent.

Kort daarna –ze was toen veertien– had Louise de dagboekapp van haar telefoon verwijderd en een papieren dagboek aangeschaft. Alleen daar waren haar diepste geheimen veilig.

„Wat is er?” vraagt het meisje aan de servicebalie als ze ziet hoe Louise, op weg naar de uitgang, ineens achteruitdeinst en gejaagd om zich heen kijkt.

Louise kijkt naar haar. Ze ziet er heel gewoon uit. Een jaar of vijfentwintig. Blond haar, glad naar achteren getrokken in een strakke knot –in een flits denkt Louise aan haar YouTubekanaal, waar ze ooit filmpjes over hippe kapsels plaatste– en een lichtblauw shirtje onder de donkere personeelsschort. Ze heeft een vriendelijk gezicht. Zal ze? Zal ze niet?

Maar ze heeft geen tijd om te aarzelen. Daar op straat, naast de witte fiets van de Duitse verhuurder, staat met de rug naar haar toe een man, de handen in de zakken. Alsof hij alle tijd van de wereld heeft. Ook al is de gele Peugeot nergens te zien, er is geen twijfel mogelijk. Ze weet wie hij is.

„Ik word achternagezeten”, zegt ze plompverloren, terwijl ze zich naar het meisje achter de balie keert. „Door die man, die daar bij mijn fiets staat.”

Ze ziet de verwarring op het gezicht van het meisje.

„Achternagezeten?” zegt ze. „Waarom dan?”

Daar heeft Louise geen tijd voor.

„Echt, het klinkt stom, maar het is écht zo. Ik moet hier weg. Ik moet me verstoppen.”

Ze heeft geluk. Het meisje van de balie is zo iemand die snel mensen inschat, snel beslissingen neemt. Zou ze vaker met ongewone situaties te maken hebben? Lastige klanten? Winkeldieven? Overvallers?

„Kom maar even mee naar onze kantine”, zegt ze. „Daar kan niemand je zien.”

Ze zet Louise op een stoel, ze haalt koffie.

„Ik heet Anna”, zegt ze dan, „en jij?”

„Louise”, zegt Louise.

„Oké, Louise. Wat is er precies met jou en die man aan de hand?”

Louise kijkt haar schattend aan. Dan besluit ze zo eerlijk mogelijk te zijn.

„Ik kan niet alles vertellen”, zegt ze, „maar ik heb een pakje, hier in mijn rugzak. Daar is die man naar op zoek. En ik kan het niet afgeven.”

„Toch niet iets raars, hè?” zegt Anna. „Drugs, wapens, gestolen goederen? Wat zit erin?”

„Zoiets is het absoluut niet!” zegt Louise. Ze aarzelt even. „Het is waarschijnlijk wel iets belangrijks. Iets wat die man die buiten staat wil hebben. Misschien is hij degene die het alleen maar verder verkoopt. Of zoiets. Maar hij volgt me. Via mijn telefoon, denk ik.”

„Dan moeten we de politie bellen”, zegt Anna beslist.

„Nee, wacht!” Louise grijpt haar arm. Ze moet Mark beschermen, dat is het enige wat ze nu denken kan. „Dat kan echt niet. Geloof me, echt! Die man heeft me niets gedaan, wat zou ik moeten zeggen? Ik wil dat pakje alleen maar terugbrengen naar de eigenaar, dan ben ik ervan af.”

Ze ziet aan Anna’s gezicht hoe vreemd ze de hele situatie vindt.

Vertrouwt ze haar? Ze aarzelt even, kijkt Anna dan recht in de ogen: „Ik heb een idee. Als jij me helpt.” Ze hoort zelf hoe dringend haar stem klinkt.

De achteruitgang van de supermarkt zit in een zijstraat.

De deur staat halfopen, en daarachter kan ze een stuk van de straat zien. Maar naar buiten gaan kan ze niet, want daar, vlakbij, staat de gele Peugeot geparkeerd. Ze moet wachten tot die wegrijdt. Hoe lang zal dat duren? Tien minuten, een kwartier?

Net als ze op het punt staat om de hoek te kijken, hoort ze hen komen.

Een zware mannenstem: „Hier zal ze naar buiten zijn gegaan.”

En een lichtere stem, Marks stem: „Misschien is ze nog binnen.”

Met bonzend hart trekt ze zich verder terug, in de schaduw van een grote stellage.

„Ik geloof er niks van”, zegt de zware stem. „Ze gaat naar het station. Kom, rijden, dan hebben we haar zo ingehaald. Je hebt geen andere manier om haar te tracken, toch?”

„N-nee”, zegt Mark. Is dat een aarzeling in zijn stem?

Ze hoort de portieren slaan, ze hoort hoe de auto start en langzaam wegrijdt. Pas dan durft ze haar adem te laten ontsnappen.

„Dus ik ging die fiets binnenzetten”, zegt Anna, „en dat werkte als een speer. Hij kwam meteen de winkel in om te vragen waar jij was. Hij beschreef je helemaal. Spijkerjasje, rugzak, donkerblond haar, witte fiets. Hij zei dat je zijn nichtje was en dat je in verwarde toestand was. Dat ze je moesten vinden.”

„En toen?” vraagt Louise.

„Ik zei dat je weggegaan was. En dat je gevraagd had of ik je fiets wilde binnenzetten. Toen kwam die andere jongen erbij en die zei dat je telefoon nog in de winkel moest zijn. Dus die heb ik tevoorschijn gehaald. Hij herkende het hoesje, hij wilde hem meenemen. Maar ik heb de manager erbij geroepen en gezegd dat ik hem voor je moest bewaren. Toen gingen ze weg.”

„Ik moet ook weg”, zegt Louise. „Meteen.”

„Maar zonder iPhone”, zegt Anna. „Die bewaar ik voor je.”

Ze kijken elkaar aan.

„Heb je alles wat je nodig hebt?” zegt Anna. „Niet over de hoofdweg gaan. Als je naar de rivier fietst, en dan langs het water naar het zuiden… dan heb je fietspaden. Daar komen geen auto’s. En dan kun je verderop weer afbuigen naar het volgende station.”

Louise bereikt de rivier, ze vindt het fietspad langs het water, de smalle landweggetjes die daarna volgen. Maar zodra het struikgewas ophoudt en ze tussen de vlakke weilanden fietst, voelt ze zich onveilig. Alsof haar achtervolgers dichtbij zijn.

Ze vergist zich niet. In de verte, op de weg die parallel loopt aan de hare, ziet ze even later een gele auto rijden. Te ver weg om de chauffeur te zien. Trouwens, hij gaat precies de andere kant op, terug naar het dorp waar ze vandaan komt.

Maar ze maakt zich geen illusies. Ze zullen haar zien, ze zullen omkeren en terugrijden, en haar dan ergens verderop opwachten.

Het kan niet anders. Na haar telefoon moet ze nu haar fiets opofferen

Ze moet snel denken nu, snel kiezen, en voor het eerst komt er iets verbetens over haar, een koppig gevoel dat maakt dat ze niet langer wil vluchten, dat ze de strijd wil aangaan. Mark mag dan onverslaanbaar zijn in het volgen van digitale sporen, als het om praktisch inzicht gaat is hij niet half zo slim als zij.

Het dorpje dat ze net binnen gefietst is, lijkt maar klein. De vrijstaande huizen liggen in ruime tuinen langs de straat. Als ze de hoofdweg nadert –waarover straks onvermijdelijk de gele auto zal komen aanrijden– ziet ze een parkeerplaats bij het kantoor van een veevoederfabriek.

Het kan niet anders. Na haar telefoon moet ze nu haar fiets opofferen.

Ze zet hem goed in het zicht, bij de ingang van de fabriek, zo dicht mogelijk bij de weg. Die kunnen ze niet missen. Dan hijst ze haar rugzak op haar rug en glipt snel weg, tussen de huizen door. Bij een kruispunt iets verderop kan ze opnieuw kiezen voor een smalle weg langs de rivier. Daar zijn bosjes en vakantiehuisjes, ziet ze, daar is het makkelijk om weg te duiken als er een auto aankomt. Ze kijkt links en rechts de weg af. Dan steekt ze over en loopt zo snel ze kan in de richting van het beschermende struikgewas.

Oplossing gevonden? Stuur je antwoord in via puzzel@rd.nl en maak kans op een prijs.

Dit is de tweede aflevering van een vervolgverhaal dat de hele zomer duurt. Volgende week deel 3: Zonder beelden ben je nergens.