Cultuur & boekenWaar is Louise?

Puzzelverhaal: De reis van Louise #1

Fictie

Deze zomer plaatsen we wekelijks een aflevering van het puzzelverhaal ”De reis van Louise”. Hoofdpersoon Louise maakt in de loop van het verhaal een lange tocht door Nederland. De vraag is elke week: Waar is ze nu? Puzzel mee en maak kans op een boek. Deze week aflevering 1: Het mysterieuze pakje.

beeld RD

Mark lijkt nog diep te slapen. In de ochtendschemer kijkt Louise naar het gezicht van haar broer, zijn gesloten ogen, zijn verwarde donkerblonde haar. Zo lijkt hij op de grote broer van vroeger, de jongen die zich zorgeloos lachend door het leven bewoog. Maar dat is lang geleden. Toen kende hij Boris nog niet.

Ze hijst zich overeind en kijkt door het stoffige raampje van de caravan. Er hangen mistflarden over het land, het is vroeg in de ochtend, maar het is al licht. Als ze geluk heeft blijft Mark nog een paar uurtjes slapen. Dan kan ze ver weg zijn.

Zo zacht als ze kan staat ze op. Alles ligt klaar. Ze schiet in een schoon shirt, trekt er een onopvallende grijs spijkerjasje over aan, stopt ten overvloede haar regenjas in de rugzak die al klaarstaat, de rugzak met de meest noodzakelijke spullen. Ze prijst zich gelukkig dat ze niet alles heeft uitgepakt. Anders was het niet makkelijk geweest.

Telefoon, ondergoed, sokken, zonnebril, kam en tandenborstel en deodorant, paspoort, portemonnee, een paar eiwitrepen. En het belangrijkste: het pakje. Het pakje dat ze vannacht, toen Mark eindelijk sliep, stilletjes uit zijn rugzak gehaald heeft en in de hare gestopt. Het pakje dat de oorzaak is van alles wat ze nu over zich heen gaat halen.

Ze opent de deur geruisloos en stapt, wandelschoenen in de hand, voorzichtig het trapje af. De treden kraken, en even houdt ze haar adem in. Maar Mark lijkt rustig door te slapen.

Buiten, op het gras, staat de motor van Boris. En Marks gele Peugeot. Ze kijkt er verlangend naar, maar ze heeft nog geen rijbewijs, nét nog niet. Trouwens, de sleutel zit ergens in Marks jaszak en die jas hangt achter zijn bed.

Ze strikt haar veters en loopt dan naar de achterkant van de schuur, waar een kraan is. Ze plenst wat water in haar gezicht, vult de beide lege waterflesjes en stopt ze terug in de rugzak. Dan is ze klaar om te vertrekken. Nog één keer kijkt ze, zorgvuldig, het terrein rond. Nauwelijks meer dan een grasveldje achter een vervallen boerderij met een haveloze schuur en drie oude caravans tegen de bosrand. De meest linkse is die van Boris. Slaapt hij ook nog? Alles lijkt stil.

Gisteren, toen ze aankwamen, was ze teleurgesteld geweest, en boos op Mark: „Moeten we hier gaan overnachten, in die zooi? Híér, of all places? Hoe krijg je ’t gevonden! Het bestáát niet eens op Google Maps, het heeft niet eens een website! Een krakkemikkige caravan, saaie weilanden! En het enige stadje in de buurt een bedevaartsoord. Niet te geloven. Dat is toch geen achtergrond voor een filmpje! Ik kan hier nog niet eens een mooie foto maken!”

Pas ’s avonds had ze het begrepen. Toen was Boris komen aanzetten, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Ze vond hem de glibberigste van Marks vrienden, ze mocht hem niet, ze vertrouwde hem niet, en ze had alleen maar bot en kregelig kunnen reageren toen hij haar begroette zoals hij vaker had gedaan: „Aha, wie hebben we daar! La belle Louise!”

Haar stemming werd er niet beter op toen ze hoorde dat hij al een paar dagen in een van de andere caravans op het erf zat. Boris in een bedevaartsoord! Daar klopte iets niet. Wat deed hij hier? De enige reden die ze kon bedenken was dat ze vlak bij een vliegveld zaten. Verwachtte hij iemand, moest hij zelf op reis?

Zonder veel te zeggen was ze naar buiten gelopen en had zich teruggetrokken om op het bankje naast de caravan haar berichten te checken. 27 likes erbij op haar laatste Instagramstory. Dat was niet slecht.

Ze wilde net beginnen met de reacties toen de stemmen van binnen tot haar doordrongen, gedempt – alsof ze een geheim bespraken. „Heb je het bij je, dat pakje? Ze komen het morgen ophalen.” Dat was Boris. En toen Mark: „Weet jij wat erin zit?” Even stilte. „Misschien”, zei Boris, ontwijkend. En daarop Mark weer: „Man, o man, we kunnen zo giga in de problemen komen!” Zijn stem klonk bezorgd, bijna angstig.

Drieduizend euro! Wie betaalde nu zo veel geld om een pakketje de grens over te krijgen?

Louise vergat haar telefoon en drukte haar oor tegen de dunne wand, een frons van onbegrip tussen haar wenkbrauwen. Gekraak hoorde ze, alsof er iemand van het bed opstond. Daarna Boris’ stem, luider dan eerst: „Niet aan denken. Morgen heb je drieduizend euro te pakken. Wie doet je wat?”

Drieduizend euro? Drieduizend euro! Wie betaalde nu zo veel geld om een pakketje de grens over te krijgen? Louise voelde zich ongerust worden. Er was vast en zeker iets mis.

Had ze het daar maar bij gelaten, denkt ze nu, achteraf. Waarom had ze, later op de avond, per se in Marks rugzak moeten kijken? Ze had gelijk gehad – wat had ze gelijk gehad! Maar terug naar de onwetendheid van gisteren kan ze vandaag niet meer. Kennis kun je nooit ongedaan maken. En ze weet dat ze het zichzelf nooit zal vergeven als ze nu niet doet wat ze moet doen.

Het is een stille morgen, het land dommelt nog onder de sluier van de morgennevels, het strekt zich stil en groen rondom haar uit. Zelfs haar eigen voetstappen maken nauwelijks geluid op het onverharde pad. Bijna zeven uur. Alleen in de verte hoort ze auto’s rijden.

Ze kan het niet helpen dat ze af en toe moet omkijken –het zal toch niet zo zijn dat de jongens ineens wél vroeg wakker worden en haar missen?– maar haar zorg lijkt overbodig. De weg ligt verlaten achter haar.

Ze heeft de route op haar iPhone ingetoetst, ze kan niet verkeerd lopen. De weg af tot waar de huizen beginnen, steeds maar rechtdoor, de Bahnstrasse in. Totdat ze bij de spoorlijn is, waar ze linksaf kan slaan naar het station. Daar is de fietsenstalling die al om halfzes opengaat en waar je fietsen kunt huren voor vijftig euro per week.

Per fiets de grens over, zo heeft ze het bedacht, en dan snel naar het dichtstbijzijnde Nederlandse station om met de trein verder te gaan. Ze heeft een studenten-ov-kaart, dus de rest van de reis moet geen probleem zijn. Als alles goed gaat, kan ze aan het eind van de middag op haar bestemming zijn.

Vandaag zal ze geen filmpje kunnen plaatsen, bedenkt ze, zelfs geen berichtje op Instagram. Toch maakt ze een foto, als ze de basiliek aan het eind van een zijstraat ziet opduiken. De macht van de gewoonte is sterk.

Een kwartier later fietst ze dwars door de ontwakende stad naar het westen. Er is een weg opgebroken, ze moet een nieuwe route zoeken en slaat een paar keer een verkeerde straat in – ze voelt de knoop in haar maag strakker worden bij al dat verlies van kostbare tijd. Maar uiteindelijk rijdt ze toch op een lange, met bomen omzoomde weg tussen uitgestrekte akkers en weilanden, met hier en daar een plukje windmolens, en bossen in de verte. Soms komt er een vliegtuig laag over – het vliegveld moet vlakbij zijn.

De grensovergang is nauwelijks gemarkeerd: een bordje ”Niederlande”, een parkeerplaats langs de weg, een winkel en iets verderop een restaurant dat zo vroeg in de ochtend nog gesloten is. Het hart klopt haar even in de keel als ze ziet dat er een politieauto staat. Maar niemand lijkt speciale belangstelling voor haar te hebben. Ze fietst ongehinderd verder.

Het leven als stadskind heeft haar zorgeloos gemaakt – hoe is het mogelijk dat je in zo’n dorp nergens zomaar een broodje kunt krijgen?

De weg lijkt zich eindeloos uit te strekken door een eenzaam natuurgebied, maar inmiddels verschijnen ook de eerste vroege toeristen. Het loopt tegen halftien als ze tussen de bossen en weilanden ineens een groot parkeerterrein ziet opduiken: een golfbaan, en iets verderop een kasteel. Nu is het niet ver meer naar het dorpje aan de rivier. Daar moet ze met de pont naar de overkant. Maar voor die tijd moet ze iets te eten zien te krijgen.

Haar maag rammelt, als ze op haar telefoon de mogelijkheden bestudeert. Maar hoe verder ze naar beneden scrolt, hoe verbijsterder ze zich voelt worden. Het leven als stadskind heeft haar zorgeloos gemaakt – hoe is het mogelijk dat je in zo’n dorp nergens zomaar een broodje kunt krijgen? De laatste bakker van het dorp heeft vorig jaar zijn zaak opgedoekt. Een supermarkt is er niet. En de restaurants zijn ’s ochtends allemaal gesloten. Allemaal, behalve misschien het café op de camping. Klein Canada. Het ligt net buiten de route, maar ze besluit het te proberen. Ze moet wát.

Een vrouw van een jaar of zeventig is bezig de plantjes voor haar stacaravan water te geven, als Louise het toiletgebouw uitkomt. Ze kijkt op en groet vriendelijk: „Goedemorgen.”

„Weet u misschien of je hier ergens koffie kunt krijgen?” vraagt Louise.

Het campingcafé is dicht, dat heeft ze al gezien.

De vrouw kijkt haar opmerkzaam aan. „Het restaurant gaat vanmiddag pas open”, zegt ze. „Maar kom gerust even hier zitten, ik heb koffie genoeg. Wil je ook een plak ontbijtkoek? Of een boterham misschien?”

Een gevoel van opluchting overspoelt Louise. Ze zet haar fiets achter het toiletgebouw, uit het zicht. De knoop in haar maag is nu bijna verdwenen. Hier, op deze gezinscamping met zijn nette stacaravans, zal niemand haar zoeken. Ze kan op de tuinstoel van zomaar een vriendelijke vrouw gaan zitten, even uitrusten en wat eten.

Maar als ze afscheid genomen heeft en weer op de fiets wil stappen, rijdt er een auto het terrein op. Een gele auto. Marks auto.

Even staat ze verstijfd van schrik, terwijl haar ogen registreren hoe de portieren opengaan en er drie mannen uitstappen. Mark. Boris. En een iets oudere man met brede schouders en een zwarte baard. De man die het pakje zou komen ophalen? Hij kijkt speurend rond.

Haar hart bonst terwijl ze zich, met fiets en al, tegen de achterkant van het toiletgebouw aan drukt.

Hoe kán dit? Hoe hebben ze haar gevonden?

Haar telefoon! Natuurlijk. Dat moet het zijn. Mark kan haar telefoon volgen. Hij weet hoe hij zulke dingen moet doen.

Maar dat ze haar achterna gekomen zijn… Dat betekent dat het hun veel waard is, dat pakje. Hoeveel precies? Ze durft niet goed verder te denken.

Met trillende vingers zet ze haar telefoon uit.

Wat nu?

Ze staat heel stil, ingespannen luisterend. Dan waagt ze het om opnieuw om het hoekje te kijken. Net op het moment dat ze de drie mannen achter het receptiegebouw ziet verdwijnen, waar de ingang is.

Hevig geschrokken trekt ze haar hoofd terug.

Maar ze realiseert zich meteen: ze kunnen haar nu niet zien. De weg is vrij. Als ze geluk heeft, blijven ze een paar minuten bij de receptie staan praten.

Ze haalt diep adem, springt op haar fiets en trapt zo hard ze kan het terrein af. Als ze haar nu zien is ze verloren.

Oplossing gevonden? Stuur je antwoord in via puzzel@rd.nl en maak kans op een prijs.

Dit is de eerste aflevering van een vervolgverhaal dat de hele zomer duurt. Volgende week deel 2: Hoe word je onvindbaar?