Kiesstelsel en ontzuiling bieden kansen aan one-issuepartijen

Marianne Thieme neemt afscheid van Tweede Kamer, beeld ANP, beeld Remko de Waal.

Partijen die slechts één belang behartigen, zoals de Partij voor de Dieren, kent Nederland al sinds 1918. Door de ontzuiling, vanaf de jaren zestig, kregen zulke bewegingen echter meer kansen. En konden ze groter worden.

One-issuepartijen hebben de wind mee. In het parlement kennen we sinds 2006 al de Partij voor de Dieren (nu vier zetels), die eenzijdig opkomt voor dier, plant, natuur en planeet. Vaste voet aan de grond in de Kamer kreeg in 2012 ook 50PLUS (nu eveneens vier zetels), dat zich met voorrang richt op de belangen van ouderen.

Het zou zomaar kunnen dat deze twee na de volgende Kamerverkiezingen gezelschap krijgen van andere één-themagroeperingen. Deze week immers registreerde de Kiesraad de naam van BoerBurgerBeweging (BBB), een partij die zich in 2021 in de stembusstrijd wil mengen. Ook een groep medici denkt erover na een eigen partij op te richten.

Nieuw, deze ontwikkeling naar steeds meer one-issuepartijen? „Beslist niet”, zegt Simon Otjes, universitair docent Nederlandse politiek in Leiden. „Partijen die het opnemen voor één bepaald deelbelang, voor één thema of voor één groep burgers, meldden zich al meteen na de invoering van het evenredige kiesstelsel.”

ANP-400334015Niet alle one-issuepartijen zijn vluchtige voorbijgangers

Kunstenaars

De politicoloog wijst op de Plattelandersbond die in 1918 één Kamerzetel behaalde, in 1922 twee, en daarna tot 1937 steeds één. „Daarnaast had je de Middenstandspartij, die begin 20e eeuw één vertegenwoordiger in het parlement had. Verder behaalde de Neutrale Partij in 1918 een zetel. Die kwam specifiek op voor kunstenaars en mensen werkzaam in het amusementsbedrijf.”

Ook in de tweede helft van de 20e eeuw waren in de Kamer regelmatig one-issuepartijen vertegenwoordigd. „Denk aan de Boerenpartij die van 1963 tot 1981 in de Kamer zat, tussen 1967 en 1971 zelfs met zeven volksvertegenwoordigers. De Nederlandse Middenstandspartij scoorde in 1971 twee zetels. Best spectaculair was hoe in 1994 de ouderenpartijen AOV en Unie 55+ de Kamer binnenstormden; samen haalden ze in één klap zeven zetels.”

Otjes laat dan nog buiten beschouwing al die one-issuepartijen die de kiesdrempel nooit haalden, maar wel aan Kamerverkiezingen deelnamen. „Zoals de Partij voor Ongehuwden (PvO) of de Partij voor Volkswil en Referendum (PVR), beiden actief in de tweede helft van de jaren zestig. In 1997 werd het palet aan partijen verrijkt met Nederland Mobiel, een partij speciaal voor automobilisten. Die kwam in 1998 zo’n 12.000 stemmen tekort voor een Kamerzetel. Denk ook aan de Vrije Indische Partij, opgericht in 1994. Of de Piratenpartij, die diverse malen aan verkiezingen deelnam en haar pijlen vooral richt op de informatiesamenleving.”

De Leidse politicoloog, ook werkzaam voor het Groningse Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP), ziet ten minste vier factoren die maken dat een one-issuepartij al dan niet slaagt. „De eerste is een proportioneel kiesstelsel. Doordat Nederland het meest evenredige kiesstelsel ter wereld heeft, is het hier heel gemakkelijk om als nieuwe, kleine partij –en dus ook als one-issuepartij– in het parlement te komen. Jawel, je kúnt dit ook voor elkaar boksen in een districtenstelsel, maar dan dienen jouw kiezers sterk in één regio geconcentreerd zijn. In Groot-Brittannië geldt dat bijvoorbeeld voor de Schotse Nationale Partij.”

Een tweede factor is de mate waarin een land verzuild is. „Toen in Nederland, vanaf de jaren zestig, de ontzuiling inzette, werd het voor kleine partijen makkelijker electoraal succes te boeken en soms ook tot middelgrote omvang uit te groeien. Voorheen stemde een katholiek nog bijna automatisch KVP, een seculiere arbeider PvdA, een niet-gelovig persoon uit de middenklasse VVD en een protestant ARP of CHU. Toen dit automatisme verdween, kon D66 in 1967 met zeven zetels de Kamer binnenkomen. Eigenlijk profileerde ook deze partij zich in oorsprong als een one-issuebeweging, hoofdzakelijk gericht op democratische vernieuwing.”

Van cruciaal belang is in de derde plaats een sterke partijorganisatie. „Je ziet nogal wat one-issuepartijen die snel of na verloop van tijd door intern geruzie uiteen vallen: de Nederlandse Middenstandspartij, het AOV.”

Conflicten

Voor een partij zonder een alomvattende ideologie ís het misschien ook net iets lastiger om in de hectiek van alle dag, waarin je voortdurend standpunten moet innemen, de eenheid te bewaren. „Eigenlijk is het voor elke nieuwe partij van levensbelang om snel te leren hoe je met interne conflicten omgaat”, stelt Otjes.

Een vierde factor is of de partij in kwestie zich richt op een thema dat in de samenleving bij een grotere groep kiezers lééft. „Voor de PvO was het in de jaren zestig lastig om duidelijk te maken waarin ongehuwden dan zó misdeeld waren. Het idee dat de belangen van ouderen door de politiek verwaarloosd werden, sloeg daarentegen in de jaren negentig prima aan bij een groot deel van het electoraat. En in de 21e eeuw staan dierenbelangen blijkbaar bij veel kiezers hoog genoteerd. Mede daardoor zijn dierenpartijen bij de stembus succesvol, niet alleen in Nederland, maar ook elders in Europa, tot in het Europees Parlement toe.”