Cathy van Beek: de ijdelheid voorbij

Het Gesprek
Cathy van Beek. beeld RD, Anton Dommerholt

Het christelijk geloof zei Cathy van Beek, topvrouw in de zorg, vaarwel, maar over haar ouders wil ze geen kwaad woord horen. En de oude psalmen blijven haar lief. „Onder het douchen betrap ik mezelf er geregeld op dat ik ze weer sta te zingen.”

De woning van Cathy van Beek (61) ligt vlak bij de Sint-Maartenskliniek in Ubbergen, waar ze veertien jaar leidinggaf. Binnen vijf minuten liep ze naar het werk. De wandeling naar het Radboudumc, waar ze onlangs afscheid nam, kost drie kwartier. Toch pakte ze maar zelden de auto. „Als ik met mijn rugzakje door het bos liep, voelde ik me een gezegend mens.”

Wat bracht u ertoe om te stoppen als ziekenhuisbestuurder?

„Ik had behoefte aan een nieuwe uitdaging. En ik wil niet met mijn 67e al met pensioen. Dan moet je er tijdig voor zorgen dat je een eigen bureau hebt. In mijn geval voor bestuurlijke klussen bij zorginstellingen, het coachen van managers, projecten voor duurzaamheid, dat soort zaken. En ik wil weer gaan schrijven. Dat deed ik heel graag, maar als vicevoorzitter van de Nederlandse Zorgautoriteit mocht ik het niet. Bij het Radboudumc had ik er geen tijd voor.”

U was de enige vrouw in de raad van bestuur. Hoe voelde dat?

„Voor iemand met tien broers is het niet raar om met drie mannen op te trekken. Met vrouwen kan ik ook prima overweg, want ik heb vijf zussen. In het algemeen is het goed voor organisaties dat er ook vrouwen in de top zitten. Gemiddeld genomen hebben die meer oog voor de andere, de zachte kant van de dingen.”

In het voorjaar werd bekend dat uw collega Van Halder ernstig ziek was. Komt op zo’n moment de verpleegkundige in u boven?

„Absoluut. Nadat hij weer was begonnen, zei ik bezorgd dat hij zijn tijdslimiet echt moest respecteren.”

Denkt u bij zo’n bericht: Ook ik had het kunnen zijn?

„Natuurlijk. Meer dan eens heb ik van nabij gezien hoe onverwachts ziekte kan toeslaan. Een collega in de Maartenskliniek kreeg net voor mijn overstap naar de NZa longkanker. Mijn man had zeven jaar geleden blaaskanker. Dan komt de eindigheid van het leven heel dichtbij. Bovendien heb ik van thuis sterk het ”memento mori” meegekregen. Mijn man heeft me geleerd om zo nu en dan alles even opzij te zetten en te genieten van het goede in het hier en nu. Meer ”carpe diem”. Dat kunnen rooms-katholieken beter dan calvinisten. Ik vraag mezelf voortdurend af of ik wel van meerwaarde ben voor mijn omgeving. Dat heeft ook een mooie kant. Mijn ouders waren altijd bezig met het helpen van anderen. Zo gaf mijn vader aan een Turkse Nederlander van de eerste generatie, die hij leerde kennen op de avondambachtsschool waar hij docent was, bij ons thuis Nederlands. In zo’n zwartekousengezin! Dat onorthodoxe in hem heb ik altijd zeer gewaardeerd.”

U verwijst vaak naar het gezin waarin u opgroeide. Dat betekent veel voor u?

„Ja, dat heeft me gevormd. Op zussendagen of de jaarlijkse Beekendag halen we herinneringen op. Dat vind ik heerlijk, al voel je dan tegelijk dat de wegen inhoudelijk uiteen zijn gegaan. Pakweg een derde zit nog in een zware kerk, een derde is kerkelijk op wieltjes, een derde is van God los. Tot die laatste groep behoor ik. Toch voel ik me zeer verbonden met een ‘zwaar’ zusje, maar intensief met elkaar optrekken lukt niet als de verschillen zo groot zijn. Zij stemt denk ik SGP, ik ben lid van D66. Wel is er vergeleken met vroeger meer wederzijds respect. We kunnen nu over de verschillen praten zonder elkaar te willen bekeren.”

U bent de zesde in de rij. Was dat een gunstige plek?

„Bezien vanuit de gezinssociologie zeker. Die gaat uit van drie kinderen: een oudste, een middelste en een jongste. Wij hadden er zestien, dus ik behoorde tot het tweede clustertje. Er werd niet zo op me gelet. Ik kon me duidelijk meer permitteren dan de oudsten. De meisjes mochten bij ons niet met blote benen of in een jurk met korte mouwen over straat, maar als ik het Reformatorisch Dagblad ging bezorgen, trok ik mijn kousen uit, stroopte ik mijn mouwen op en deed ik mijn haar los. Het mooie vind ik dat mijn moeder het op een bepaalde manier wel kon waarderen dat ik het niet stiekem deed, hoewel ze uiterst wettisch was. Al die regels hebben een grote druk op haar gelegd. Toen de laatste kinderen het huis uit waren, kreeg ze ook nog eens een depressie. Dat vond ik verschrikkelijk voor haar. „God heeft me verlaten”, zei ze. Volgens mijn man, socioloog van professie, had ze gewoon het legenestsyndroom. Mijn moeder leefde voor de kinderen. Hoe vroeg we ook op pad moesten, ze stond altijd op om thee te maken.”

U kijkt niet met negatieve gevoelens terug?

„Integendeel, ik ben heel positief over mijn jeugd. Ondanks die schare kinderen mochten we altijd vriendjes en vriendinnetjes meenemen. Anders dan sommige broers en zussen heb ik niet zo geleden onder dat zware geloof. Ik vond het vooral erg voor mijn moeder dat ze zo gebukt ging onder haar schuld en ellende. Ik hoopte voor haar dat de verlossing eens zou komen en gunde haar helemaal de fase van dankbaarheid. Het maakte me ook enorm kwaad als ik hoorde dat haar bekering door sommige mensen niet werd overgenomen, zoals dat heette. Dan dacht ik: als er één bekeerd is, dan is het mijn moeder. Ze liep altijd in het zwart, huilde vaak, en wilde ons beschermen tegen de boze buitenwereld. Vooral de meiden. Later ben ik gaan begrijpen waarom. Ze is in haar jeugd ernstig beschadigd. Vandaar dat ze zo extreem op bedekkende kleding was. Geen knoopje mocht er los. Toch waren er ook momenten dat ze echt vrolijk was. Als ze even de ellendefase vergat.”

Hoe was de band met uw vader?

„Die adoreerde ik. Ik liep aan zijn hand mee naar de kerk en ging achter op de fiets mee naar de moestuin. Hij was heel breed geïnteresseerd en stimuleerde ons om onze talenten te gebruiken. Eerst heb ik het avondatheneum gevolgd, later het avondgymnasium. Daarna heb ik pedagogiek gedaan. Ik ben afgestudeerd in beleids- en bestuurskunde. De behoefte aan leren heb ik nog steeds. Toen ik op het avondgymnasium zat, gaf mijn vader me de ”Confessiones” van Augustinus, met aan de ene kant de Latijnse en aan de andere kant de Nederlandse tekst. Dat typeerde hem. Ik genoot van zijn intellectualiteit en zijn brede belangstelling.

In mijn tienerjaren heeft hij de Kontaktvereniging van Leerkrachten en Studenten op Gereformeerde Grondslag opgericht. Ik was zo’n beetje zijn secretaris en dacht mee over thema’s en sprekers. Zo hebben we een discussie georganiseerd over het rapport van de Club van Rome. In de gedrevenheid voor duurzaamheid is mijn vader mijn lichtend voorbeeld. Rentmeesterschap was voor hem een realiteit. Hij vond het leuk om daarover gesprekken te voeren met onze antroposofische overbuurman: de baas van een bekende bank. We hadden heel goed contact met die mensen. Waarschijnlijk omdat ze zo totaal anders waren, al hadden we een aantal dingen gemeen. Net als wij waren ze tegen inenten en abortus en voor onbespoten groenten. We beschouwden hen als een soort bondgenoten, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. We moesten ons vooral hoeden voor de synodalen, mensen van de Gereformeerde Gemeenten. Daar waren we in 1953 van afgescheiden. Wat van dichtbij komt, is gevaarlijk.”

Toen u negentien jaar was, deed u belijdenis. Voor uw vader?

„Nee, het was een oprechte, persoonlijke keuze. Ik ben van gedachten veranderd tijdens mijn opleiding tot verpleegkundig docent, door de lessen van de docent wijsgerige antropologie. Met de predestinatie kon ik niet meer uit de voeten. Als alles voorbestemd is, waar blijft dan je eigen wil en verantwoordelijkheid? Ik ging op zoek naar een andere kerk, maar daar vond ik het ook niet. Ongewild bleef ik luisteren met het theologische stramien dat ik van thuis had meegekregen. Op een gegeven moment heb ik er helemaal afstand van genomen, al heb ik nooit de behoefte gevoeld om ertegen te schoppen. Daarvoor is de herinnering aan mijn ouders en ons gezin me te lief.”

Was het een pijnlijk proces?

„Dat kun je wel zeggen. Bijna al mijn vrienden lieten me als een baksteen vallen. Op twee na, onder wie de oudste dochter van ds. Den Boer, een predikant van de Gereformeerde Gemeenten die naar Amerika is geëmigreerd. Met verjaardagen sturen we elkaar nog altijd een cadeautje. Mijn vader durfde na mijn breuk met de kerk niet meer openlijk trots op me te zijn, behalve toen ik door de minister werd benoemd als vicevoorzitter van het NZa-bestuur. Vanuit zijn setting kon ik die houding goed begrijpen. Ik ben heel dankbaar dat de relatie met mijn ouders altijd goed is gebleven.”

Wat hebt u van uw achtergrond bewaard?

„Mijn arbeidsmoraal, mijn verantwoordelijkheidsgevoel en mijn onafhankelijkheid. Er is in het calvinisme wel een dominee, maar geen paus. Net als ieder ander moet de dominee worden getoetst op wat hij zegt. Die kritische houding heb ik ook binnen organisaties en richting de wetenschap. Als een vooraanstaand iemand iets zegt, is dat niet per definitie de waarheid.

Het bezwaarlijke van het calvinisme vind ik dat je als mens niets voorstelt. Zeker voor een kind kan het heel beschadigend zijn als je dat zondag in, zondag uit wordt ingepeperd. Als je iets goeds deed, was dat dankzij de genade Gods. Alles wat je fout deed, kwam uit jezelf. Voor het welbevinden van een kinderziel is dat niet de allerbeste boodschap die je kunt uitzenden. Na al die jaren vind ik het nog steeds lastig om te zeggen dat ik zelf iets heb gepresteerd. Ik vermeld er meteen bij dat ik de talenten daarvoor ook maar heb meegekregen. Zonder God te noemen, maar die grondhouding raak je niet kwijt.”

Leest u nog weleens in de Bijbel?

„Een enkele keer. Dan pak ik de Statenvertaling, vanwege de tale Kanaäns. „Zou Ik het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken?” Dat is toch prachtig Nederlands? Ook de oude psalmen blijven voor mij vertrouwd. Laatst hebben we een neef moeten begraven. Gelukkig werd er in die dienst gezongen. We begonnen met ”’t Hijgend hert, der jacht ontkomen”. Ik zong uit volle borst mee. Al is het voor mij ondenkbaar dat ik ooit terugkeer tot dat geloof, die liederen raken me nog steeds. Onder het douchen betrap ik mezelf er geregeld op dat ik ze weer sta te zingen.”

U bent intussen de 60 gepasseerd; ervaart u het ouder worden als bedreigend?

„Nee, ik kan het juist beter accepteren dan voorheen. Het is voor mij altijd heel belangrijk geweest om er goed uit te zien. Nu deel ik via mijn vlog rustig een filmpje waar ik niet al te florissant op sta. De ijdelheid ben ik voorbij.

Of er na de dood wat is, weet ik niet. Eigenlijk hoop ik van wel. Ik kan me niet voorstellen dat mijn ziel dan in het niets verdwijnt, en ik bijvoorbeeld mijn dochter nooit meer zal zien. Dat is voor mij een onverdraaglijke gedachte. Het lijkt me ook heel fijn om mijn vader en moeder weer te ontmoeten. Ja, voor iemand die zegt niet meer te geloven is dat dubbel, héél dubbel, maar dat vind ik niet erg. Ik hoef niet op alles een kloppend antwoord te hebben. Het leven is al een mysterie; laat staan de dood.”

Levensloop Cathy van Beek

Cathy van Beek (1956) studeerde na de opleiding tot verpleegkundige onder meer sociale wetenschappen en veranderkunde. In 1991 trad ze in dienst van de Sint-Maartenskliniek bij Nijmegen, waar ze zes jaar later werd benoemd als bestuurder. Van 2006 tot 2011 was ze vicevoorzitter van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De achterliggende zes jaar maakte ze deel uit van de raad van bestuur van het Radboudumc. Bij haar recente afscheid ontving ze een koninklijke onderscheiding. Ze wordt gerekend tot de machtigste vrouwen in de zorg. Cathy van Beek is gehuwd met Tjieu Verhagen. Het echtpaar heeft één dochter.