Koninginnedag 2009 op het netvlies

Doorverteld
Otto Zwolsman (30) uit Apeldoorn vertelt Jojanneke Louwen (links) wat hij zag op Koninginnedag 2009. beeld André Dorst
3

Aandachtig bladert hij door zijn gedenkboek. De foto’s van Koninginnedag 2009 zijn eerst fleurig, feestelijk. De tweede helft van de bladzijden is diepzwart. Door precies te kijken, probeert Otto Zwolsman (30) uit Apeldoorn grip te krijgen op wat hij meemaakte.

„Ik kom uit een koningsgezinde familie. Als we mochten vlaggen, hadden wij de driekleur uit. Op Koninginnedag gingen we ’s ochtends naar de optocht in het dorp Enter. Iedereen was daar versierd en verkleed. Dan zingen tijdens de aubade. Daarna terug naar mijn ouderlijk huis.

Zolang ik me kan heugen zat ik daar iedere Koninginnedag met het gezin rond de televisie. We verbouwden de woonkamer en zetten de banken en stoelen om de televisie. Zelfs als 20-jarige jongen vond ik dit prachtig.

Al lang voor tien uur zaten we in de startblokken. Er was dan nog niets te zien, maar wij waren al in een feestelijke stemming. Mijn nichtjes gisten welke jurken en juwelen de koninklijke dames zouden dragen. Dat boeide mij minder, ik wilde vooral weten wat voor spelletjes ze gingen doen, welke versjes ze zouden zingen en of er nog kinderen bij betrokken zouden zijn. Ik wilde het basisonderwijs in, dus had ik daar aandacht voor.

Zolang de koninklijke familie op de buis was, aten wij bijna niks. We wilden gewoon kijken. Als alles voorbij was, namen we patat. Dat ging ieder jaar hetzelfde. Ik vond het prachtig om dat met elkaar te doen. Want ik ben een familiemens.

Ik vind het gepast om aandacht te hebben voor ons koningshuis. Het is toch door God gegeven. Ik hoop altijd dat ik iets merk van hun persoonlijk geloof. Ik ben altijd weer blij als de koning zegt: „Ik wens u Gods zegen toe.” En het leven van deze mensen boeit me ook. Hoe houden ze het vol, al dat reizen en die verschillende culturen. Duizelingwekkend.

Uitgedost

Koninginnedag 2008 zaten we nog als familie met elkaar op de bank. En toen hoorden we dat het koningshuis volgend jaar naar Apeldoorn zou komen. Ik woonde daar doordeweeks bij mijn oom en tante, in verband met mijn studie. Ik was verloofd met Bianca, en we zouden in Apeldoorn gaan wonen. Dus ze hadden ónze stad uitgekozen om naartoe te gaan. We voelden ons vereerd. Dus besloten we te gaan, ondanks dat je de koninklijke familie dan natuurlijk maar eventjes ziet. Via het scherm kun je alles veel beter volgen, maar nu konden we hen wel in het écht zien.

Mijn oom en tante nodigden ons uit om de dag ervoor al te komen slapen. De volgende ochtend was iedereen al vroeg op. Voor de badkamer stond een gezellige file. Iedereen was feestelijk gestemd. Om zes uur ’s morgens was het al lachen, gieren, brullen. Ik trok mijn blauwe broek en rood-wit-blauwe overhemd aan en deed een geleende oranje sjaal om. Rond zeven uur gingen we met een mannetje of tien de deur uit. We zongen en brulden door de ontwakende stad: „Oranje boven, oranje boven, leve de koningin.” We schaamden ons voor niemand en hadden ons feestelijk uitgedost. Het was immers feest. De stad ademde feest.

Niet lang na halfacht staan we al in de bewuste bocht. In de buitenbocht. Een agent adviseert ons: „Ga in de binnenbocht staan, bij Hotel Het Loo. De koninklijke bus komt aan die kant langs.” Dus wij steken de straat over en binden onze tassen vast aan het dranghek. Als ik naar rechts kijk, zie ik het monument De Naald. De koninklijke familie zou van links komen. Dit is onze plek. De kleine neefjes en nichtjes staan tegen het hek aan. Familieleden, Bianca en ik achter hen. Ik praat met onbekende mensen die hutjemutje om ons heenstaan. Normaliter zou ik dat niet zo snel doen, maar vandaag is het feest.

Geen moment heb ik een voorgevoel. Geen seconde komt het in me op dat het mis zou kunnen gaan. Achteraf kan ik me dat niet meer voorstellen.

Otto Zwolsman. beeld André Dorst

Smak

Uren later, iets voor twaalf uur, zie ik in de verte de koninklijke bus aankomen. Als ik eraan terugdenk, krijg ik weer kippenvel. Zo meteen gaat het gebeuren. De blauw-witte open bus komt steeds dichterbij. Ik zie Beatrix, Máxima, Willem-Alexander. Je hebt het gevoel dat ze je even aankijken. „Leuk, hier doe ik het voor”, denk ik. „Hier heb ik zo lang voor gewacht. Met elkaar maken we feest, voor hen.”

De bus rijdt door. Ik kan de mensen achter het dranghek aan de overkant weer zien. In de bocht leggen camera’s de bewegingen van de koninklijke familie vast.

Ineens zie ik iets vliegen. Is dat een zak? Een pop? Is dit van de optocht die de bus tegemoet rijdt? Mijn tante schreeuwt: Idioot! Zij stond verderop, ziet een auto door het publiek rijden. Ik ben nog steeds verbaasd. Kijk naar al die mensen. Ze vallen, vliegen, rollen en schuiven over het asfalt. Wat is dit? Dit gaat mis!

Een dranghek schuift weg. Een camerastatief wankelt. Een zwarte auto schiet uit het publiek. Dan een doffe klap als de auto op De Naald botst.

Nu ik erover praat, speelt het filmpje zich weer af in mijn hoofd. Het filmpje van de vliegende mensen. Je snapt niet dat mensen kunnen vliegen. Met zo’n vaart. En dan met een smak weer neerkomen.

Even is het doodstil. Iedereen houdt de adem in. En dan: paniek. Beveiligers en hulpverleners achter ons springen over en door ons heen. Sirenes klinken. Er zijn ineens overal ambulances en polities. Dat is voor ons de bevestiging: dit is echt heel erg. We moeten weg van deze plek van onheil. Misschien ligt er nog wel een bom in de auto.

Zucht

De tassen zitten nog vast aan het hek. Wij willen weg, maar de tas wil niet los. „Niet kijken”, zeg ik tegen de kinderen en Bianca. „Echt niet kijken hoor, het is heel erg.” Zelf kijk ik constant, ter bevestiging dat zij niet moeten kijken. Maar ik moet het zien, wil het zien. Ik zie mensen, ik zie bloed. Die kunnen niet meer leven, weet ik. Dat kan gewoon niet. Bij een ander slachtoffer gaat de EHBO’er meteen reanimeren. Dat had ik ook nog nooit gezien.

Alle blijdschap is weg. Niks is er meer van over. Ik pak wat nichtjes bij de hand. „Kom mee, hebben we iedereen?” Verdoofd lopen we in tien minuten terug naar huis. Loop ik hier met die stomme sjaal, denk ik. Ik verafschuw wat er is gebeurd. En dat ik daar deel van heb uitgemaakt. Haal die vlaggen weg, denk ik onthutst als ik door de woonwijk loop. Er is niets, niets meer over van het feest.

Lamgeslagen hangen we bij oom en tante op de bank. Wat raar dat ik hierom moet huilen, denk ik terwijl de tranen achter mijn ogen branden. Ik laat ze niet zien, probeer dapper te zijn. Maar als mijn moeder binnenstapt, moet ik toch huilen.

We zetten ieder uur het nieuws aan. Uren later spreekt de koningin ons toe. Daar zaten we op te wachten. Ze zucht aan het begin. Zo voel ik me ook precies. Want wat zeg je van zoiets. Je hebt er geen woorden voor. Ze is even geen koningin, de afstand is weg, ze komt naast ons staan.

Daarna probeer ik over te gaan tot de orde van de dag. Tegenover vrienden gedraag ik me heel relaxed. „Ja, ik was erbij”, zeg ik zo luchtig mogelijk als ze ernaar vragen. Maar het zit me constant achterna. ’s Nachts lig ik heel lang wakker. En zie ik het allemaal weer gebeuren. De vliegende mensen. En als ik droom, droom ik daarover. Maar dat zeg je niet als je ’s morgens opstaat.

Dom

Via het nieuws verneem ik dat omstanders contact kunnen opnemen met Slachtofferhulp. Ik bel sneaky. Het gekke is dat ze alleen maar luisteren. En dat dat helpt. Ik mag alles vertellen. Dat lucht op. Ik ben heel open, maar moet dit eerst voor mezelf behapbaar maken. Ik voelde me kwetsbaar. Maar als je er niet over praat, word je alleen maar kwetsbaarder, heb ik geleerd. Niks verbloemen, dat helpt bij het verwerken.

Na die dag heb ik al het beeldmateriaal gekeken dat er te zien is van die gebeurtenis. Ook al stond er levensgroot ”Schokkende beelden”, ik moest het zien. Achteraf had ik nooit gedacht dat die beelden zo’n impact zouden hebben. Het was dom, heel dom om te kijken.

We zijn wonderlijk gespaard. Wij stonden eerst op de plek waar de auto reed. Als God die agent niet had gestuurd, was het gewoon de tijd geweest. Door Zijn genade mag ik weten Hem toe te behoren, dus als het mijn tijd was geweest, was het goed geweest. Maar ja, we zouden trouwen, het jaar daarop. De Heere heeft nog een plan met ons, we mogen nog verder. Dat krijg je niet klein.

Maar voor de mensen die nu op onze plek stonden, was het wel de tijd. Had ik niet beter in hun plaats kunnen sterven? Zij kenden God misschien niet. Voor hen is het eeuwigheid. Voorbij. Ik kan niet bevatten waarom God het zo heeft geleid. Dat mensen sterven waar je bijstaat, terwijl jij mag blijven leven.

Prinsjesdag

Een jaar later zouden Bianca en ik naar de Nationale Dodenherdenking in Amsterdam gaan. Ik zei die middag tegen haar: „Eigenlijk durf ik niet.” „Ik vind het eigenlijk ook niet fijn” reageerde ze. Dus bleven we thuis. En toen was daar de Damschreeuwer. Dat was voor ons de bevestiging, naar zulke evenementen moeten we niet meer toe.

Hetzelfde jaar moest ik met groep 8 van de Eben-Haëzerschool in Apeldoorn naar Prinsjesdag in Den Haag. Ik zei tegen de directeur: „Ik vind dit niet heel fijn.” Dus ging zij mee, wat ik waardeerde. Die dag heb ik constant om me heen gekeken of ik iets verdachts zag. Een rare persoon, een vreemd voertuig. Zoek ik het gevaar niet op? Ik heb daar de verantwoordelijkheid voor 25 kinderen, en er hoeft maar één gek te zijn. Ik was blij dat we weer in de trein terug naar huis zaten, blij dat ik alle kinderen weer veilig thuisbracht.

De jaren daarop ben ik steeds weer gegaan. De beveiliging zag ik steeds heftiger worden. Er kwamen bloembakken op straat, om verkeer te blokkeren. Ik dacht: zie je, het is zó gevaarlijk, ze moeten alles uit de kast trekken. Na een aantal jaren kreeg ik een lagere groep en hoefde ik niet meer naar Den Haag.

In 2013 werd Willem-Alexander koning. Ik wilde de beëdiging en inhuldiging zien. Met spanning zaten we te kijken. Met de kinderen kijken we tegenwoordig Koningsdag vanaf een laptop. Als het mis zou gaan, kunnen we ’m in één keer dichtklappen.”

Voordat we met de familie naar Koningsdag kijken zeggen we: „Als het maar goed gaat.” En achteraf: „Gelukkig, het is goed gegaan.” De onbevangen feestelijkheid is ervan af.

Jojanneke: Spannend of grote evenementen ongestoord verlopen

Jojanneke Louwen. beeld André Dorst

Jojanneke Louwen: „Ik heb zelden zo goed in een verhaal gezeten als toen Otto zijn ervaring vertelde. Het is zo verschrikkelijk dat een dag die zo feestelijk begint, in een zwarte dag eindigt.

Otto liet me een boek met foto’s van Koninginnedag 2009 zien. Het is heftig om te horen hoe hij dat moment van zo dichtbij meemaakte. Ik kan het tijdstip van de aanslag nog voor me halen. Ik was 8 jaar en liep samen met mijn ouders door de straten van ons dorpje toen ineens de buurvrouw de deur uit kwam rennen en ons vertelde wat ze zojuist op de televisie had gezien. Die gebeurtenis heeft me nooit meer losgelaten. Als déze mensen al geschokt waren van de beelden, hoe geschokt moesten ooggetuigen als Otto en zijn familie dan wel niet zijn?

Wat me trof, is dat Otto zich afvroeg waarom anderen moesten sterven terwijl hij gespaard bleef. Hij had net zo goed zelf levenloos op straat kunnen liggen. Maar God had nog een plan met zijn leven. Dat is zijn antwoord op die vraag. Zijn geloof is voor mij ook weer een bevestiging dat de Heere een plan met ons leven heeft.

Ik vroeg me voorafgaand aan het interview af of Otto door deze gebeurtenis evenementen met grote mensenmassa’s ontwijkt. Ik vind het altijd een beetje spannend of grote evenementen waar ik bij ben ongestoord verlopen. Ik begrijp helemaal dat Otto het liever afslaat. Dapper dat hij na die beruchte Koninginnedag met zijn schoolklas naar Prinsjesdag is geweest.”

Doorverteld

Even écht luisteren. In deze serie vertellen getuigen van historische gebeurtenissen hun verhaal door aan jongeren. Zodat hun verhaal voortleeft. Deel 4.