Zes kritische vragen over burgerschap aan minister Slob

„Niemand mag iemand dwingen tot een religie, maar er mag ook geen dwang zijn om religie of religieuze standpunten los te laten,” aldus prof. Tom Zwart.  beeld Istockphoto

Gerard Vroegindeweij

Aan de conceptwet die scholen ertoe verplicht meer te doen aan burgerschapsvorming, kleven veel bewaren. Zes kritiekpunten van deskundigen monden uit in evenzoveel vragen aan minister Slob voor Basis- en Voortgezet Onderwijs.

Voor de derde keer in korte tijd stelde de Tweede Kamer vorige week het plenaire debat over de Wet verduidelijking burgerschap in het funderend onderwijs uit. Dit keer omdat een discussie over de coronacrisis en de mondkapjesplicht voorrang kreeg.

Naar het zich nu laat aanzien, vindt de wetsbehandeling plaats op maandag 9 november. De woordvoerder van minister Slob beloofde eind vorige week dat voorafgaand aan dat debat de bewindsman met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ingaat op de kritiekpunten die in de loop van het jaar naar boven borrelden.

1. Minister Slob is niet eerlijk over de aanleiding van de wet

„Het is aan alles voelbaar dat dit wetsvoorstel grotendeels geschreven is vanuit angst voor extremisme. Maar die angst wordt niet met zoveel woorden genoemd. De minister verwijst naar ”actuele voorbeelden”. Dat gaat overduidelijk over het Haga Lyceum. Ik vind dat de minister zijn kaarten op tafel moet leggen. Daarmee krijgt het debat over burgerschap een eerlijker context.”

Berend Kamphuis, de voorzitter van de vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs Verus, bond begin dit jaar in dagblad Trouw de kat de bel aan. Hij vindt het niet terecht dat alle scholen nu te maken krijgen met extra regels over burgerschap omdat een klein aantal islamitische scholen daar geen of onvoldoende werk van maakt.

Vraag aan minister Slob: Waarom erkent u niet dat angst voor extremisme en falende islamitische scholen de aanleiding zijn voor het indienen van deze wet?

2. De overheid gaat haar boekje te buiten door scholen voor te schrijven dat ze sociale cohesie moeten bevorderen

„De vrijheid van richting komt in het geding als de overheid gaat voorschrijven welke burgerschapsvaardigheden leerlingen moeten hebben. Burgerschap gaat over de plaats van het individu en de groep in de samenleving. Dat raakt direct aan de levensbeschouwing en morele dimensies van de school.”

Dat stelde prof. Renée van Schoonhoven, hoogleraar onderwijsrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, in juni dit jaar in het Reformatorisch Dagblad.

Volgens Slob draait burgerschap niet alleen om het leren over democratie als politiek systeem, maar ook om „de sociale omgang tussen mensen buiten de sfeer van de overheid.” Ter illustratie somt hij een reeks waarden en vaardigheden op waaronder waarheidsgetrouwheid, sympathie, respect voor de mening van anderen, flexibiliteit en verantwoordelijkheidszin.

Vraag aan minister Slob: Is het gedetailleerd aangeven van wat scholen moeten doen om de sociale cohesie te bevorderen niet strijdig met de vrijheid van inrichting van het onderwijs?

3. Slob legt het begrip democratische basiswaarden te smal uit

„Wie is er tegen verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en non-discriminatie? Onder democratische basiswaarden vallen echter óók artikel 6 van de Grondwet over de vrijheid van godsdienst en het befaamde artikel 23 over de vrijheid van onderwijs. Er bestaat geen hiërarchie in grondwetsartikelen. Artikel 1 –dat gaat over non-discriminatie– is niet belangrijker dan de artikelen 6 of 23. Het seculiere ‘geloof’ heeft geen voorrang op het protestants-christelijke, het rooms-katholieke of het islamitische geloof. Nederland is een land van minderheden en religieuze pluriformiteit. Niemand mag iemand dwingen tot een religie, maar er mag ook geen dwang zijn om religie of religieuze standpunten los te laten.” Dat stelde prof. Tom Zwart, hoogleraar crossmediaal recht uit Utrecht, enige tijd geleden in deze krant. Hij vindt dat minister Slob het begrip democratische basiswaarden te smal uitlegt.

Vraag aan minister Slob: Hoe geeft u in de wet over de burgerschapsvorming de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs het volle pond?

4. De nieuwe regels kunnen het orthodoxe onderwijs bedreigen

„Dit wetsvoorstel stelt expliciet dat scholen hun onderwijs dienen vorm te geven binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat. Maar wat als die grenzen steeds strakker worden getrokken door de politieke meerderheid en allerlei Bijbels genormeerde standpunten niet meer binnen die ”vangrails” passen? Denk bijvoorbeeld aan het thema seksuele diversiteit.”

Dat stelde VGS-voorman Pieter Moens in het Reformatorisch Dagblad. Volgens hem mag het niet zo zijn dat de scholen alleen maar opvattingen van een seculiere meerderheid moeten overdragen aan hun leerlingen.

En dat gevaar is niet denkbeeldig. „Scholen mogen niet uitdragen dat homoseksualiteit verderfelijk is”, schreef minister Slob net voor de zomer in een brief aan de Tweede Kamer. Een dergelijke uitlating levert in de visie van de minister „spanning op met het beginsel van de gelijkwaardigheid.” Met het „ongenuanceerd” verkondigen van dit standpunt „voldoet de school dan ook niet aan de voorwaarde dat respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat wordt bevorderd.”

Vraag aan minister Slob: Houdt het orthodox-christelijke onderwijs onder deze wet dezelfde ruimte en vrijheid die het nu heeft? Mogen scholen bijvoorbeeld uitdragen dat homoseksualiteit zondig is? En dat een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht niet naar Gods bedoeling is?

5. De onderwijsinspectie krijgt te veel bevoegdheden

„Je ziet in het rapport hoe de inspectie te werk zal gaan als de nieuwe wet over het burgerschapsonderwijs straks is aanvaard. De aap is uit de mouw gekomen.”

Volgens prof. Tom Zwart ging er in het rapport van de onderwijsinspectie over het burgerschapsonderwijs dat dit voorjaar verscheen, een wissel om. Na presentatie van het onderzoek naar burgerschap in 2016 was er vooral tevredenheid; in 2020 kreeg een aantal scholen pittige kritiek.

De inspectie onderzocht het thema seksuele diversiteit, de omgang tussen jongens en meisjes, het bepleiten van afzijdigheid van de samenleving, de aandacht voor culturele diversiteit en het geven van voorrang aan godsdienstige uitgangspunten. Zwart denkt dat de onderwijsinspectie ook zo te werk zal gaan als de nieuwe wet is aanvaard.

Vraag aan minister Slob: Waarom ging de onderwijsinspectie dit voorjaar al te werk alsof de wet is aanvaard? Gaat de inspectie na aanvaarding van de wet nog verder in het toetsen dan dit voorjaar gebeurde?

6. Slob maakt via een achterdeurtje de ingesnoerde bevoegdheden van de onderwijsinspectie ongedaan

„Deze wet mag er niet toe leiden dat de bemoeienis van de onderwijsinspectie met het onderwijs weer toeneemt. Daar ligt een risico.” SGP-Kamerlid Bisschop vindt dat de onderwijsinspectie alleen de deugdelijkheid van het onderwijs mag toetsen en dat de onderwijsinhoud een verantwoordelijkheid van de scholen is. De SGP’er loodste met zijn D66-collega Van Meenen een initiatiefwet door de Tweede en de Eerste Kamer die de bevoegdheden van de inspectie aan banden legde. Slob lijkt nu via de wet op de burgerschapsvorming de initiatiefwet ongedaan te maken.

Vraag aan minister Slob: Hoe zorgt u ervoor dat de burgerschapswet de initiatiefwet over beperking van de bevoegdheden van de onderwijsinspectie niet ongedaan maakt?