Waarom de identiteit van refojongeren niet sterk is

Elsbeth Visser-Vogel. beeld RD, Anton Dommerholt

Niet alleen (v)mbo’ers, ook vwo-jongeren met een reformatorische achtergrond stellen weinig kritische vragen over het christelijk geloof. Soms hebben ze die wel, bijvoorbeeld over kledingregels, overdoop of het bestaan van God. Maar antwoorden zoeken ze weinig. Ze lijken juist sterk verbonden met het christelijk geloof. Mogen ouders en docenten blij zijn met volgzame jongeren? Dat is maar de vraag, zegt onderzoeker Elsbeth Visser-Vogel.

Ze geloven dat God bestaat en weten zich verbonden met de kerkelijke gemeente. Ze zijn ervan overtuigd dat de Bijbel waar is en het christendom het enige juiste geloof. De identiteit van refojongeren lijkt sterk. Lijkt – want verbondenheid zonder verinnerlijking kan zomaar wankel blijken te zijn. Omdat het dan juist aan een diepe, persoonlijke overtuiging kan ontbreken, stelt Visser. Ze deed vanuit Driestar educatief onderzoek voor het lectoraat Vorming vanuit de Bron van het Hoornbeeck College.

Eerder onderzoek van het lectoraat liet zien dat de identiteit van reformatorische (v)mbo-jongeren niet sterk is. Zij exploreren niet, zoals wetenschappers dat noemen. Oftewel: ze stellen weinig vragen en zoeken niet naar antwoorden. Een periode van exploratie is volgens de theorie nodig voor een sterke identiteit: wie twijfelt, vragen stelt en op zoek gaat naar antwoorden staat standvastiger in zijn keuzes. Ligt het aan het niveau van mbo’ers en vmbo’ers dat zij weinig kritische vragen stellen, vroeg Visser zich af. Is dat te moeilijk voor hen?

Niet dus. Ook hun leeftijdsgenoten op het vwo stellen weinig vragen bij het christelijk geloof en zoeken weinig naar antwoorden. Het gebrek aan exploratie heeft dus eerder te maken met hun reformatorische achtergrond of hun leeftijd, concludeert Visser daarom nu. Ze wijst erop dat beide groepen wel hoog scoren bij exploratie in gedrag: dingen doen die niet mogen. „Dat helpt niet om een sterkere identiteit te krijgen, want het verandert je denken vaak niet.”

Waarom zou het goed zijn als refojongeren niet zomaar overnemen wat hun ouders vinden en doen?

„Refojongeren voelen zich wel verbonden met de kerk en het geloof, maar er is grote kans dat hun identiteit in de toekomst wankel blijkt te zijn. Het zou goed zijn als ze meer zouden exploreren, dus hun eigen overtuigingen vormgeven. Het gaat erom dat ze nadenken over vragen rondom het geloof: wat vind ik hier zelf van? Dat is iets anders dan dingen doen die niet mogen van je ouders, want ook dat bevordert geen sterke identiteit.

Het past bij het reformatorisch zijn dat je weinig vragen stelt, niet te veel twijfelt. Dat voelt prettig, fijn, veilig. Maar voor het ontwikkelen van een stevige identiteit is niet nadenken gevaarlijker dan twijfelen.”

Wordt dat vooral een probleem voor jongeren die gaan studeren en op een seculiere hogeschool of universiteit komen?

„Wie geen vragen krijgt, houdt het inderdaad langer vol. Stel: je woont op de Veluwe, zit op het Hoornbeeck College in Amersfoort en gaat daarna werken in het bedrijf van je vader. Dan red je het waarschijnlijk prima. Maar is dat wenselijk? Je identiteit is gebaseerd op wat een groep vindt. Vwo’ers komen wellicht vaker in een omgeving waar aan hen geschud wordt, waar ze bevraagd worden en waar gediscussieerd wordt. En dan is de kans groot dat ze meteen het geloof vaarwel zeggen. Wie nooit heeft leren exploreren, doet dat in een later stadium vaak radicaal, weten we uit wetenschappelijke onderzoeken. Leer ze dus op de middelbare school al omgaan met vragen die later op hen afkomen.”

Hoe dan?

„Door bijvoorbeeld situaties te creëren waar leerlingen echt in contact komen met andersdenkenden. Er zijn scholen die leerlingen laten logeren in een niet-christelijk gezin. Het is wel van belang dat je dan achteraf reflecteert: wat heeft dit met je gedaan, wat vind je nu?

Ook in de klas kun je de leerlingen in contact brengen met andere geluiden, bijvoorbeeld door boeken. Maar een heel vertrouwde en veilige omgeving, waar je je kunt verschuilen achter de mening van de groep, staat exploratie in de weg. Dan hoef je er zelf niet iets van te vinden.”

Staat het reformatorisch onderwijs exploratie dan niet juist in de weg?

„Het is erg bepalend wat voor docenten je hebt. Er zijn goede docenten die openstaan voor de zoektocht van jongeren en aansluiten bij hun vragen. Maar er zijn ook leraren die een houding hebben van: „Zo is het en dat heb je maar te vinden. Klaar. Er is geen andere optie.” Dat geeft een simplistisch beeld van de werkelijkheid, want op de universiteit ontdekken jongeren ineens dat bijna iedereen een andere mening heeft dan zij. Zijn al die anderen dan dom?

Het is gevaarlijk als je een beeld meegeeft dat op alles een simpel antwoord te vinden is. Zijn afwijkende geluiden ook welkom? Of staat van tevoren al vast wat leerlingen moeten vinden? „Noem drie tegenargumenten bij de evolutietheorie” – daarmee bevorder je geen exploratie. Wel als je jongeren voorlegt: „Wat vind je van de evolutietheorie en waarom?” Laten ouders en docenten duidelijk maken dat vragen bij het leven horen en dat je niet alles kunt begrijpen.”

Niet elke ouder zal graag stimuleren dat kinderen kritische vragen stellen bij het geloof, misschien uit angst dat ze afhaken.

„Toch krijgen jongeren een sterkere identiteit door op onderzoek uit te gaan en aan het denken te worden gezet. Schrik niet van hun kritische vragen, want dan voelen jongeren zich schuldig als ze een vraag hebben. Of ze denken dat het zondig is als ze zoeken naar antwoorden. En dat helpt niet.

Elke jongere heeft vragen, dus haal die maar naar boven. Stimuleer ze om na te denken: deze opvatting heerst in de samenleving, wat vind je daarvan? Het gaat niet om exploratie op zich, maar om het doel erachter: dat jongeren zich verbinden aan het christelijk geloof. Je moet niet alleen maar vragen oproepen en flink aan hun wortels schudden. Jongeren moeten ook niet blijven twijfelen. Je moet hen net goed helpen om antwoorden te vinden en zich daaraan te verbinden.”

Hoe kunnen ouders hun kinderen op een goede manier laten nadenken over geloofsvragen?

„Geef geen beeld mee dat vragen fout zijn. Leer kinderen dat niet overal een simpel antwoord op te vinden is. Maak kinderen ervan bewust dat ze een eigen mening hebben en laat hen ontdekken dat je niet alle vragen hoeft te beantwoorden. Kijk alleen al naar de vragen binnen onze eigen geloofstraditie, de verschillende stromingen en kerken. Waarom doen wij het niet zoals christenen in bijvoorbeeld China?

Stel ook eens een wedervraag in plaats van zelf meteen het antwoord te geven. Ik betrap mezelf als moeder er regelmatig op dat ik te snel met een antwoord kom. Pas vroeg mijn zoontje: „Hoe groot is God eigenlijk?” Ik moest op mijn tong bijten om niet meteen allemaal mooie dingen te zeggen. Het kan soms beter zijn om een vraag terug te stellen: „Wat denk je zelf?”

Ook belangrijk is dat je als ouder onvoorwaardelijke liefde laat zien, zodat jongeren niet denken: zolang ik hetzelfde vind en doe als mijn ouders, vinden ze mij aardig. Dat kan het zoekproces en de verinnerlijking erg in de weg staan. Jongeren zullen dan namelijk stoppen met vragen en niet meer zoeken naar antwoorden.”