Vakleerkracht bewegingsonderwijs gewild op basisscholen

Leerkrachten die na 2001 met hun pabo-opleiding startten, zijn zonder aanvullende leergang niet meer bevoegd gym te geven. Scholen zoeken manieren om de gymlessen te kunnen laten doorgaan. De vakleerkracht bewegingsonderwijs lijkt een ideale oplossing.

„Tsjonge, jij bent dapper, zeg!” Hans Geurtsen, vakleerkracht bewegingsonderwijs, steekt zijn waardering niet onder stoelen of banken. Het meisje dat zojuist van de zevende sport van het wandrek sprong zonder met haar handen de grond aan te raken, glundert verlegen. „Echt goed gedaan.”

In de gymzaal waarin groep 4 van de Rehobothschool in Opheusden zijn wekelijkse gymles krijgt, hangt en staat alles klaar om de 29 leerlingen in beweging te krijgen. Touwen, een wandrek, een trampoline, twee springplanken, twee dikke matten en drie duikelstangen: onmisbare attributen voor de les die op het programma staat.

De leerlingen hebben duidelijk zin in het uurtje gym; ze vliegen op de toestellen af en het gegiechel is niet van de lucht. Geurtsen laat nog snel twee jongens hun horloge afdoen –„daaraan kun je blijven haken”– en start de les. Vier onderdelen staan er op het programma: verspringen, diepspringen, duikelen en schommelen.

Applaus

De 27-jarige vakleerkracht bewegingsonderwijs krijgt een groot applaus als hij voordoet hoe ver je kunt springen als je maar hard genoeg rent. Het applaus tekent de sfeer in de gymzaal. Hier wordt niet gefocust op wat leerlingen niet kunnen, maar juist op wat leerlingen –al dan niet met hulp van anderen– wel kunnen. Geurtsen: „Als je zelf niet over de duikelstang kunt komen, kan iemand anders uit de klas je helpen.” En dat gebeurt. „De momenten dat de leerlingen elkaar helpen, zijn erg mooi”, vindt Geurtsen „Daar krijg ik energie van.”

Naast deze groep geeft hij nog 25 andere groepen gym. „In totaal krijgen zo’n 570 leerlingen les van mij.” Deze leerlingen zitten op vier verschillende basisscholen; twee in Opheusden en twee in Ochten.

Werkdruk

Sinds het afronden van de lerarenopleiding lichamelijke opvoeding aan de Christelijke Academie voor Lichamelijke Opvoeding (CALO) op het Windesheim in Zwolle kan Geurtsen zich vakleerkracht bewegingsonderwijs noemen. Hij is bevoegd om gym te geven in zowel het basis- als het voortgezet onderwijs. Vakleerkrachten die op de basisschool werken, hebben dus geen eigen klas, maar geven het vak gym aan de klassen van andere leerkrachten.

Hij merkt dat de vakleerkracht bewegingsonderwijs steeds meer op basisscholen ingezet wordt en ziet daarvoor twee redenen.

„Leerkrachten die voor 2001 met de pabo zijn gestart en deze uiterlijk in 2005 hebben afgerond, zijn automatisch bevoegd gym te geven. Leerkrachten die na 2001 met hun pabo-opleiding gestart zijn, mogen zonder aanvullende bevoegdheid enkel gym geven in de kleutergroepen. De leerkrachten die zonder aanvullende leergang bevoegd zijn, worden echter ouder en zien het niet meer altijd zitten om klassen van collega’s gym te geven.”

Daarnaast ziet hij dat scholen steeds meer de neiging hebben leerlingen te werven door te benadrukken dat de school een gezonde school is. „Om dat waar te maken, moet je goed bewegingsonderwijs aanbieden en daarvoor zijn gymdocenten nodig.”

Scholen bekostigen een vakleerkracht vaak met geld dat ze krijgen om de werkdruk te verlichten, merkt Geurtsen. „Leerkrachten kunnen nu andere dingen doen in de tijd waarin ze anders gym zouden geven. Ze hoeven zich ook niet druk te maken over het voorbereiden van de les en het klaarzetten en weer opruimen van de materialen.”

Gedrag

Leerkrachten die na 2001 met de pabo gestart zijn en toch gymlessen willen geven, moeten de Leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs (LVB) volgen om hun bevoegdheid te halen.

Deze route volgt de 21-jarige Joanne van de Weetering. Ze heeft de pabo inmiddels afgerond en is bezig met het derde en laatste blok van de LVB. Een leerkracht die de LVB afgerond heeft, wordt een vakspecialist genoemd.

Een vakspecialist is dus van een andere orde dan een vakleerkracht. De vakspecialist heeft namelijk –in tegenstelling tot de vakleerkracht– wel een eigen klas en is niet bevoegd gym te geven in het voortgezet onderwijs.

Van de Weetering merkt dat ze tijdens de gymles veel leert over de manier waarop kinderen in vrije situaties met elkaar omgaan. „Het gedrag dat ze dan laten zien, kan heel anders zijn dan het gedrag in het klaslokaal. Als je geen gym geeft aan je klas, heb je die informatie niet.”

Beiden merken dat een vakleerkracht of vakspecialist de lessen doorgaans anders aanpakt dan een leerkracht die zonder aanvullende leergang bevoegd is.

„Ik zet bijvoorbeeld twee of drie duikelstangen klaar in plaats van één. Leerlingen zijn daardoor continu bezig met de activiteiten. Dat dubbel klaarzetten is soms best wat werk, maar ik kan de materialen vaak laten staan voor de volgende les. Een juf of meester kan dat niet en zal dus minder snel materialen dubbel uitzetten”, aldus Geurtsen. Hij probeert verder zo veel mogelijk de toestellen en opdrachten aan de verschillende niveaus van de leerlingen aan te passen. „Het duikelen dat vandaag op het programma stond, bied ik op zes niveaus aan: bijvoorbeeld door de duikelstang op verschillende hoogtes in te stellen of door de leerlingen van een hulpmiddel gebruik te laten maken. Zo kan iedereen dezelfde oefening op zijn eigen niveau doen.”

Anticiperen

Het feit dat er steeds meer vakdocenten bewegingsonderwijs worden ingeschakeld, is volgens Geurtsen en Van de Weetering is een goede zaak. „Een vakdocent is door zijn opleiding beter in staat te anticiperen op mogelijk gevaarlijke situaties tijdens de gymles”, aldus Geurtsen. „De beweging die een leerling bijvoorbeeld bij trapezezwaaien maakt, heb ik tijdens mijn studie uitvoerig geanalyseerd. Ik weet waar ik op moet letten en dat komt de veiligheid ten goede.”

Tijdens hun lessen houden Geurtsen en Van de Weetering rekening met de leefwereld waarin de leerlingen zich bevinden „Sommige sporten, zoals volleybal, worden in de reformatorische gezindte veel beoefend. Denk bijvoorbeeld aan de toernooien op de campings waar de leerlingen in de vakantie naartoe gaan. Volleybal laat ik dan ook extra aan de orde komen.”

Beide leerkrachten zijn niet negatief gestemd over de mate waarin jongeren in de reformatorische gezindte bewegen. „Hoewel reformatorische leerlingen minder in verenigingsverband sporten, bewegen ze best veel; ze spelen namelijk veel buiten”, merkt Van de Weetering.

Beiden krijgen veel vrijheid bij het invullen van de gymlessen. „De overheid heeft twee kerndoelen opgesteld: die komen erop neer dat leerlingen geïntroduceerd moeten worden in de bewegingscultuur en dat ze zichzelf daarin moeten verbeteren.” Naast deze twee kerndoelen zijn er twaalf leerlijnen; hierin staat globaal beschreven wat er aan de orde moet komen. „Binnen dit kader hebben wij alle vrijheid om onze lessen in te richten.”

Geurtsen en Van de Weetering raden leerkrachten zonder vakopleiding aan om verder te kijken dan klassikale spellen. Van de Weetering: „Durf ook eens een les te geven waarin je speeltoestellen gebruikt.” Geurtsen: „Ga na hoe je bij een spel verschillende niveaus kunt inbouwen en zorg er zo voor dat elke leerling een succeservaring kan opdoen. Dan wordt bewegen echt leuk.”

„Kennen van kinderen erg belangrijk voor goede gymles”

Geerten Zwemer, vakgroepvoorzitter bewegingsonderwijs bij Driestar educatief, ziet dat het belang van bewegingsonderwijs verder gaat dan het motorische aspect. „Verschillende onderzoeken laten zien dat bewegen de concentratie verhoogt en leerlingen beter in staat stelt goede keuzes te maken.”

Een leerkracht die de gymbevoegdheid wil halen, moet de Leergang Vakbewaamheid Bewegingsonderwijs (LVB) volgen en mag zich –na afronding van de LVB– vakspecialist noemen. „In de LVB wordt er veel aandacht geschonken aan variatie en differentiatie. Dat verhoogt de kwaliteit van het bewegingsonderwijs.” Zo’n 20 à 25 van de 170 pabostudenten volgen jaarlijks de LVB bij Driestar educatief. „Het merendeel van hen is zelf gek op bewegen.”

Zwemer zet zijn vraagtekens bij de opkomst van de vakleerkracht bewegingsonderwijs, die vaak veel leerlingen, afkomstig van verschillende scholen, lesgeeft. „Hoewel vakleerkrachten breed zijn opgeleid en veel kennis in huis hebben, zijn ze –doordat ze geen eigen klas hebben en vaak op meerdere scholen werken– doorgaans minder betrokken bij de school. Dat vind ik een kwalijke zaak.”

Serieus

Het kennen van de kinderen en de schoolcultuur is volgens Zwemer „erg belang- rijk. Als ik weet waar het kind angst voor heeft, kan ik dat serieus nemen. Om dat te weten te komen, moet ik de kinderen wel goed kennen. Daarom zie ik graag dat vakspecialisten in plaats van vakleerkrachten de gymlessen geven; zowel aan hun eigen klas als aan de klas van een collega die geen bevoegdheid heeft.”

Zwemer zou het „toejuichen” als de leerkracht meegaat tijdens een gymles die door een vakspecialist wordt gegeven om te assisteren of te observeren. „Tijdens gym wordt het gedrag van leerlingen uitvergroot; onmisbare informatie voor de groepsleerkracht.”