Andere aanpak bij dyslexie

Balt van Raamsdonk verdiepte zich na de verkoop van zijn bedrijf in zijn eigen leesprobleem. Nu is hij voorzitter van de Stichting Platform Dyslexie Nederland. „Mijn methode past niet binnen de huidige visie op lezen en dyslexie, maar moedige leerkrachten werken er wel mee.” beeld RD, Henk Visscher
2

Een grote tekst lezen door een papier met daarin een gaatje ter grootte van één letter, schiet niet op. Wie hele woorden herkent, leest veel vlotter. Leesonderwijs dat daarop gericht is, kan problemen bij kinderen met aanleg voor dyslexie voorkomen, aldus Balt van Raamsdonk, bestuursvoorzitter van de Stichting Platform Dyslexie Nederland.

Kinderen die gevoelig zijn voor dyslexie en leren lezen door elke letter afzonderlijk te benoemen en het geheel dan aan elkaar te plakken, zullen nooit volledige woordbeelden herkennen. Lezen zal dan niet vlot en vloeiend gaan. Het is alsof je hen hebt leren steppen op een fiets, stelt Van Raamsdonk (84) uit Leersum. „Ze zullen niet uit zichzelf ontdekken dat er een zadel is, dat er trappers zijn en dat je daar iets mee kunt. Hooguit leren ze sneller steppen, maar het wordt nooit fietsen.”

Van Raamsdonk ontwikkelde samen met anderen de methode Alfa-bedding, die gericht is op het leren herkennen van woordbeelden. „Kinderen in groep 1 kunnen hun stoeltje al herkennen, niet aan een plaatje of een sticker, maar gewoon aan hun naam. Ze kennen de letters niet, maar zien het complete woord en daar geven ze betekenis aan. Dat jonge kinderen een woordpatroon al kunnen herkennen, kunnen we benutten in de aanloop naar het leren lezen”, aldus Hildegonde Mostert, eveneens betrokken bij de stichting.

Leesproblemen

Op de lagere school bleek Balt van Raamsdonk grote leesproblemen te hebben. Het tempo van de rest van de klas hield hij niet bij. Na de lagere school besloot hij daarom niet verder te studeren, maar te gaan werken. Het grootste deel van zijn leven was hij zelfstandige: hij was fabrikant van onderhoudsmiddelen.

„Toen ik na mijn zestigste mijn bedrijf kon verkopen en meer tijd voor andere dingen kreeg, ben ik gaan nadenken over mijn leesproblemen. Ik vond het zo gek: ik kon bij alles prima meekomen, maar lezen lukte nog steeds niet vlot”, vertelt hij. „Ik ben toen mijn eigen leesprobleem gaan analyseren.”

In eerste instantie worstelde hij zich door heel wat boeken over dyslexie heen. Ook zocht hij contact met vooraanstaande dyslexiedeskundigen, zoals Wied Ruijssenaers, Ludo Verhoeven, Kees van den Bos en de Belgische hoogleraar Wim van den Broeck. Van Raamsdonk woonde diverse bijeenkomsten over het onderwerp bij.

Uiteindelijk viel voor hem het kwartje toen zijn vrouw Hansje hem vertelde dat zij woorden als geheel herkent. „Neem nu het woord ”sgaap”. Daar zie ik niets raars aan. Als je de klanken van de verschillende letters achter elkaar uitspreekt, heb je ook gewoon een woord met een betekenis. Maar mijn vrouw ziet direct dat er iets niet klopt.”

Eenzijdig

Het is voor Van Raamsdonk wel duidelijk: dat er zo’n nadruk gelegd wordt in het onderwijs op fonologie, de klanken, helpt dyslectische kinderen totaal niet. Drs. Bert Ordelman, als orthodidact en dyslexiedeskundige verbonden aan Rehoboth Dienstverlening in Barneveld, is dezelfde mening toegedaan. „Ik doe mijn best om een ingang te vinden op reformatorische basisscholen voor een andere aanpak van dyslexie. Veel te vaak hoor ik dat het erom gaat dat een kind een woord dat hij hoort, kan verklanken: kan vertellen uit welke letters het bestaat. Maar dyslecten hebben geen hoorproblemen en kunnen dat prima. Toch komen ze niet verder, dus er moet een ander probleem zijn, waar een andere aanpak bij nodig is”, concludeert hij.

„Naar mijn mening zouden alle betrokkenen op z’n minst moeten erkennen dat de huidige methodiek eenzijdig is: alles draait om de fonologie, er is geen aandacht meer voor het lezen als visueel proces, zoals dat bijvoorbeeld in de jaren 70 nog wel het geval was. Maar je leest niet met je oren, je leest met je ogen.”

Spelenderwijs

Regelmatig liep Van Raamsdonk binnen op een basisschool. „Ik genoot er erg van om met kinderen te werken. Als ik weer jong zou zijn, zou ik graag leerkracht worden”, lacht hij. Als een soort remedial teacher begeleidde hij kinderen die bij het klassikale leesonderwijs waren vastgelopen, waarbij hij zijn eigen methode inzette.

Enthousiast vertelt hij over een jongetje dat altijd in slaap viel zodra het onderwerp lezen op het programma stond, maar nu bij het gebruik van de nieuwe methode goed bij de les blijft. „Het is toch geweldig als een 10-jarig kind dat nog nooit een letter heeft kunnen onthouden, met hulp van jouw methode vooruit geholpen wordt doordat hij erachter komt dat hij het heel goed kan onthouden en toepassen? Kinderen ontdekken de dingen graag spelenderwijs. Als ze merken dat ze het in de vingers krijgen, bij deze methode in de meest letterlijke zin, werkt dat zo stimulerend.”

Toch is er een grote maar: als het kind terugkomt in de klas, moet het vaak weer verder met lezen op de manier die niet bij hem of haar aansluit. „Ik leer het kind bij wijze van spreken de trap op lopen met z’n neus naar voren, maar de leerkracht laat hem weer achterstevoren lopen. Dan schiet het niet zo op.”

Vandaar dat de methode volgens de ontwerpers in het ideale geval al wordt ingezet in groep 2, voordat het gewone leescurriculum start. „Je weet niet altijd van tevoren welke kinderen in een risicogroep voor dyslexie vallen, dus je zou er gewoon klassikaal mee moeten starten.”

Onderzoek

Op een basisschool in Deurne wordt de methode dit schooljaar gebruikt en getest. Binnen een samenwerkingsverband met 27 scholen zijn dertig kleuters aangewezen die duidelijk in een risicogroep vallen. Dat is vastgesteld aan de hand van onder meer erfelijkheid. De helft van hen gebruikt nu Alfa-bedding, de andere helft niet, zodat eventuele verschillen duidelijk kunnen worden.

„Dyslexie is geen stoornis maar een gevolg van een verkeerde instructie hoe je leert lezen”, stelt Hildegonde Mostert. „Het liefst zouden we zien dat er promotieonderzoek gedaan wordt naar dit onderwerp. Dan kunnen kinderen meer jaren achtereen gevolgd worden. Ook zou het heel mooi zijn als er tegelijkertijd relevant onderzoek naar het brein van kinderen gedaan kan worden. De Hersenstichting is geïnteresseerd en ondersteunt onze stichting met een financiële bijdrage.”

Van Raamsdonk hoopt dat zijn methode breder wordt ingezet. „Het past nog niet binnen de huidige visie op lezen en dyslexie, maar ondernemende leerkrachten durven er wel mee te werken. Ze zien het als medicijn. Het vult een leemte. Ook mij hielp het meer woordbeelden te krijgen, hoewel ik moet zeggen dat ik nog steeds niet snel lees. Een patroon dat zo veel jaren verkeerd ingeslepen is in je hersenen, krijg je er niet meer zo snel uit.”

Herkennen van een woordpatroon

Alfa-bedding start in groep 2 via de volgende vijf stappen, waarbij begonnen wordt met zes letters a, e, k, n, r en t.

1. De vorm en de positie van de letter herkennen. Via tastbare vormpjes, van zo’n 1,5 centimeter groot, leren kinderen de vorm van de letter herkennen.

2. De alfabetische naam van de letter leren, zowel actief als passief. „Zoals kinderen voorwerpen uit het dagelijks leven uit elkaar kunnen houden (bijvoorbeeld een pruim, een appel en een peer), zo kunnen ze ook figuurtjes uit elkaar houden”, aldus Van Raamsdonk.

3. Woordpatronen op woordkaartjes herkennen. Kinderen kunnen de opdracht krijgen om kaartjes met hetzelfde woord bij elkaar te zoeken, bijvoorbeeld in de vorm van memory.

4. Het woordpatroon identificeren met de betekenis. Kaartjes met afbeeldingen passen bij de woordkaartjes en maken duidelijk dat het woordje ”tent” dezelfde betekenis heeft als het bekende plaatje.

5. Het woord herkennen. De leerkracht kan het kind vragen om een kaartje met een bepaald woord erop. Het woordpatroon heeft dan een betekenis gekregen, terwijl het kind tegelijkertijd weet dat het geheel uit losse letters bestaat.

Zien en tasten

„Lettertjes zijn maar dode dingen, codes, door mensen zelf bedacht”, aldus voorzitter B. van Raamsdonk van Stichting Platform Dyslexie Nederland. „Het kan voor een deel van de kinderen veel moeilijker zijn om lettertjes te herkennen dan voorwerpen waar ze elke dag mee te maken hebben. Dingen die ze zien en vast kunnen houden, die functioneren binnen een context die zo’n voorwerp betekenis geeft.”

Volgens orthodidact drs. B. Ordelman is het fysieke binnen de ontwikkelingspsychologie erg belangrijk. „Om een letter- en woordbeeld in te scherpen, kan het helpen als je dat op de een of andere manier fysiek kunt doen.”

Van Raamsdonk: „Een 3D-letter die je neerlegt, is iets concreets en tastbaars geworden, net zoals een ander voorwerp. Dat helpt kinderen veel beter om de verschillende letters van elkaar te onderscheiden dan wanneer er alleen een klank aan een symbool wordt gekoppeld.”

Ordelman: „Een klank is ook niet stabiel. Op basis van een klank zou je ”bir” verwachten, niet ”beer”. Daarom is leren lezen op basis van klank niet primair het geschikte middel, maar staan het visuele en de tast voorop. Op een woordbeeld kan een kind vertrouwen. Spelfouten hoor je niet, die zie je.”