Over luiers wassen, voedsel kweken en shoppen zonder plastic

Mevrouw M.P. Boone, E.P. Midavaine-Sturm, J. Verhage-Janse en D. Van Heemskerk-Glas (vlnr) vertellen hoe zij vroeger leefden. beeld Dirk-Jan Gjeltema
9

Zelf groenten verbouwen, vers eten koken, luiers wassen en plasticvrij boodschappen doen. Mensen die goed voor de schepping willen zorgen, stappen soms over op een duurzamere levensstijl. Ze kiezen voor een manier van leven die vroeger heel gewoon was.

Vier rollators staan geparkeerd in het atrium van verzorgingstehuis Eben-Haëzer in Middelburg. Vier oudere dames die gebruik maken van de zorg van Cedrah vertellen hoe zij leefden toen ze jong waren.

„Als mijn vader thuiskwam uit zijn werk, ging hij de moestuin in”, vertelt mevrouw E. P. Midavaine-Sturm (97). Ze lag onlangs weken in het ziekenhuis nadat ze geschept was door een auto. Maar ze is terug in het woonzorgcentrum en haar geheugen laat haar niet in de steek. „Vader verbouwde slaplanten, koolplanten, snijbonen; bijna alles. En hij was niet de enige, het hele dorp had een groentetuin.”

Video

Het document kan niet getoond worden, omdat het mogelijk is dat het cookies plaatst die volgens uw cookie-instellingen niet toegestaan zijn.
Sta alle cookies toe om het document te tonen.

Mevrouw J. Verhage-Janse (89) –„ik ben nog goed gezond”– knikt instemmend. „Je eigen groenten verbouwen was goedkoper, hè. En dan at je automatisch met het seizoen mee. In de winter de verschillende kolen en in de zomer boontjes of sla bijvoorbeeld. Ik dacht nooit: nu heb ik hier wel genoeg van gegeten, ik wil weer eens wat anders. Je wist niet beter toen.”

„Wij legden de snijbonen ook wel in het zout voor de winter”, herinnert mevrouw Midavaine zich. „Dan hadden we wat meer variatie. Maar we aten in ieder geval iedere week hetzelfde per seizoen.” „Bijna altijd aten we aardappels en groenten”, knikt mevrouw M. P. Boone (89). Ze woont nu ruim 30 jaar in een aanleunwoning. „En als toetje aten we groentepap, of een pudding van maizena.”

Niet alle groenten die nu in de schappen liggen, werden 70 jaar geleden ook verorberd door de dames. „Broccoli is nieuw”, zegt mevrouw D. Van Heemskerk-Glas. Ze is met haar 73 jaar de jongste van het stel. Vanwege haar spierziekte heeft ze zorg nodig. „En vroeger had je alleen kropsla en snijsla. Nu heb je ook ijsbergsla, rucola en dat soort dingen.”

„Ook tomaten kenden we vroeger niet”, zegt mevrouw Verhage. „En van pompoenen had je ook nog nooit gehoord.” „Ik wel”, reageert Midavaine. „Mijn opoe kookte er pap van. Dat bond ze dan en dat konden we eten. Pompenpap, noemden we het.”

„Tegenwoordig zijn er veel te veel soorten groenten”, vindt mevrouw Van Heemskerk. „Je weet niet meer wat je moet kiezen. En daarom koop je dan al snel te veel.” „Daarom wordt er ook zoveel weggegooid”, denkt mevrouw Verhage. „Hoe bestaat het? Ik gooi nooit iets weg.”

Supermarkt

Supermarkten bestonden niet in de jonge jaren van de senioren. En die waren volgens hen ook niet nodig. Midavaine: „Wij hadden twee geiten die melk gaven. Als we meer nodig hadden, gingen we naar de boer voor melk. Pap of yoghurt kochten we ook niet. Die maakten we gewoon zelf.” „De melkboer, maar ook de bakker en de slager kwamen bij ons aan de deur”, zegt Van Heemskerk. „Na de oorlog, zo rond 1970 begon dat te veranderen”, herinnert mevrouw Verhage zich. „Toen kwamen ze niet meer langs de deuren.” „De bakkers verdwenen, dus moesten we naar de super”, knikt Boone. „Daar was het voedsel ook voordeliger”, zegt Van Heemskerk. „Voor mijn man en mij wel fijn, want we moesten op de kleintjes letten.”

Mevrouw Midavaine. beeld Dirk-Jan Gjeltema

Van Heemskerk noemt het „geweldig” dat milieubewuste mensen er soms voor kiezen hun eigen voedsel te verbouwen. „Ik denk dat het een hobby voor hen is.” „Ik vind het mooi dat ze het doen, maar vroeger werd dat ook gedaan”, laat Verhage weten. „Ik raapte vroeger op de knieën aardappels uit het veld. Niet omdat het mijn hobby was. Zo hoorde het gewoon, dat was de manier van leven.” Boone: „Vroeger verdienden de mensen niet zoveel, hè. Je moest op die manier voor jezelf zorgen. Dat had niks met CO2-uitstoot of wat dan ook te maken.” „Van CO2 hadden we zelfs nog nooit gehoord”, lacht Midavaine.

Even is ze afgeleid door een monitor. Voor het scherm staat een fiets waarop ouderen virtueel de Rocky Mountains kunnen overfietsen. Of door Middelburg kunnen toeren. „We fietsten net langs een bruidspaar dat zwaaide”, gebaart ze. „Net echt.”

Wasdag

„Gisteren las ik een artikel in de krant dat kleuterjuffen klagen dat ze zoveel luiers moeten verschonen”, vertelt Van Heemskerk. „Dat is de schuld van de ouders, vind ik. Die moeten hun kinderen zindelijk maken. Maar omdat ze wegwerpluiers gebruiken, doen ze daar niet zoveel moeite voor.”

Mevrouw Van Heemskerk. beeld Dirk-Jan Gjeltema

„Mensen gaan mee met wat de groep doet”, denkt mevrouw Verhage. „Nu hebben de meesten wegwerpluiers, dus dat neem je dan automatisch over. Ze denken er waarschijnlijk niet al te veel bij na, maar gebruiken het omdat het gemakkelijker is.” Ze bestudeert een foto van een moderne wasbare luier. „Hoe moet je dit nou wassen? Dat lijkt me een heel werk. Wij hadden gewoon vierkante katoenen luiers.”

„Katoenen doeken waren de enige luiers die bestonden”, zegt mevrouw Van Heemskerk. „Ik was altijd blij als de witte luierwas wapperde in de wind.” „Daar was je trots op”, beaamt Verhage. Midavaine herinnert zich nog hoe het wassen in z’n werk ging. „De vieze luier spoelde je met de hand. Dan liet je ’m weken in de emmer. Vervolgens waste je hem met de stamper of een wasbord.” „En in de zomer legde je het wasgoed te bleken in de zon”, zegt Boone. „Daar werd het extra wit van.”

Van Heemskerk snapt wel dat het tegenwoordig anders gaat. „Mijn moeder was maandagavond –maandag was wasdag– altijd ziek. Het was hard werken. Nu kun je de wasmachine aandoen en ondertussen iets anders doen. En dat moet ook wel, want veel vrouwen werken. Toen ik trouwde kwam ik thuis te zitten en was ik blij als ik iets omhanden had.” „Die tijd is niet te vergelijken met nu”, vindt mevrouw Verhage.

Mevrouw Verhage. beeld Dirk-Jan Gjeltema

Plastic

„Toen de supermarkten kwamen, ontstond ook het plastic afval”, weet mevrouw Boone. „In onze tijd was dat er nog niet. Het is makkelijk spul hoor, plastic. Voor de vissen en al die dingen is het niet goed. Maar daar kwamen we pas later achter.” Van Heemskerk kan zich het plasticloze tijdperk nog goed herinneren. „De bakker had zijn brood in een mand. De groenteboer leverde losse groenten. De melkboer kwam met een bus langs de deur. En de slager had vetvrij papier. Plastic was niet nodig.” „We vermeden afval niet bewust”, zegt Van Heemskerk. „Het was er gewoon niet.”

„De hoeveelheid plastic die we nu gebruiken vind ik overdreven”, zegt mevrouw Midavaine. „Aan het eind van de week heb ik een hele bak met plastic. Neem koekjes. Die zitten in een bakje en de zijn ook nog per stuk verpakt. Terwijl we nu weten dat het slecht voor het milieu is.”

Mevrouw Boone. beeld Dirk-Jan Gjeltema

Gemak

„De jonge generatie kent geen andere manier van leven”, denkt Verhage. „Ze groeit op in een tijd waarin ze van alle gemakken voorzien zijn.” „Omdat zoveel mensen buitenhuis werken, is er ook niet altijd tijd voor de leefstijl die wij hadden”, denkt Midavaine. „Vroeger was alles bewerkelijker. Maar wij konden als getrouwde vrouwen de hele dag op ons gemak een beetje in huis bezig zijn. Dat gaat nu niet meer.”

Mevrouw Boone wil vervlogen tijden niet idealiseren. „De mensen moesten hard werken hoor. De machines van tegenwoordig stoten misschien wel CO2 uit, maar ze nemen veel en zwaar werk uit handen.” „Mijn vader werd met z’n 57e al afgekeurd omdat hij versleten was”, knikt Midavaine-Sturm. „Die tijd is voorbij”, zegt Van Heemskerk-Glas. „Het is niet beter of slechter geworden, maar wel anders. Heel anders.”

Alleen voor het gedrag van de scholieren die ze tussen de middag naar de supermarkt zien trekken, hebben de senioren geen goed woord over. „Ze kopen een zak chips en gooien hun goede boterhammen weg”, zegt Boone. „De goeden niet te na gesproken.” Midavaine-Sturm schudt het hoofd. „De een loopt te lurken, een ander te kauwen en een derde koopt frietjes. De helft eten ze op. De rest laten ze liggen voor de vogels.”

Shoppen zonder plastic afval

„Doei Gera, je wordt te extreem”, zegt de 44-jarige juf en moeder van vijf kinderen tegen zichzelf als ze onbewust zoekt naar fruit zonder sticker. „Afval mag bestaan.”

Voordat Gera van den Berg uit Hierden haar hoeveelheid afval probeerde te verminderen, klopte ze regelmatig aan bij haar alleenstaande buurvrouw. Ook na stampen in de afvalcontainer kon er soms niets meer bij. Dus stelde de buurvrouw haar container ter beschikking. „Inmiddels zit onze container nu maximaal voor een kwart vol.”

Hoe ze dat doet? Op de keukentafel staan talloze spullen die een deel van haar geheim prijsgeven. Het wasbare doekje met bijenwas voorkomt, net als aluminiumfolie, dat iets uitdroogt. Het groentenetje neemt Van den Berg mee als ze gaat winkelen. Scheelt een plastic zakje. Met een metalen bak gaat ze naar de notenboer voor studentenhaver.

Gera van den Berg. beeld RD, Anton Dommerholt

Brood bakt ze zelf. Ook dat scheelt plastic. Het broodmeel zit wel in een verpakking, maar die is van papier. En omdat het een grote verpakking is, is dat relatief minder afval. Ook op handzeep uit een plastic flesje zit Van den Berg niet te wachten. „Geef mij maar een blok zeep. Ook handig als deodorant. Dat scheelt afval. En schadelijk drijfgas.”

De wetenschap dat God haar de aarde in bruikleen heeft gegeven, motiveert de Hierdense om minder afval te produceren. „We weten dat overdaad schaadt en de plasticsoep een gigantisch probleem is. Daarom doe ik er wat aan.”

Het besef dat er iets moet gebeuren ontstond bij Van den Berg toen ze –jaren terug– haar ecologische voetafdruk berekende. „Ik gebruik 3,4 aarde. Dat kwam binnen.”

„Of het effect heeft wat ik doe? Om nuchter te zijn: natuurlijk niet. Maar ik hoop dat ik mensen kan prikkelen, kan enthousiasmeren. Ergens ben ik een beetje jufferig, denk ik. Ik kom nu zes of zeven jaar bij dezelfde marktkoopman met mijn broodzak. Pas vertelde hij me dat hij katoenen zakken gaat neerleggen. Dan ben ik blij.”

Soms moet Van den Berg uitkijken dat ze niet „zit te drammen”, vertelt ze. „Pas had ik een studiedag van onze schoolvereniging. De koffiedame stond achter een tafel vol plastic bekertjes. Ik heb voor zulke gevallen mijn thermosbeker bij me. „Mag het hierin”, vraag ik dan. „Zo voorkom ik een beetje afval.” „Mensen ervaren zo’n actie al snel als een aanklacht tegen hun eigen gedrag. En gaan zich dan bij mij verontschuldigen. Dat is helemaal niet nodig. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag. Ik wil alleen laten zien dat het ook anders kan. Dat er alternatieven zijn.”

Voor ouderen is de manier waarop Van den Berg haar leven invult „een feest van herkenning”, denkt ze. „Zij bakten hun eigen brood, namen de boodschappentas mee naar de groenteboer en dronken uit stenen mokken. Pas later ontstond de gemakscultuur waardoor we zoveel plastic afval zijn gaan produceren. Daar moeten we van terugkomen.”

Zonder afval leven is niet haar ultieme doel, zegt Van den Berg. „Als het extreem wordt, verliest het de nuance. Ik heb eens voor de grap mijn was gewassen met kastanjes. Daar zit een substantie in die ervoor zorgt dat de was prima schoon wordt.” Voor een keer leuk, maar ze houdt het toch liever bij haar zelfgemaakte wasmiddel van geraspte zeep en heet water. „Het moet niet belachelijk worden.”

Ook koopt Van den Berg snoep of koeken in de supermarkt. „Verpakkingsvrije snoep bestaat nauwelijks. Maar als ik snoep koop, ga ik wel voor een soort die niet per stuk is verpakt. En liever in papier dan in plastic. Een rolletje pepermunt is dus het beste.”

Aan mensen die de hoeveelheid afval willen verminderen adviseert Van den Berg om te beginnen met bewuster boodschappen doen in de supermarkt. „Kies voor een koek die niet driedubbel verpakt is. En kies voor een glazen pot pastasaus in plaats van een van plastic of papier. Want glas is het beste recyclebaar.”

Verder is geduld met jezelf volgens Van den Berg belangrijk. „Als je binnen een maand alles goed wilt doen, word je knettergek. Dan verlies je meteen alle zin erin. Net als met lijnen kun je beter beginnen om het koekje bij de koffie over te slaan en niet meteen je hele eetpatroon omgooien.”

Voedsel uit eigen tuin

Als boontjes uit eigen tuin op haar bord liggen, is Maria Speknijder (28) gelukkig. „Ze zijn niet ingepakt in plastic, er kwam geen vervuilend transport aan te pas en ze zijn groot geworden zonder pesticiden. Dan smaakt een boon toch veel beter?”

Auto’s schieten passeervakken in om tegenliggers voor te laten gaan. De buitenwegen van het Zuid-Hollandse dorp Berkenwoude zijn smal. De wegen zijn begrensd door sloten. Bruggen voeren wagens naar boerderijen. In één daarvan woont Speksnijder, samen met haar man en drie kinderen. Maar ook haar ouders leven daar; met vijf van hun zes kinderen. Ze vormen een leefgemeenschap. „Soms vragen mensen waarom wij ervoor kiezen zo te leven. Ik vraag dan: Waarom zou je het níet doen als de relatie goed is? Zo ging het vroeger altijd.”

Maria Speksnijder. beeld RD, Anton Dommerholt

De familie probeert zoveel mogelijk te leven van wat hun perceel opbrengt. In de moestuin van 500 vierkante meter wachten nog wat rode kolen op consumptie. Wortels steken met hun groene loof uit de bodem. De meeste bakken echter zijn al bedekt met bladeren. Zo trekt de voeding van het blad de bodem in. Voor volgend jaar.

De moestuin is omringd door bessenstruiken. In de boomgaard geven knoestige appel-, kers- en pruimenbomen hun vrucht. „Soms hebben we zoveel fruit dat we er sap, jam of taart van maken”, zegt Speksnijder. „Ook ruilt ze voedsel met buurtbewoners. „Wij hebben zelf bijvoorbeeld geen stoofperen. Als we die kunnen ruilen, eten we gevarieerder.”

Aardappels en graan komen bij de boer vandaan. „Voor een familie van deze omvang zouden we een hectare landbouwgrond nodig hebben om een jaar gevoed te kunnen blijven. Dat gaat niet. Wél rooit Speksnijder de aardappels zelf, bij de boer. „Zo krijgt hij een goede prijs en besparen we CO2. Er zijn immers geen machines nodig, en je hebt ook geen transport naar de winkel. Ook sparen we plastic verpakkingen uit.”

Niet alleen aardappels, fruit en groenten, ook vlees en ei wordt geproduceerd op de boerderij. Kippen scharrelen over het erf. In de sloot langs het perceel dobbert een tiental eenden op de golven. In een ren zitten drie kalkoenen die dagelijks ontsnappen.

Het kost tijd om onkruid te trekken, groenten te wecken en een kip te plukken, zegt Speksnijder. Maar gemak gaat niet boven alles, meent Speksnijder. „Sommige dingen zijn belangrijker. Voedsel bereiden mag tijd kosten.” Maar er zijn grenzen. Voor de kippen kocht de familie inmiddels een veerplukmachine. Want een stukje kipfilet kan ook te veel tijd kosten.

Doordeweeks werkt Speksnijder als orthopedagoog. In het weekend is de moeder van drie, zeker in het hoogseizoen, veel buiten te vinden. „We kunnen de boel niet een aantal weken op z’n beloop laten. Dan zou ik vervolgens een week vrij moeten nemen.”

Eerlijk is eerlijk; dat het zo arbeidsintensief is, is niet altijd leuk, vindt Speksnijder. „Want dan zou ik wel meer willen naaien en haken. Maar dit is belangrijk voor het milieu, voor de lokale economie. En ik wil ook kunnen voorzien in ons eigen levensonderhoud. We zijn gewend aan onze veilige, stabiele omgeving. Maar als de stroom drie weken uitvalt, kan dat zomaar veranderen. Gelukkig ga ik dan niet van mijn stokje.”

Speksnijder realiseert zich dat haar leefstijl niet haalbaar is voor iemand in een appartementencomplex of met een postzegelachtertuin. „Maar je kunt altijd een deel van je tuin tot moestuin omvormen. Zeker als je kinderen hebt, is het goed dat ze leren wat de prijs van voedsel is.”

Zich terugtrekken uit de maatschappij en zelfvoorzienend gaan leven is niet de toekomstdroom van Speksnijder. „Dan ga je terug naar het jaar 1000. Toen zorgden mensen de hele dag voor hun dagelijks voedsel. Dat moet je niet willen. Maar honderd jaar geleden ging het denk ik ongeveer zoals wij het nu doen. Men haalde voedsel bij de lokale boerderij en at met de seizoenen mee. Hoe de mensheid tegenwoordig eet, is niet normaal.”

Wasbare luiers hergebruiken

Ze staat niet graag in de spotlights, zegt ze zelf. Maar toen Eline Verschuure (24) op Facebook las dat mensen wasbare luiers goor vonden, trok ze aan de bel. „Ik moet het blijde nieuws brengen.”

Nee, een luier verwisselen is geen fris klusje, beaamt Verschuure. „Maar”, stelt ze, „met een wasbare luier is het niet viezer dan met een wegwerpluier. Je doet bijna hetzelfde. Het inlegvel in de wasbare luier gooi ik in de prullenbak waar ik anders de wegwerpluier in zou gooien. De luier zelf doe ik in een waterdichte luierzak in een luieremmer. Als de emmer vol is, leeg ik die die in een keer binnenstebuiten in de wasmachine.”

Eline Verschuure. beeld RD, Anton Dommerholt

„Lekker poep spoelen in de wasmachine”, stelt een van de Facebookreaguurders sarcastisch. Verschuure relativeert. „Ik zet eerst de spoelwas aan. Dan is de ergste viezigheid eruit. Daarna was ik op 60 graden. Dan komt het weer schoon uit de wasmachine.” Dat mensen vervolgens niet graag hun T-shirts laten wassen in diezelfde wasmachine, vindt Verschuure onzin. „Washandjes waarmee je je onderkant schoonmaakt gooi je ook in de wasmachine. En de volgende keer maak je je gezicht ermee schoon. En dat geeft toch niks? Dat apparaat is er om schoon te maken.”

Andere Facebookers zeggen wegwerpluiers makkelijker te vinden. En dat is het ook, zegt Verschuure. „Met twee kinderen draai ik twee luierwassen in de week. Die moet ik ook drogen en opvouwen. Aan de andere kant: ik hoef niet telkens naar de winkel voor nieuwe luiers en naar de afvalcontainer om ze weer weg te gooien. En soms moet je wat voor duurzaamheid over hebben.”

Moeders worden enthousiast als ze zien hoe praktisch wasbare luiers zijn, stelt Verschuure. „Dan is de scepsis vaak weg. Veel mensen hebben toch nog het beeld van vroeger voor zich. Van de doek met de veiligheidsspeld. Mijn moeder heeft alle negen kinderen in de wasbare luiers gehad. Ze zette de luiers in de week en moest met de hand poep spoelen. Gelukkig is dat allang niet meer zo, anders was ik er ook nooit aan begonnen.”

In het Edense appartement legt Eli (2,5) een puzzel. Hij was met twee jaar overdag zindelijk. Zijn zusje Rifka, 8 maanden oud, zit in de box. Hun moeder vertelt waarom haar kinderen in wasbare luiers rondlopen. Ze heeft drie redenen: het is duurzaam, het is goedkoop én herbruikbare luiers hebben leuke printjes.

Het duurzaamste leven is een leven zonder kinderen, zegt Verschuure. „Ik voel me ergens schuldig als ik de berekeningen zie waaruit blijkt hoeveel milieu-impact het krijgen van een kind heeft. Het is een extra belasting van de aarde. Tegelijkertijd zijn kinderen een geschenk. En ik voel me geroepen om moeder te zijn.” Nu ze kinderen heeft, probeert ze die zo duurzaam mogelijk op te voeden. Om te beginnen als het kind in de luiers zit.

Een kind in wegwerpluiers produceert volgens de onafhankelijke adviesorganisatie MilieuCentraal 22 kilo afval per maand. Voordat het zindelijk is, heeft het zo’n 5300 luiers versleten. Over goedkoop: wasbare luiers zijn –alle kosten meeberekend– volgens hetzelfde onderzoek 480 euro goedkoper voor het eerste kind. Bij een tweede of meer kinderen loopt dat voordeel verder op, omdat de wasbare luiers herbruikbaar zijn.

Wasbare luiers zijn er in verschillende varianten. Over de pocketluier die Verschuure eerder kocht, is ze wat minder te spreken. „Die lekt sneller en moet ik eerder verschonen.” Over de tweedelige luier steekt ze de loftrompet. „De binnenste luier vangt de ontlasting op, het overbroekje blijft schoon. Allebei zitten ze vast met eens stevig elastiek. Daardoor heb ik nog nooit een spuitluier gehad waarbij de ontlasting op de rug van het kind zit. Tijdens vakanties gebruik ik wegwerpluiers. Dan gebeurt me dat wel. Dat is pas vies.”

In haar omgeving wordt het gebruik van wasbare luiers populairder, ziet Verschuure. Van haar vriendinnengroep van negen vrouwen, hebben er zeven kinderen. Drie daarvan gebruiken herbruikbare luiers. „En op het consultatiebureau was ik eerst de enige. Inmiddels zie ik er meer.”

Lokale producten zelf koken

De geur van kippenbouillon vult iedere hoek van de woonkamer van Johanna Post. De 27-jarige inwoonster van Groesbeek kookt bijna altijd vers. Noodgedwongen. Maar ook: duurzaam.

„Jarenlang heb ik slecht voor mijn lichaam gezorgd”, vertelt Johanna. Details houdt ze liever voor zich, maar haar eetgedrag resulteerde in een poreuze darmwand. „Daardoor neem ik nauwelijks vitaminen en mineralen meer op. Zo heb ik een permanent vitaminetekort dat ook mijn hormoonhuishouding ontregelt.”

Johanna Post. beeld RD, Anton Dommerholt

Een kant-en-klare stamppot andijvie is aan Post niet besteed. Pizza evenmin. Zelfs na het eten van een belegd broodje van de bakker kan de van oorsprong Urkse de volgende dag geveld op bed liggen.

Vers koken, zonder toevoegingen, is een must voor haar gezondheid. Maar ook speelt mee dat Post gelooft dat God van haar vraagt om niet alleen goed voor zichzelf te zorgen, maar ook voor de wereld om haar heen. „Ik kan niet op alle gebieden duurzaam leven en ik pak heus wel eens de auto naar de stad, maar als ik op deze manier een bijdrage kan leveren, ben ik daar dankbaar voor.”

Op zaterdag doet Post boodschappen bij de lokale boerderij. „Van tevoren weet ik wat ik ga halen, dus ik doe geen impulsaankopen.” In de supermarkt slaat Post de afdelingen met kant-en-klare sauzen, koekjes, frisdrank en de koeling over.

Verse voeding is op drie manieren beter voor haar leefomgeving, denkt Post. „Ik neem zelf de tasjes mee waar ik de bloemkool en boontjes in stop. Verpakkingen zijn dus niet nodig. Omdat dat voedsel niet in een productiefabriek is geweest, spaar ik de energie uit die de fabriek gebruikt om voedsel te transporteren en te bewerken. En ook eet ik met het seizoen mee. Ik eet liefst voedsel dat in Nederland is geproduceerd op het land, en niet in de kas. Dus voor mij liever geen tomaten in de winter. Ook dat scheelt energie.”

Post kookt bijna altijd vers. Ook omdat aan de groenten die ze koopt geen zouten, suikers een E-nummers zijn toegevoegd. Heel af en toe doet Post makkelijk. „Ik heb een potje witte bonen achter de hand. Want dat klaarmaken is zo intensief. Dan moet je de groenten eerst een nacht laten weken en dan nog vier uur koken. Daar heb ik niet altijd de tijd voor.”

Kokkerellen kost Post zo’n tien uur per week, schat ze. Dat is voor haar het grootste nadeel van vers koken. Op haar vrije dagen kookt de interieurstyliste daarom grote hoeveelheden. „Zo kan ik af en toe wat uit de vriezer trekken.” De helft van de bouillon die staat te pruttelen, belandt in de vriezer.

Brood, bouillon, crackers, het avondeten. Post maakt het allemaal zelf. „Zo weet ik wat ik binnenkrijg. Dat levert me letterlijk energie op.” En complimenten van visite neemt ze dankbaar in ontvangst. „Als mensen zeggen: Dit is lekker, dan denk ik: dat heb ik dus zelf gemaakt.”

Vers gekookt eten smaakt anders, zegt Post. „De meeste mensen zijn heel zout en zoet eten gewend. Een pan zelfgemaakte tomatensoep zonder toevoegingen smaakt anders dan de meeste mensen gewend zijn. Ze vinden het al snel flauw, zonder zout. Maar zo smaakt tomaat.”

Post kookt ook vers omdat ze het als plicht richting God ervaart om –na jaren van verwaarlozing– goed voor haar lichaam te zorgen. „Suikerziekte en veel hart- en vaatziekten, typische welvaartziekten, zijn een direct gevolg van voeding met te veel suiker en vet. In het Oude Testament gaf God Israël de spijswetten ook niet voor niets. De dingen die ze wel mochten eten waren gezonder dan de dingen die ze niet mochten eten.”

Mens en milieu zouden beter af zijn als mensen vaker vers kookten, zegt Post. „We zouden voeding tot ons moeten nemen, in plaats van voedsel. Vers gekookt eten zonder toevoegingen, dat vult. Een verse maaltijd is iets prijziger, maar daarna zit je vol. Je hebt dan minder behoefte aan chips, snoep en dat soort dingen. We bidden bij iedere maaltijd: „Leer voor overdaad ons wachten.” Dan mag je jezelf best afvragen of een zak chips en een fles cola ’s avonds altijd nodig is.”