Kritische RD-lezers stellen vragen aan hoogleraar klimaatverandering

Duurzaamheidsdebat
Bram Bregman (54) uit Houten, atmosfeer- en klimaatwetenschapper en als deeltijdhoogleraar klimaatverandering verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en als klimaatvertegenwoordiger aan de Wageningen University en Research. Jarenlang werkzaam bij het KNMI, ook als nationaal aanspreekpunt IPCC (klimaatpanel van Verenigde Naties). beeld Niek Stam
4

Klimaatsceptici –oneerbiedig klimaatontkenners genoemd– zetten vraagtekens bij klimaatverandering of de menselijke oorzaak ervan. Twee sceptische RD-lezers in gesprek over kritische stellingnames in het klimaatdebat.

  • Bram Bregman (54) uit Houten, atmosfeer- en klimaatwetenschapper en als deeltijdhoogleraar klimaatverandering verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en als klimaatvertegenwoordiger aan de Wageningen University en Research. Jarenlang werkzaam bij het KNMI, ook als nationaal aanspreekpunt IPCC (klimaatpanel van Verenigde Naties).
  • Wim Eradus (74) uit Veenendaal, oud-wetenschappelijk medewerker van Wageningen University en Research en docent techniek en maatschappij aan de Evangelische Hogeschool.
  • Bennie Bouwhuis (72) uit Nijbroek, gepensioneerd boer en fokveehandelaar, amateurweerkundige, onderzocht 9 miljoen kranten uit de periode van 1650 tot en met 2017.

Zowel Bennie Bouwhuis als ir. Wim Eradus vulde al eens enkele kolommen van het Reformatorisch Dagblad met een kritisch geluid over de oorzaak van klimaatverandering. In een zaaltje van de Radboud Universiteit van Nijmegen gaan ze in gesprek met atmosfeer- en klimaatwetenschapper prof. dr. ir. Bram Bregman, die overtuigd is van de menselijke oorzaak van klimaatverandering.

1. Klimaatverandering bestaat niet; de aarde warmt niet op.

Bouwhuis trapt af: „Er is sprake van opwarming, dat hoeven we niet te ontkennen. Maar hoe die is ontstaan, daar gaat mijn onderzoek onder meer over. Ik heb mijn bedenkingen over welke rol koolzuurgas (CO2, MK) bij de opwarming speelt.”

Eradus: „De aarde warmt langzaam op, daar ben ik van overtuigd. Maar het klimaat is een onvoorspelbaar, chaotisch systeem. Zelf ben ik er optimistisch over dat het klimaat in de komende dertig jaar weer kan gaan afkoelen. Opwarming en afkoeling zijn volgens mij cyclische verschijnselen, dat is in het verleden al vaak gebleken.”

Bregman: „Klimaatverandering is er altijd geweest. Dat de aarde dus nu ook opwarmt, wijzen metingen duidelijk aan.”

Bram Bregman (54) uit Houten, atmosfeer- en klimaatwetenschapper en als deeltijdhoogleraar klimaatverandering verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en als klimaatvertegenwoordiger aan de Wageningen University en Research. Jarenlang werkzaam bij het KNMI, ook als nationaal aanspreekpunt IPCC (klimaatpanel van Verenigde Naties). beeld Niek Stam

2. De opwarming en afkoeling is van alle tijden, dus er is niets aan de hand.

Eradus: „Inderdaad, klimaatverandering is onderdeel van allerlei cyclische verschijnselen. Prof. Horst-Joachim Lüdecke maakte een inventarisatie van dergelijke verschijnselen. Je kunt aan een aantal cycli denken. Zo heb je de Noord-Atlantische Oscillatie (de NAO is een meteorologisch fenomeen van luchtdrukverschillen boven de Atlantische Oceaan, MK). Deze NAO kan –door een of andere oorzaak– in een koude of een warme fase zitten. De NAO wijzigt nu in een koude fase, wat een ingrijpende verandering teweeg kan brengen in het klimaatbeeld in Europa.

Daarnaast is er een markante cyclus van zo’n duizend jaar. Met dat in gedachten komen we terecht bij het Middeleeuwse klimaatoptimum. Het was toen minstens zo warm als nu. En daarvoor had je nog warmere perioden, zoals in de Romeinse tijd, zo’n 2000 jaar geleden. Zulke langdurig warme perioden, die zich kenmerken door goede oogsten en welvaart worden afgewisseld door evenzo lange tijden van bittere koude met mislukte oogsten en andere ellende.”

Bregman: „Klopt, zulke cycli hebben invloed op het klimaat. Dat ontkennen klimaatwetenschappers ook niet, maar een cyclus van duizend jaar ken ik niet. De belangrijkste cyclus op korte tijdschaal is El Nino (een sterke opwarming van het zeewater in de Grote Oceaan, MK). Dit verschijnsel heeft een mondiaal effect op het weer. Het grootste effect komt mogelijk van de Pacific Decadal Oscillation, PDO, met een cyclus van tientallen jaren. Naast genoemde NAO en PDO heb je nog talloze andere cycli. Maar van elk van deze cycli -zelfs van El Nino- is geen significante trend aangetoond met de huidige opwarming.”

Bouwhuis: „Wist u dat wetenschappers in de 18e en de 19e eeuw continu het woord klimaatverandering gebruikten? De theorie was dan dat de aarde kantelde. Van 1790 tot 1860 waren veel winters in het zuiden van Europa kouder dan in de noordelijke helft. De monden van de Middellandse zee bevroren. In het zuiden van Frankrijk en Spanje konden ze schaatsen. Olijfbomen vroren dood. Klimaatverandering is dus geen modern, maar een heel oud verschijnsel.”

Bregman: „Sterker nog, de oude Grieken gebruikten het woord al. En het fenomeen kent natuurlijk een nog langere geschiedenis. Sinds de mens op aarde is, is er klimaatverandering door menselijk handelen. Klimaatverandering is dus zeker niet nieuw. Wat u noemt van de Kleine IJstijd is bekend, ook de oorzaken daarvan.”

Bouwhuis: „Denk niet dat het allemaal strenge winters waren in de Kleine IJstijd. In een jaar hadden de zwaluwen in januari al eieren. Half januari werden er in de Wieringerwaard kievietseieren gevonden. En in 1858 hadden we begin juni al een hittegolf te pakken.”

Bregman: „Dat geloof ik graag. Dat betekent niet dat er met de huidige klimaatverandering niets aan de hand is. Eigenlijk gaat deze stelling erom of de opwarming een natuurlijke of een menselijke oorzaak heeft.

Als je kijkt naar verstoringen van het klimaat, dan hebben die een natuurlijke of een menselijke oorzaak. Meer smaken zijn er niet. Als verstoringen groot zijn, zie je ze terug in een veranderend klimaat. Als ze klein zijn, zie je dat niet terug. In de steentijd leefden er nog zo weinig mensen op aarde dat ze van alles konden doen zonder grote invloed. Ze zetten enkel een tentje op en jaagden wat op herten.

De menselijke verstoring begon pas echt door te zetten sinds de industriële revolutie en de groei van de wereldbevolking. We begonnen massaal fossiele brandstoffen te gebruiken. Daarmee zijn we alle koolstof die in de bodem is opgeslagen kunstmatig versneld aan het ontginnen. Als je de data van de toename van CO2 bekijkt, dan is de groei gigantisch te noemen. Een groei die zijn weerga niet kent op geologische tijdschalen. De huidige CO2-concentratie zit inmiddels op het niveau van drie miljoen jaar geleden, in de periode dat Antarctica deels nog groen was. In 2017 verscheen een paper, die beschrijft dat de Zuidpool al aan het vergroenen is. We zien klimaatverandering dus voor onze ogen gebeuren.”

Bouwhuis, grinnikend: „In miljoenen jaren geloof ik niet, maar dat is een andere discussie.” Lachsalvo’s klinken.

Eradus: „Ik verbaas me over de vergroening van Antarctica die u noemt. Waardoor komt die?”

Bregman: „De opwarming draagt hieraan bij. Het westelijk deel van Antarctica is 2,5 graden opgewarmd sinds de industriële revolutie, meer dan twee keer zo veel als het wereldgemiddelde.”

Eradus: „Ik heb begrepen dat wetenschappers ook ruim 90 onderaardse vulkanen aanwijzen als mogelijke oorzaak. West-Antarctica ligt boven een 3500 kilometer lange breuklijn.”

Bregman: „Dat kan ik niet beamen. Maar het is belangrijk om aandacht te besteden aan de ondergrond van Antarctica, ook wat betreft het opveren van het land bij het smelten van de ijskap.”

Eradus: „Waarom warmen de andere delen van de Zuidpool dan niet op?”

Bregman: „Dat heeft deels te maken met de stromingspatronen en deels door de stabiele ijskap. Antarctica ligt gelukkig heel goed geïsoleerd. Rond het continent ligt een koude golfstroom. Voor de luchtlagen geldt hetzelfde. Door die isolatie plus de dikke, stabiele ijslaag, en daarmee de reflectie van het zonlicht, kan de Zuidpool haar eigen microklimaat goed in standhouden. Overigens zie je ook bij Oost-Antarctica breuken en smeltpatronen ontstaan in de ijslagen. Het moment dat het oostelijke deel van de Zuidpool geen ijs meer verliest, ligt al achter ons.”

Bouwhuis: „Kunt u verklaren waarom walvisvaarders in 1817 tot aan de Noordpool konden varen? Ik heb brieven van overheden en wetenschappers gelezen die zich zorgen maken over de afsmelting van het ijs op de Noordpool in die jaren. Het was heel extreem. Is daar wat van bekend?”

Bregman: „Interessant. Nee, dat weet ik niet. Dit zijn prachtige voorbeelden over hoe grillig het weer kan zijn. Er was toen dus een deel van de Noordpool gesmolten, waarvan we niet weten hoe groot het is geweest. Besef wel: in die tijd bestonden er geen systematische methoden om het poolijs te meten. Je moet dus afgaan op verhalen, en hoewel die interessant en waardevol zijn, kwantificeren ze niets. Ik zeg niet dat de verhalen niet kloppen. Tegenwoordig zijn er satellieten die de ijsdikte meten. De afsmelting uit die periode is terug te leiden op de grilligheid van het weer.”

Bouwhuis: „Wel een grilligheid die heel extreem was. Nu praten we ook over een ijskap die smelt en een Noordpool die verdwijnt.”

Bregman: „Nu hebben we systematische satellietmetingen van ijsdikte en het ijsoppervlak over het hele gebied.”

Bouwhuis: „Hoe zit het dan met de zestien hittegolven die de KNMI wegstreepte uit de data van de eerste helft van de 20e eeuw? Daardoor sneuvelen er tegenwoordig veel vaker hitterecords. Dat is dan natuurlijk niet vreemd.”

Eradus: „Ja, dat ging over het aanpassen van de temperatuurdata van voor 1951 vanwege andere veranderde meetomstandigheden. Temperaturen werden tot 1.9 graad verlaagd. Daardoor smolt toen het aantal hittegolven als sneeuw voor de zon.”

Bregman: „Over de homogenisatie zijn inderdaad oeverloze discussies geweest. Er is een heel team van mensen bij KNMI op gezet. Ik durf mijn hand wel in het vuur te steken voor de correctheid van die data.”

Bennie Bouwhuis (72) uit Nijbroek, gepensioneerd boer en fokveehandelaar, amateurweerkundige, onderzocht 9 miljoen kranten uit de periode van 1650 tot en met 2017.

3. De mens met zijn CO2-uitstoot heeft geen invloed op de opwarming.

Eradus: „De mens heeft zeker invloed op de opwarming, maar het debat moet volgens mij vooral gaan over hoe groot die invloed is. Klimaatalarmisten –een nare term vind ik overigens– denken dat die praktisch 100 procent is. Ik denk zelf dat de impact van de mens maar heel betrekkelijk is. Een belangrijke rol is volgens mij weggelegd voor natuurlijke verschijnselen en met name de invloed van de zon. De hoeveelheid zonnevlekken zorgt voor een variabel magnetisch veld om de aarde, waardoor er meer of minder kosmische straling onze atmosfeer kan binnendringen. Door deze straling ioniseren er deeltjes in de lucht die weer kunnen dienen als condensatiekernen voor regendruppels, en dus zorgen voor wolkvorming. Nu zijn er opmerkelijk weinig zonnevlekken, wat wolkvorming zou stimuleren en dus weleens voor een nieuwe afkoeling zou kunnen zorgen. Deze theorie komt van de Deense hoogleraar Henrik Svensmark die er onderzoek naar heeft gedaan.”

Bregman: „Ik ken de theorie, er is serieus naar gekeken. Maar voor zover ik weet, is een belangrijke rol bij de huidige opwarming nog nooit door metingen bekrachtigd.”

Eradus: „In het kielzog van de zon speelt bewolking een belangrijke rol voor de temperatuur op aarde. Er is dunne, hoge bewolking, die waarschijnlijk bijdraagt aan opwarming, en daarnaast is er de lage bewolking die de zonnestralen overdag juist terugkaatst. Het albedo (weerkaatsingsvermogen, MK) van dikke wolken kan bijna 100 procent zijn. Dit zorgt dus voor verkoeling. Daarnaast gedragen die wolken zich ook als een deken die ’s nachts de warmte vasthoudt. Wat per saldo de invloed van wolken op het klimaat is, is nog erg onduidelijk. Maar wel erg belangrijk.”

Bregman: „Klopt helemaal. Wolken zorgen voor een grote onzekerheid in klimaatmodellen. Dat wordt erkend en daar wordt op dit moment flink wat onderzoek naar verricht. Dergelijke terugkoppelingen vormen zelfs een van de sleutelonderwerpen in het World Climate Research Programme, een internationaal onderzoeksprogramma naar klimaatverandering.”

Bouwhuis: „Ik wil graag een ander punt aankaarten. Als CO2 de oorzaak van de opwarming is, zou de temperatuur geleidelijk moeten stijgen. Maar dat gebeurt niet. Sinds 1901 is de temperatuur in een vlakke lijn licht stijgend. In 1988, 1989 en 1990 wordt de temperatuur opeens 1,3 graad opgetild om vervolgens weer min of meer gelijk te blijven. Ze noemen dit ook wel ‘de klimaatsprong’, waarin ik me verdiept heb. Deze sprong blijkt geen lokaal verschijnsel te zijn. Je ziet het terug van Schotland tot Moskou en van Oslo tot diep in Spanje. De vraag is: wat is er in 1988 of iets daarvoor gebeurd? Wat blijkt, is dat de luchtstromingen rond dat jaar plotseling zijn veranderd. In de winter kwam de wind vaker uit het zuidwesten in plaats van het oosten en dat betekent zachtere lucht. In de zomer namen de oost- en zuidstroming juist sterk toe. Verstoringen in deze luchtcirculatiepatronen kwamen na 1988 ook veel minder vaak voor. Ook zijn sinds 1988 de zware onweders volgens mijn berekeningen met 70 procent afgenomen. Wat de precieze oorzaak van deze veranderingen is, is onbekend. Maar de abrupte temperatuurstijging komt in ieder geval niet door een geleidelijke stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer.”

Bregman: „Interessant, prachtig onderzoek. U bent leuke dingen aan het doen. Ik zou zeggen: Deel het met het KNMI. Maak eens een afspraak. Alle factoren die u noemt worden in analyses meegenomen. Zo zijn er ook windcorrecties. Wijzigingen in windrichting worden meegewogen in de verklaring voor een stijgende temperatuur.”

Bouwhuis: „Ik heb al eens contact opgenomen met het KNMI, maar dat was geen succes.”

Bregman: „Diverse deskundigen zijn met klimaatverandering bezig. En hiervoor geldt hetzelfde als in de medische wetenschap: veel mensen weten het beter dan de artsen. Tenminste dat denken ze en soms hebben ze nog gelijk ook. Wat ik u wil adviseren: neem contact op en ga in gesprek. Vraag ernaar als u denkt niet serieus genomen te worden. U bent enthousiast bezig en dat moet worden benut.”

Eradus: „Ik kan best begrijpen dat ze bij het KNMI leken niet serieus nemen. Ze hebben geen academische titel. Daar komt bij dat deze de experts vaak tegen de haren instrijken. Ze wijzen op iets wat ze zelf over het hoofd hebben gezien of dat tegen hun model ingaat.”

Bregman: „Toch moet je in gesprek proberen te komen. Ik zou haast zeggen: ze zouden u bij het KNMI een eigen kamer moeten geven.” Bouwhuis begroet de aanbeveling met een lach.

Bregman: „Terug naar de stelling: de invloed van de mens of juist de zon. Ondanks een periode van lage zonactiviteit zien we de temperatuur versterkt toenemen. Dat betekent dat deze natuurlijke oorzaak de huidige temperatuurstijging niet kan verklaren. Gezien de zonactiviteit zou het zelfs kouder moeten worden.”

Eradus: „Hoe kijkt u naar de hiatus (term voor pauze of afvlakking van de opwarming na het jaar 2000, MK)?”

Bregman: „Daar is veel onderzoek naar gedaan. De temperatuur is een jaar of tien tot vijftien redelijk vlak gebleven. Het vermoeden is dat via stromingspatronen in de Stille Oceaan, onderdeel van de eerder genoemde PDO, extra warmte is opgenomen. Het lastige aan dit onderzoek is het meten van de warmte in de oceaan. Er dobberen ongeveer 3500 boeien in de oceanen die de warmteuitwisseling vanuit de oceaan meten. Dit meetnetwerk is relevant, omdat 93 procent van alle warmte op aarde in oceanen zit. Als je aan mij als klimatoloog zou vragen: Op welke drie belangrijke plekken moet je op aarde meten? Dan zou ik zeggen: de oceaan, de oceaan en de oceaan.

Samenvattend: dat CO2 en temperatuur aan elkaar gekoppeld zijn, is een feit. Zelfs de grootste klimaatcriticus erkent dat CO2 een broeikasgas is. Wat we ook weten is dat de stijging van de CO2-uitstoot in de afgelopen anderhalve eeuw enorm is. De vraag die overblijft: Zien we die menselijke invloed ook terug in een temperatuurstijging? We noemden samen al diverse natuurlijke factoren die de temperatuur ook beïnvloeden. Er is dus een aanzienlijke ruis. Het duurt even voordat je boven die ruis uitkomt. Ik denk dat we de afgelopen twintig jaar door de ruis en alle grilligheden heen het grote plaatje zijn gaan zien en boven de ruis uitkomen.”

Wim Eradus (74) uit Veenendaal, oud-wetenschappelijk medewerker van Wageningen University en Research en docent techniek en maatschappij aan de Evangelische Hogeschool.

4. Wetenschappelijk gezien zijn er veel onzekerheden rond klimaatverandering en uitkomsten van onderzoek zijn soms politiek getint.

Eradus: „Het IPCC (klimaatpanel VN, MK) is een instituut dat geen wetenschappelijk onderzoek doet, maar het vooral verzamelt. Heel waardevol. Maar dan komt het: je krijgt bij het rapport ook een samenvatting voor politici. Daar pikken de alarmisten en milieuorganisaties, zoals Greenpeace, hun eigen dingen uit. Ik heb het gevoel, ja, zelfs de overtuiging dat de schoen wringt bij die samenvatting wat betreft objectiviteit. Die is vaak te alarmistisch van toon.”

Bregman, lachend: „Aan die samenvattingen heb ik veel gewerkt.”

Eradus: „Ik bedoel het uiteraard niet persoonlijk.”

Bregman: „Ik ben het eens met het feit dat zo’n beleidssamenvatting een draak van een ding is. Ja, ik ben er heel kritisch op. Ik heb zeven jaar lang in de arena tussen alle partijen gestaan om die samenvattingen op te stellen.

Twee dingen hierover. Allereerst beseffen mensen vaak niet dat wetenschappers uiteindelijk het laatste woord hebben. Zij bepalen van elke zin van de beleidssamenvatting of-ie er uiteindelijk in komt of niet.

Ten tweede: eerlijk gezegd vind ik de samenvattingen vrij conservatief. Want weet je wie de grootste mond hebben? De olieproducerende landen. De twee landen met de meeste invloed in het hele panel zijn Saudi-Arabië en China. Saudi-Arabië komt met tien man, China met 25 man, het zijn de grootste en meest professionele delegaties van allemaal. In hun kielzog heb je nog de kritische G77 (groep van 134 ontwikkelingslanden, MK), waaronder olieproducerende landen als Nigeria en Venezuela. Dat is een heel sterke poot. Samen zorgen ze ervoor dat de boel een beetje getemperd wordt, oftewel dat de tekst niet teveel tot actie oproept.

Daartegenover staan de kleine eilandstaten en andere kwetsbare ontwikkelingslanden die bedreigd worden door zeespiegelstijging en juist wel om actie roepen. Tussen deze twee brullende kampen staat Europa als een soort makelaar, die integer probeert te zijn.

Als je kijkt naar de conclusies over het afsmelten van het arctisch zeeijs dan zie je dat het IPCC door alle discussies aan de voorzichtige kant blijft zitten.

Dus, wat nou schreeuwende alarmisten? Ik ken nog wel andere clubs die flink roepen. ExxonMobil en BP zitten eveneens in de zaal. Die worden zelfs uitgenodigd mee te schrijven. Shell schrijft mee. Net als Greenpeace, samen in één hoofdstuk. Waarom? Om een uitgebalanceerde samenvatting te krijgen. Op basis van de metingen is het IPCC eerder te conservatief dan te alarmistich.”

Eradus: Hoe verklaart u het dat sommige wetenschappers het IPCC de rug toekeren?

Bregman: „Onder andere omdat ze deze arena in een politiek krachtenveld vervelend vinden. Ik heb huilende wetenschappers bij me gehad na discussies. Toen sommige landendelegaties complete grafieken uit het rapport wilden knallen, vanwege politieke belangen. Sommige causale verbanden zijn niet te vinden in de samenvatting voor beleidsmakers, maar wel in het hoofdrapport.

Je kunt je afvragen waarom dan dit circus? Maar tot nu toe is het de enige weg om een wereldwijde consensus te krijgen over een wetenschappelijk onderbouwde samenvatting van alle klimaatonderzoek. Zonder dit proces zou er geen klimaatakkoord in Parijs zijn getekend.”

Eradus: „Het smelten van de gletsjers van de Mount Everest in 2035 (stond in IPCC-rapport in 2007, MK) is die in de beleidssamenvatting terecht gekomen? Die fout was toch wel een blamage.”

Bregman: „Nee, dit soort fouten halen de summary gelukkig niet. Ik heb er altijd voor gepleit om het proces zo transparant mogelijk te maken. Ik zou er zelfs voor zijn om een soort wikipedia voor IPCC-rapporten te maken, zodat iedereen kan meelezen en meeschrijven. Nadeel is de controle, jan-en-alleman kan bagger in zo’n rapport gooien. Zoals het nu gaat, is het beste wat mogelijk is, maar vind ik niet goed genoeg. De roep om het opener te maken stuitte echter opnieuw op de conservatieve krachten.”

Als het gaat om de betrouwbaarheid van modellen vindt Bregman voorzichtigheid geboden. „Temperatuurprojecties hebben een grote bandbreedte. Als je mij vraagt hoeveel warmer het in de toekomst gaat worden? Dan moet ik eerlijk zijn, dat weet ik niet. We hadden het net over wat wolken doen: een van de grote onzekerheden in klimaatmodellen. Modellen moet je nooit als de waarheid gaan beschouwen. Als wetenschapper probeer je het klimaatsysteem te begrijpen en daarvoor heb je nu eenmaal modellen nodig.”

Eradus pakt er een grafiek bij. „Hier ziet u dat de modellen over verwachte temperatuurstijging flink uit elkaar lopen. De temperatuurtoenames die uit de computersimulaties komen rollen, liggen steeds duidelijker boven de gemeten temperaturen.”

Bregman: „Toch volgen de modellen van het recentste IPCC-rapport op grote lijnen de metingen van de mondiaal gemiddelde temperatuur. Behalve bij de hiatus, de tijdelijke afvlakking van de opwarming.”

Eradus: „Wat betreft die afvlakking: mensen hadden blij moeten zijn dat het niet zo erg was als dat ze dachten. Maar de wetenschap was juist ongerust, omdat hun modellen niet meer klopten. Daarvan word ik dan weer ongerust. En dan te bedenken dat in de jaren 70 van de vorige eeuw zo’n beetje het einde van de wereld werd voorspeld. Laten we een en ander alsjeblieft een beetje relativeren.”

Bregman: „Ben ik het deels mee eens. De wetenschappers waren niet ongerust omdat het minder opwarmde, maar omdat de modellen dit niet volgden. We zullen altijd kritisch moeten blijven op onze modellen. Tegelijk: wat we nu weten is genoeg om ons zorgen over te maken. Want waar gaat het uiteindelijk om? Het uitputten van de aarde wil toch niemand? Iedereen wil dat het goed toeven blijft voor zijn kinderen en kleinkinderen. Dan hebben we toch allemaal hetzelfde doel? Dat is beter dan discussiëren over of alles nu wel helemaal precies klopt. Aan de grote lijnen verandert er niets, al moet je altijd open staan voor nieuwe inzichten.”

5. Meer CO2 in de atmosfeer is juist positief, planten groeien er beter van.

Eradus: „Het is een positief effect dat soms wordt gebagatelliseerd. Door de opwarming kan er ook in koudere zones landbouw worden gepleegd en wordt het seizoen verlengd. Daarnaast groeien planten ook beter. De aarde vergroent, dat kun je duidelijk zien met satellieten. Uiteraard zijn er beperkingen, want als er te weinig stikstof in de bodem zit, groeien de planten alsnog niet goed. Het zegt genoeg voor mij dat kassentelers de concentratie graag boven de 1000 ppm willen (de huidige concentratie in atmosfeer is 410 parts per million, MK).”

Bregman: „Eens, dat CO2 plantengroei bevordert. Hoewel er daarbij verschillen zijn tussen planten, er zijn ook exemplaren die een hogere concentratie niet kunnen verdragen.”

Bouwhuis: „De Sahara zou aan weerskanten met oppervlakten ter grootte van Duitsland kleiner zijn geworden.”

Bregman: „We moeten niet vergeten dat meerdere effecten aan elkaar zijn gekoppeld. De CO2-stijging gaat niet alleen gepaard met positieve effecten, maar ook met opwarming, hittegolven en droogte. Met name rond de evenaar en de subtropen zie je de negatieve effecten van de opwarming. Op hogere breedtegraden voert het positieve effect van CO2 en opwarming de boventoon. Voor een Ethiopische boer die op een gegeven moment geen druppel water meer heeft, speelt de CO2-toename een negatieve rol door de opwarming. Al speelt de menselijke hand ook op een andere manier, via slecht waterbeheer, daarbij een belangrijke rol.”

6. Kom maar op met die opwarming. Een graadje erbij is juist lekker.

Eradus, grappend: „Nou, in de winter wel.” Serieuzer: „Een graad opwarming is natuurlijk niet veel, als je die meet ten opzichte van 1850, het eindpunt van de Kleine IJstijd.”

Bregman: „Ik heb het mijn studenten weleens gevraagd: Jullie vinden het toch ook niet erg om in oktober nog lekker buiten op een terrasje te kunnen zitten? Vaak moeten ze dan een beetje lachen. Tot er een zegt: „Ja, maar wij kunnen de opwarming nog wel aan, maar ontwikkelingslanden die weinig te makken hebben of kwetsbaar zijn met hun landbouw, kunnen dat niet. En zo is het maar net.”

serie Duurzaamheidsdebat

De huidige discussie rond klimaat en duurzaamheid valt gerust verhit te noemen. Er klinken sceptische geluiden, er zijn kritische stellingnames. Maar wat is er waar van al die statements? In deze serie gaan diverse kritische lezers het gesprek aan over verschillende thema’s.

Deel 1: klimaatverandering

Deel 2: duurzame ambities

Deel 3: duurzame technieken

Deel 4: theologische aspecten