Jelmer Mommers legt uit: nietsdoen aan klimaatprobleem geen optie meer

Jelmer Mommers: "We eten drie keer per dag en daarmee stemmen we drie keer per dag voor of tegen een leefbare aarde." beeld Eran Oppenheimer
2

Tijdens het schrijven van zijn boek zag Jelmer Mommers (31) uit Amsterdam het klimaatdebat oplaaien. Hij zag Thierry Baudet scoren met zijn aanvallen op het klimaatbeleid en zag hoe duizenden scholieren de straat op gingen om te spijbelen voor het klimaat.

In ”Hoe gaan we dit uitleggen” probeert Mommers mensen in beweging te brengen, omdat nietsdoen niet uit te leggen is. De journalist klimaat en energie van De Correspondent wil mensen met zijn dinsdag verschenen boek voor eens en altijd afhelpen van het idee dat hun acties een druppel op een gloeiende plaat zijn.

”Hoe gaan we dit uitleggen” luidt de titel. Wie moet er wat uitleggen?

„Wij allemaal. Want hoe kan het dat wij collectief zo veel weten van wat er allemaal misgaat met het klimaat en de soortenrijkdom in de natuur en dat we desondanks zo weinig doen? Hoe gaan we dat uitleggen aan de toekomstige generaties? Plus: kunnen we het überhaupt aan onszelf uitleggen? We handelen niet in lijn met de ernst van de situatie.”

In het eerste deel van het boek zoomt u in op wat er misgaat. Wat hebben darmbacteriën, bomen en insecten in dat verband met elkaar gemeen?

„We doen alsof we ze niet nodig hebben, alsof we er los van staan. Terwijl we compleet met deze drie –en de natuur in het algemeen– verweven zijn. We hebben ze nodig. Door de minuscule darmbacteriën worden we als mens overeind gehouden, de bomen geven ons zuurstof en insecten bestuiven de gewassen die we eten.

De technologische vooruitgang en het wonen in onze steden laten ons leven in zeer comfortabele bubbels. De natuur hebben we buitengesloten. Het is een apart domein geworden dat we onder controle proberen te brengen. Deze scheiding tussen mens en natuur is de grootste denkfout uit onze geschiedenis. En de wereldwijde opwarming is er een symptoom van. We kunnen het ons niet permitteren om de natuur nog langer te negeren.”

In een bijzin wijst u het christendom aan als verantwoordelijk voor het idee van de mens als heerser over de natuur. Het zijn toch ook juist christenen die pleiten voor soberheid en het zuinig omgaan met de aarde?

„In die zin is het christendom niet uniek, er zit een dubbelhartigheid in onze collectieve cultuur. We vinden het belangrijk om verantwoord met de aarde om te gaan, en tegelijkertijd plunderen we er al eeuwen op los omdat we denken dat we boven de natuur staan. Paus Franciscus voert in zijn in 2015 verschenen encycliek een pleidooi voor soberheid. Tegelijk heeft het christelijke geloof bijgedragen aan het onder controle brengen van de aarde. En alles wat er dan misgaat, moet wel Gods wil zijn.

Maar het geloof kan ook een heldere kapstok zijn voor mensen om over duurzaamheid na te denken. Er is namelijk ruimte voor een gesprek over zingeving, daar is al een taal voor. Die taal ontbreekt in een groot deel van de seculiere samenleving. Het christendom zou sneller stappen moeten kunnen zetten naar een duurzame samenleving.”

Volgens u is een klimaatapocalyps voorlopig nog niet aan de orde. Het onlangs verschenen boek ”De onbewoonbare aarde” van David Wallace-Wells schetst een pessimistisch beeld.

„Dat boek ken ik. Zijn analyses deel ik. Wallace-Wells staat in de apocalyptische traditie die denkt dat eindtijddenken nodig is om mensen wakker te schudden. Deze traditie is al behoorlijk oud. Zelf vind ik dat je je geloofwaardigheid verliest als je –zoals de milieubeweging in het verleden gedaan heeft– maar blijft zeggen dat de wereld vergaat en het steeds maar niet gebeurt.

Het verraderlijke van klimaatverandering is juist dat het geleidelijk gaat. Daarom zijn er nog steeds veel mensen die denken dat er niets aan de hand is. Hun beeld bij wat ‘normaal’ weer is schuift mee. Ondertussen zijn er miljoenen mensen voor wie het moeilijker is om hun gewassen te verbouwen, om zoet water te vinden of die gebukt gaan onder extreem weer. Dat kun je niet negeren.”

Van welke feiten schrok u het meest bij het schrijven van het boek?

„Ik ben twee keer geschrokken. De eerste keer toen ik alle problemen op een rij had gezet. Dan zie je hoe ingrijpend en onuitwisbaar de sporen zijn die we als mens nalaten.

De tweede keer was een positieve schok, een soort verrukking. Toen kreeg ik het besef dat we nog veel opties hebben om de uitstoot van broeikasgassen onder controle te brengen of ecosystemen te herstellen.”

Deel 2 van uw boek stelt de vraag: Waar gaat het heen? U schetst twee scenario’s voor 2050.

„Het eerste scenario is business as usual, zoals het nu gaat. We bereiken alleen marginale verbetering, die bij lange na niet genoeg zal blijken. Als je in dit scenario iemand aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid, wijst die altijd naar een ander – of het nu gaat om burgers, een bedrijf of de overheid.

Het tweede scenario beschrijft een radicale breuk met hoe we met de natuur zijn omgegaan. Ik noem het de Great Turn, de grote omwenteling. Deze verandering is het nettoresultaat van veel kleine en vergaande innovaties over de hele wereld. De kiemen daarvoor zijn er al en we hebben nu de kans om die te laten groeien. Denk aan technieken om de uitstoot terug te dringen, zoals zonnepanelen, grote windmolens en batterijen. Ik vind dat hoopgevend.”

Hoe komt er een Great Turn?

„Het begin is er dus al. Dat zit hem in het Parijsakkoord en andere klimaatakkoorden die gesloten zijn. Of kijk naar ambities van gemeenten of het netwerk aan laadpalen in heel Nederland. De ingrediënten zijn er, het moet alleen nog groter.”

Is dat het „gevecht van de eeuw” waar u over schrijft?

„Nee, daarmee doel ik specifiek op een halt toeroepen aan business as usual. Want het gekke is dat de nieuwe, alternatieve technieken die ik noemde nu naast de oude praktijken bestaan. Dus zonnepanelen naast kolencentrales. Het grote gevecht is dan: hoe steek je een spaak tussen de wielen van de fossiele industrie. Anders gaan we gewoon op de oude, vervuilende voet verder.”

Niet eenvoudig, dat gevecht.

„Nee, maar het mooie is dat dit op een innovatieve manier wordt geleverd. Denk aan de klimaatrechtszaken waarin overheden ter verantwoording worden geroepen. Ook heb je de divestmentcampagne. Studenten en andere actievoerders proberen investeerders ertoe te bewegen hun geld uit de fossiele industrie te halen en in duurzaamheid te steken. Vaak met succes.”

Als het gaat om de oplossingen is afwachten en hopen op het beste niet genoeg.

„Nee, die denkwijze past bij het rampscenario. Veel mensen wachten nu af. Ze denken –terecht– dat als het echt zo erg was, de overheid wel meer zou doen.

Het ís erg gesteld. Om een voorbeeld te geven: met het uitstoten van roet of fijnstof kun je morgen stoppen, het probleem zal dan snel voorbij zijn. Maar voor CO2 geldt dat niet. Het blijft honderden tot duizenden jaren in de lucht hangen.

In plaats van af te wachten kunnen we juist het verschil maken. Ik durf te stellen dat er nooit eerder een tijd is geweest waarin iemands individuele acties zo zinvol kunnen zijn. Je kunt de groene transformatie aanjagen, je kunt nogal wat impact hebben. Daar is niet de hele samenleving voor nodig. Een groepje mensen is al genoeg om anderen mee te slepen. Los daarvan vind ik wel dat iedereen zijn eigen voetafdruk en persoonlijke consumptie onder de loep moet nemen.”

Het gaat om een gezamenlijke toekomst. Ontbreekt het wij-gevoel in Nederland?

„Ja en nee. Als je kranten leest en op sociale media kijkt, lijken de opvattingen extreem verdeeld te zijn. Toch blijkt uit onderzoeken dat slechts 4 procent van de mensen betwijfelt of de aarde opwarmt, en slechts 8 procent betwijfelt of de mens de oorzaak is. De rest accepteert dat. Het overgrote deel –de stille meerderheid– vindt ook dat er wat moet gebeuren. Dat is ook logisch, iedereen wil een leefbare aarde. Er is juist grote potentie voor zo’n wij-gevoel. De mensen zitten vooral niet te wachten op geruzie over de manier waarop verandering moet plaatshebben.”

Hoe komen we verder in het klimaatdebat?

„Door een breder verhaal te vertellen. Want het gaat niet puur over CO2 of over het halen van een klimaatdoel, maar het gaat over het mogelijk maken van een nieuw tijdperk. Een tijdperk waarin we een nieuwe bron van welzijn aanboren, op basis van duurzame energie die haast gratis is als je de zonnepanelen en windmolens eenmaal hebt geïnstalleerd. Een tijdperk van nieuwe overvloed, van schone lucht, van stillere straten. Op dit moment ademen negen op de tien mensen vervuilde lucht in.

In dat tijdperk komt er ook een einde aan het schuldgevoel dat mensen ervaren. Veel mensen voelen dat hun consumptie niet in de haak is. Ze willen op vliegvakantie, maar weten dat er van alles tegen in te brengen is om een vlucht naar Bali te boeken. In een duurzame samenleving vervalt de reden voor het schuldgevoel.”

Van de term gasloze wijken moet u niets hebben?

„Die term roept zo weinig inspiratie op. Hij focust op wat er verdwijnt. Dat zorgt voor weerstand, net als bij een oproep om geen vlees meer te eten. Je kunt in dat geval ook zeggen: eet meer lekkere plantengerechten. Een gasloze wijk klinkt sneu.” Grinnikend: „Net alsof je een grondrecht is afgenomen. Misschien moeten we het supercomfortabele wijken noemen, wijk 2.0 of wijk van de toekomst.”

Boek Jelmer Mommers. beeld De Correspondent

Hoe ervaart u het om een andere levensstijl aan te bevelen? Voelt dat niet alsof u iemand de les leest?

„Ik heb daar niet zo’n moeite mee. Zelf leef ik ook zo en ik leid zeker geen sneu monnikenbestaan met geitenwollensokken aan.

Mijn hoofdboodschap is ook niet dat iedereen bijvoorbeeld vegetariër moet worden. Wat mij betreft gaat het allereerst om collectieve actie. We moeten samen verandering afdwingen in de politiek en het bedrijfsleven.

Daarnaast is er altijd een deel van de oplossing die we zelf in de hand hebben. Eten is een belangrijk voorbeeld. We eten drie keer per dag en daarmee stemmen we drie keer per dag voor of tegen een leefbare aarde. Als je drie keer veel vlees eet, geef je aan dat broeikasgassen uitstoten geen probleem is. Het staat je vrij om dat te doen, maar waarom zouden we daar als samenleving geen debat over voeren? Zulk gedrag is zo evident niet in lijn met het klimaatprobleem.

Overigens vertel ik niemand dat hij anders moet gaan leven, maar ik geef tips voor wat je kunt doen in je persoonlijke invloedssfeer. Want daar is behoefte aan. Ik hoor van veel mensen dat ze zich afvragen wat ze zelf kunnen doen.”

Heeft het schrijven van uw boek uw eigen gedrag verduurzaamd?

„Ik at al geen vlees. Ook vlieg ik niet meer. Die ontwikkeling is eerder ingezet door mijn werk aan dit onderwerp. Wel staat er nog een auto voor de deur, misschien gaat die ook weg. Maar het gaat mij er niet om dat ik 0 ton CO2 uitstoot en zelf een zuiver leven leid. Ik vind het opvallend dat vegetariërs de vraag krijgen waarom ze nog leren schoenen dragen. Het klinkt misschien wat decadent, maar ik denk dat we er niets mee winnen als we elkaar de maat nemen. Volledig vrij van hypocrisie leven kan niet.

Het hoogste haalbare is voor mij een collectieve verandering te bewerkstelligen. We gaan gezamenlijk stappen zetten richting de Great Turn. Voor zover ik daar met mijn persoonlijk gedrag aan kan bijdragen, lijkt me dat heel nuttig.”

Wanneer wist u: ik moet een boek gaan schrijven?

„Als journalist ben ik al vijf jaar met het thema klimaat en duurzaamheid bezig. Ik sprak met zowel VVD’ers als met GroenLinksers. En ik hield interviews met werknemers van Shell en met activisten die boorplatforms bezetten. Op een gegeven moment bekroop mij het gevoel dat ik wist waarom we in een impasse zaten. Waarom overheden, bedrijven en burgers niet in staat lijken om te doen wat nodig is. Maar ook: welke ontwikkelingen wél goed gaan en hoe we die kunnen versterken. Dat wilde ik in een toegankelijk verhaal aan een breder publiek vertellen.”

In uw voorwoord noemt u uw beste vriend Tom, die ervoor kiest om weg te kijken. Hij wil zijn leven leiden zonder zich de hele tijd rot te voelen over hoe het gaat met de aarde. Herkent u zich in hem?

„Zeker. Dat wanhopige gevoel over hoe het er met de aarde voorstaat, herken ik. Maar we hebben ten onrechte een gevoel van machteloosheid als het gaat om het klimaatprobleem. Waar ik achter ben gekomen tijdens het schrijven van het boek is dat wanhoop het begin kan zijn van hoop. Als je je realiseert dat het misgaat, besef je dat het anders moet en ga je je dus afvragen hoe je kunt bijdragen aan de oplossing. We weten inmiddels welke geloofwaardige opties we hebben. Op zo’n moment wordt het haast jammer om weg te kijken. Je mist iets als je er niet aan meedoet. Je wilt onderdeel zijn van de verandering.”

Hoe gaan we dit uitleggen. Onze toekomst op een steeds warmere aarde, Jelmer Mommers; De Correspondent; 240 blz.; € 20,-.