Troelstra vergist zich

Aanhankelijkheidsbetuiging op het Malieveld. beeld HGA
5

„Het is te laat, mijne heeren!” riep socialistenleider Troelstra de regering in 1918 toe. Te laat om de arbeidersklasse tegemoet te komen. Nu kwam die in opstand. Dacht hij. Het werd een flop. Het was te vroeg, Troelstra.

„Uw stelsel, mijne heeren, uw burgerlijk stelsel, is langzamerhand vermolmd en verrot.” Die vriendelijkheid had de leider van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) het kabinet ook nog toegevoegd tijdens zijn redevoering in de Tweede Kamer. Zijn revolutiepoging werd bekend als Troelstra’s vergissing. Zij duurde van 9 tot 14 november en werd bekend als de Roode Week.

Het hele geval duurde niet eens een week. Al een dag na zijn toespraak in de Kamer begon Troelstra terugtrekkende bewegingen te maken. De toestand in Europa bevond zich op een kookpunt, en de rode voorman had zijn kans schoon gezien. Veel Nederlanders wilden dit tumult echter helemaal niet. Ook een deel van Troelstra’s eigen partijtop zag niets in een staatsgreep.

Morrende militairen

De SDAP-leider beschouwde de Harskampmuiterij als het begin van zijn Rode Revolutie. Muiterij is echter al een te groot woord voor het incident op legerplaats De Harskamp. Soldaten die daar al vier jaar gemobiliseerd waren, kwamen op 25 oktober in opstand tegen het plotseling intrekken van alle verloven. Ze gooiden stenen naar de officiersverblijven en staken barakken in brand. Ook in andere legerplaatsen was het onrustig. De Tweede Kamer dacht er goed aan te doen de opperbevelhebber naar huis te sturen.

„Wat in De Harskamp geschiedde, is een boos teken van de geest van onwil en verzet die bij het leger heerst”, vond het gereformeerde blad De Heraut. „Temeer zij er daarom bij onze christen jongemannen die in het leger dienen op aangedrongen dat zij door deze geest van verzet zich niet laten aansteken, die zo licht epidemisch werkt, maar veeleer door trouwe plichtsvervulling een goed voorbeeld aan hun kameraden geven.”

„Oproerigheid onder militairen als in de vorige week ergens plaats had is een zeer treurig verschijnsel”, schreef ds. J. Wisse in het christelijke gereformeerde blad De Wekker. „Wie hier in plichtsbetrachting te kort geschoten zijn, zullen zeker hun welverdiende straf niet ontgaan. Tucht moet er zijn, die moet gehandhaafd worden, koste wat het koste. Ieder mensch met gezond verstand moest dit bedenken. Zonder tucht geen orde en zonder orde geen leven.”

Explosief

De militairen waren mobilisatiemoe, verveelden zich en kregen te weinig eten. De pers repte echter over muiterij, over opstand. Te grote woorden, maar wel begrijpelijk gezien de explosieve situatie in Europa nu de Eerste Wereldoorlog ten einde liep. Rusland was al in 1917 aan revolutie ten prooi gevallen. In Duitsland sloegen matrozen aan het muiten. Het bleek een vonk in het kruitvat. In Berlijn, Boedapest en Wenen gingen arbeiders de straat op. Monarchieën vielen; „koningskronen rolden van gezalfde hoofden als appelen van bomen in herfsttooi”, schreef een historicus.

„Op den oorlog, die wellicht zoo aanstonds op alle fronten voor een wapenstilstand plaats maakt, volgt de revolutie, de omverwerping van het gezag, die als een aanzwellende stroom de grondslagen, waarop het maatschappelijk leven der volkeren sinds eeuwen gebouwd is, wegneemt”, vreesde het hervormd-gereformeerde blad De Waarheidsvriend. „De anarchie en wat men tegenwoordig het Bolsjewisme noemt, vieren hoogtij. Ook hier te land pakken de wolken samen.”

De Heraut, twee dagen later: „Ook in ons kalme en bedaarde Nederland, waar de politieke hartstochten zoo weinig oplaaiden, voelt men de nawerking van wat in het Oosten gist. De gruweldaden der Bolsjewiki worden in ons Parlement al verheerlijkt, en het ergste is, dat dit geschiedt door den afgevaardigde, dien Amsterdam, de hoofdstad van ons land, naar de Tweede Kamer zond. Het gezag wordt openlijk aangerand, een opruiende taal wordt gesproken, die de volksmassa’s tot wilden hartstocht moet opzweepen. We leven op den rand van een vulkaan en de uitbarsting kan plotseling komen. Het zou dwaze zelfverblinding wezen, wanneer men den ernst van den toestand niet inzag.”

Oproermakers

Rijp voor revolutie, dacht mr. P. J. Troelstra. Hij riep de regering op af te treden. „De mensen denken dat de revolutie hun heil zal aanbrengen”, schreef ds. Wisse in De Wekker. „En de wereld wil bedrogen zijn. Heeft men aan de ellende van Rusland nog niet genoeg? Ook in ons land zijn de oproermakers druk in de weer. De zonde van Godsverlating wreekt zich. Moge de Heere ons genadig bewaren voor de verwoestingen die men elders kan gadeslaan.”

„En het schijnt, dat die booze geest thans ook ons volk in de ellende van een sociale revolutie werpen wil”, observeerde De Heraut. „De vloedgolf, die uit Rusland opkwam, die heel Duitschland reeds overdekte, dreigt thans ook over onze grenzen heen te breken. De vaan van het oproer zal ontplooid worden. Als God het niet genadig verhoedt, zal de burgeroorlog losbarsten. Het socialisme vraagt niet naar wat recht is, maar eischt het politiek gezag voor zich op. Het is de minderheid in ons land, maar het wil de regeermacht veroveren. Het heet voor de nooden der arbeiders op te komen, en het zal de bangste ellende en den hongersnood over onze arbeiders brengen.

Bovendien, wat in Rusland en Duitschland nog begrijpelijk was, omdat daar door de schuld der machthebbers het volk in al de ellende van den oorlog was gestort, zou in ons land een onvergeeflijke misdaad wezen. Onze Regeering heeft al gedaan wat ze kon, om ons volk buiten den oorlog te houden, en onze Vorstin ging in zelfverloochening heel ons volk voor.”

Maatregelen

Troelstra sprak een groepje Rotterdammers toe die meenden de revolutie te moeten beginnen. De socialisten, die net een verkiezingsnederlaag achter de rug hadden, leken vooral bang dat ze achter het net zouden vissen. „Nemen wij het initiatief niet, dan nemen anderen het”, zei een van de Rotterdammers. „Er zijn redenen om het spoedig te doen en het hier te doen; de stemming onder de arbeiders is er gunstig voor; morgen moeten wij het doen, anders houden wij de beweging niet in handen.”

Massale steun bleef echter uit. Troelstra’s eigen partijvoorzitter en andere SDAP-prominenten wilden niets van het oproer weten. En het volk ging wel de straat op, maar niet voor de revolutie: het vierde feest omdat de oorlog voorbij was.

Er waren wat schermutselingen, en er vielen enkele doden toen militairen vanuit de cavaleriekazerne in de Amsterdamse Sarphatistraat het vuur op een menigte openden. Maar verder had de ‘revolutie’ weinig om het lijf.

De regering nam het gevaar intussen wel serieus. Ze stuurde troepen naar de grote steden, riep de Vrijwillige Landstorm op en liet de koninklijke paleizen bewaken. „Tegenover de aankondiging, dat eene minderheid naar de macht zal grijpen, heeft de Regeering besloten in het belang van de rechten en vrijheden van het gansche volk, het gezag en de orde te handhaven”, stond er op de biljetten die in het nachtelijk duister her en der waren opgehangen. Groepen vrijwilligers trokken naar Den Haag om het rode gevaar te bezweren.

In Rotterdam moest een verbod op alcoholverkoop de gemoederen tot bedaren brengen. De regering beloofde spoedige demobilisatie –wat gemakkelijk was nu de oorlog voorbij was– en versoepelde de strenge rantsoenering van producten – wat ook niet zo moeilijk was nu de handel wel weer op gang zou komen.

Troelstra, die het geestelijk zwaar had, krabbelde al een beetje terug: „Het woord staatsgreep is door mij in het geheel niet gebruikt.” Zijn rechterhand, Schaper, probeerde het gezicht van de partij te redden door zowel Troelstra in bescherming te nemen als afstand te nemen van revolutionaire uitlatingen.

Naar het Malieveld

Het was niet meer noodzakelijk om de omwenteling tegen te houden, maar voor de duidelijkheid hield de Bond van Regeeringsgetrouwen op 18 november toch nog een grootscheepse manifestatie op het Malieveld in Den Haag. Groepen militairen spanden de paarden voor de koninklijke koets uit en trokken zelf het rijtuig door de stad. De revolutie maakte geen schijn van kans. „Dat is de heren uit het roode kamp niet meegevallen”, constateerde ds. J. Wisse met genoegen.

De noodzaak van hervormingen werd wel ingezien. „Krachtige maatregelen mogen we van onze Regering verwachten, niet alleen om het gezag tegenover elke revolutionaire aanval te handhaven, maar niet minder om aan rechtmatige grieven een einde te maken”, schreef De Heraut. „De schandelijke winsthandel, die van de nood van ons volk misbruik maakte om zichzelf met schatten te verrijken, moet onderdrukt worden. Onze sociale wetgeving, die reeds te lang liggen bleef, moet met kracht worden ter hand genomen, om de arbeiders een betere positie te verschaffen. Aan bureaucratische maatregelen, die zoveel bitterheid bij onze boeren en arbeiders gewekt hebben, moet een einde worden gemaakt.”

Revolutietoorts gedoofd

„De Heere heeft groote dingen onder ons gedaan, dies zijn we verblijd”, proclameerde De Waarheidsvriend op 22 november. „Wat zijn het andere dagen dan een week geleden. Toen leefde de angst voor een burgeroorlog in ons harte en nu is de revolutietoorts gedoofd. Nu gaan we ook eerst pas beseffen, dat er wapenstilstand gesloten is, dat de vredestoestand is ingetreden.”

De schrijver was de indrukken van de volksoploop nog niet kwijt: „We hebben de Koningin zien zitten, zien staan, hooren spreken — en gelijk in haar oog een traan blonk, zoo was het bij velen van haar onderdanen.”

Troelstra? „Der Socialisten koning heeft zich geblameerd. Het nationaal gevoel onder ons volk is versterkt. Het huis van Oranje is gehuldigd zooals nooit tevoren.”