Plannen voor de bouw van een Tempel van Salomo in Amsterdam

Gezicht op de Botermarkt naar het oosten met de Boterwaag en de door Listingh ontworpen Koepelkerk. Gravure van Daniel Stoopendaal. beeld uit ”Een Hollandse Tempel van Salomo”
2

Het Rembrandtplein is met zijn talloze restaurants en kroegen een van de bekendste uitgaansgebieden van Amsterdam. Uitgerekend op deze plek had aan het begin van de achttiende eeuw een barokke koepelkerk van 90 meter hoog moeten verrijzen.

Het Rembrandtplein was toen nog de Botermarkt en de Amsterdamse advocaat en notaris Nicolaas Listingh (1630-1705) had bedacht dat hier een protestants kerkgebouw moest komen dat kon wedijveren met de Sint-Pieterskerk in Rome en de Hagia Sophia in Constantinopel, het grootste protestantse bedehuis van de Republiek.

Architectuurhistoricus Thomas von der Dunk heeft het verhaal achter dit ambitieuze project ontrafeld en op papier gezet. ”Een Hollandse Tempel van Salomo” is het derde boekje dat hij schreef over kerkontwerpen die nooit zijn uitgevoerd. Eerder schreef hij ”Een Pantheon voor Apeldoorn” (2001), naar aanleiding van plannen voor een koepelkerk voor zowel protestanten als rooms-katholieken in opdracht van koning Lodewijk Napoleon, en ”Een Kathedraal voor Amsterdam” (2003), over een idee uit de tijd van koning Willem I. Overigens kent Amsterdam nog een derde bouwplan van grote proporties dat niet is voltooid (maar waaraan wel werd begonnen): de toren van de Nieuwe Kerk. Maar daarover schreef de Amsterdamse bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek in 2017 al een onderhoudend boek.

Vier nieuwe kerken

Amsterdam had zich in de loop van de zeventiende eeuw ontwikkeld tot de belangrijkste handels- en industriestad van Europa. Dat ging gepaard met een onstuimige bevolkingsgroei en de stad moest verschillende keren worden ‘uitgelegd’, dat wil zeggen uitgebreid met nieuwe grachtengordels. Bij de vierde stadsuitbreiding, van 1663, zouden niet minder dan vier nieuwe protestantse kerken worden gebouwd, elk op een eigen plein. Het idee was dat elke burger op loopafstand van een kerk moest wonen.

Overigens lag de prioriteit van het stadsbestuur „niet bij de geestelijke verzorging van de nieuwe ingezetenen”, signaleert Von der Dunk. Een logisch grachten- en stratenplan voor een goede verkeersafwikkeling was belangrijker. De kerken werden pas later in de plannen ingepast. Dat verklaart ook de onregelmatige vorm van de kerkpleinen.

Tussen de Westerkerk en de Oosterkerk gaapte nog „een groot klerikaal gat.” Alleen op het Amstelveld was in de jaren 1668-1670 een houten noodkerk neergezet – de nog altijd bestaande Amstelkerk. Voor Listingh was de Botermarkt daarom de ideale plek voor de bouw van een soort Amsterdamse hoofdkerk van het calvinisme. „In dat opzicht had hij een beetje de Nederlandse voorloper van de Frauenkirche in Dresden (1726-1738) van George Bähr moeten worden, die deze functie min of meer voor de Lutheranen in Saksen, het Duitse stamland van het protestantisme, zou gaan vervullen”, aldus Von der Dunk. De bouw zou andere geplande kerken overbodig maken.

Listingh had echter de pech dat hij jurist was, en geen architect. In de bouwkundige vakwereld werd hij als een dilettant beschouwd en de autoriteiten, die het geld voor de plannen op tafel moesten leggen, hadden er geen belangstelling voor. Bovendien zwakte de Amsterdamse bevolkingsgroei in het laatste kwart van de zeventiende eeuw steeds verder af. Het weerhield Listingh er niet van een grote houten maquette van de kerk te laten maken; die is nog altijd te zien in de Oude Kerk van Amsterdam.

Voor zijn ontwerp baseerde Listingh zich op voorstellingen die in zijn tijd leefden van de tempel van Salomo. In 1604 had de Spaanse jezuïetenpater Juan Bautista Villalpando (1552-1608) voor het eerst „met de Bijbel op tafel” grote reconstructietekeningen van de tempel van Salomo gepubliceerd. Een oude gedachte was dat die tempel er ongeveer uitzag zoals de Rotskoepel in Jeruzalem. Door diepgaander onderzoek kwam men echter tot de conclusie dat de tempel rechthoekig was en karakteristieke, uitzwenkende steunberen had. Listinghs ontwerp vormde een samensmelting van beide concepten: een twaalfkantige kerk met een zeskantige koepel erboven én de typische „salomonisch uitzwenkende steunberen.”

Tempelstudies

Juist in de calvinistische Republiek hield men zich relatief intensief bezig met reconstructies van de tempel van Salomo, geeft Von der Dunk aan. „Ook in theologische kring.” Er werd groot belang gehecht aan de Bijbelse oorsprong van de ware –klassieke– bouwkunst, „met Salomo’s op goddelijke aanwijzing gebouwde tempel als sleutelmoment.”

De universiteit van Leiden fungeerde als intellectueel centrum voor tempelstudies. „Daarbij werden op oudtestamentische gegevens gebaseerde voorstellingen van de eerste, tweede en derde tempel –de oorspronkelijke van Salomo, die van Zerubbabel na de Babylonische Ballingschap, en de laatste van Herodes die door de Romeinen in het jaar 70 zou worden verwoest–, alsmede de vage beschrijving in het visioen van Ezechiël veelal op onnavolgbare wijze dooreen geklutst.”

Voor menig architect waren ze een bron van inspiratie voor het ontwerpen van barokke paleis- of kloostercomplexen. Zelfs Jacob van Campen was er schatplichtig aan voor zijn ontwerp van het Amsterdamse stadhuis (1648-1664). De Marekerk (1639-1649) in Leiden zelf was er een vroeg voorbeeld van. Ook elders in het land verrezen (koepel)kerken met ‘tempelsteunberen’, bijvoorbeeld in Renswoude en Lage Zwaluwe. Listinghs koepelkerkproject kan wat dat betreft als hekkensluiter worden beschouwd.

Typisch protestants

Een „typisch protestants verschijnsel”, noemt Von der Dunk deze vorm van kerkbouw. De Republiek werd beschouwd als het nieuwe Israël en het was daarom passend de –gereformeerde– bedehuizen „als hedendaagse Tempels van Salomo” vorm te geven. Dat het ontwerp hiervoor min of meer kwam uit de koker van een Spaanse jezuïtenpater uit de kringen rond Filips II, is volgens Von der Dunk ironisch te noemen.

De kerk van Listingh is er nooit gekomen. „Men kan slechts speculeren wat het voor het huidige Rembrandtplein zou hebben betekend, dat sinds jaar en dag door zijn totale vormeloosheid opvalt, en een overtuigend architectonisch accent ontbeert”, mijmert Von der Dunk. „Zou het karakter van bebouwing en bezoekers in dat geval nu wezenlijk anders zijn geweest? Ingetogener, decenter, minder chaotisch en luidruchtig? Of zou de aanwezigheid van de kerk de massale aanwezigheid van de kroeg niet in de weg hebben gestaan, conform de vaak tussen beide openbare gelegenheden geconstateerde samenhang? De aanwezigheid van de Oude Kerk heeft ook niet weten te verhinderen dat de lichtzedige dames op het plein rondom vormen van recreatie offreren die niet geheel sporen met de zwaar-op-de-handse moraalleer die eeuwenlang binnenin verkondigd werd.”

Ingezakt

Eén ding is zeker: het bedehuis zou nu een dominant element in het stadssilhouet van Amsterdam zijn geweest. Als het tenminste niet, zoals tegenstanders vilein voorspelden, binnen de kortste keren in elkaar was gezakt.

Boekgegevens

Een Hollandse Tempel van Salomo, Thomas H. von der Dunk; uitg. Walburg Pers; 112 blz.; € 14,99