Napoleon baande de weg naar een rentree van Oranje

Omslag "Nederland onder Napoleon". beeld uitgeverij Vantilt
6

Napoleon Bonaparte, bedankt! Hoezo, bedankt? Wel, dankzij hem hebben wij al meer dan 200 jaar een constitutionele monarchie met een Oranjevorst aan het hoofd.

Menselijkerwijs gesproken dan, natuurlijk. Niet de ”Morgenster” of ”Aadlaar” –zoals Isaäc da Costa Napoleon in een gedicht noemde– bepaalde de loop der historie, maar –volgens dezelfde poëet– „de vinger Gods”, Zijn „almachte hand.” De ”Aartsveroveraar” en ”Werelddwinger” fungeerde echter wel als instrument van de „hooge Godheid”.

De Franse consul en legeraanvoerder Napoleon stond er in 1802 goed op bij de meeste Nederlanders. Na de in dat jaar gesloten Vrede van Amiens werd hij, schrijft dr. Lotte Jensen in haar boek ”Vieren van vrede” „als de vredestichter van Europa gezien.” Boekhandelaar Johannes Immerzeel stelde destijds in een gedicht zelfs „Bonaparte en God als gelijke grootheden op één lijn”, tekent de universitair hoofddocent historische Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen op.

Nederland had, op enkele orangisten na, het Oranjehuis nagenoeg vergeten – en omgekeerd. De verdreven stadhouder Willem V leefde in ballingschap in Engeland; erfprins Willem Frederik onderhandelde in Amiens wel over een schadeloosstelling voor het verlies van het stadhouderschap, maar niet voor herstel ervan.

Enkele jaren later, toen in 1806 Willem V was overleden, verdween de hoop op terugkeer van het Oranjehuis en van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vrijwel helemaal, schetst dr. Bart Verheijen in zijn boek ”Nederland onder Napoleon”, een studie waarop hij in juni dit jaar promoveerde aan de Radboud Universiteit. De Franse keizer maakte van ons land een koninkrijk; orangisten en patriotten schaarden zich achter de nieuwe vorst, Lodewijk Napoleon.

In die periode (1806-1810) groeide in Nederland echter het ongenoegen over de Fransen. Lodewijk Napoleon deed echt wel zijn best om een goede koning te zijn, maar zijn spilzucht en tirannieke trekjes zetten kwaad bloed. Bij de keizer kon hij ook maar weinig goed doen; die dwong hem te vertrekken en lijfde Holland in bij het Franse rijk.

Elk spoortje soevereiniteit was Nederland kwijt. Maar juist op dat dieptepunt in de jaren 1810-1813, laat zowel Jensen als Verheijen zien, bloeide het uitzien naar Oranje op. „Geleidelijk aan kregen de Oranjes weer een plaats in het ideaalbeeld van Nederland”, schrijft Jensen. „Ze fungeerden als een baken van hoop in bange tijden én als een gewenst onderdeel van het onafhankelijke vaderland. Repten de publicisten tijdens de Vrede van Amiens nog met geen woord over de Oranjes en hun aandeel in het vaderlandse verleden, vanaf het vroege voorjaar van 1813 werden Oranje, Nederland en soevereiniteit steeds nadrukkelijker aan elkaar gekoppeld.”

Goede naam

Dat Oranje weer in beeld kwam, was geen gevolg van de persoonlijke kwaliteiten van Willem Frederik; verreweg de meeste Nederlanders kenden hem niet eens. Zijn vader, stadhouder Willem V, had evenmin veel krediet opgebouwd en ook al geen goede naam achtergelaten. Nee, dat de erfprins tot de personificatie van de onafhankelijkheid van het gehate Franse regime uitgroeide, was volgens Verheijen te danken aan Napoleon. Die wekte zó veel afkeer dat hij de Nederlanders hoogstpersoonlijk weer richting het huis van Oranje-Nassau dreef.

Onder meer door ons land economisch uit te hollen door torenhoge belastingen te heffen en door zijn handelsbeleid. Door zijn strenge censuurmaatregelen. Maar vooral door de gehate conscriptie, die talloze jongens verplichtte in dienst te gaan; velen gingen daarmee een wisse dood tegemoet.

Durfde aanvankelijk nog slechts een enkeling stiekem aan Oranje te denken, dat veranderde op slag na de smadelijke terugtocht van Napoleon uit Rusland, eind 1812. Niemand had verwacht dat die veldtocht op een zo’n verlies zou uitlopen. Napoleon verloor zijn aura van onaantastbaarheid. De kritiek op hem zwol aan; zelfs werd hij als „satanische tiran” neergezet.

Verheijen spreekt van een keerpunt in de geschiedenis. „Het besef dat Napoleon niet onkwetsbaar was en zijn macht wellicht op het einde liep, leidde ertoe dat men snel op zoek ging naar een nieuwe verpersoonlijking van een toekomstsymbool voor het onafhankelijke Nederland. Dit symbool werd de erfprins van Oranje, Willem Frederik.”

De hernieuwde liefde voor het Oranjehuis borrelde „van onderuit de samenleving” op, schrijft de Nijmeegse historicus. „Het was het gevolg van een ontwikkeling in de publieke opinie die in staat bleek aan de natie, op behoorlijk brede schaal, een nieuw idee van vaderlandsliefde te verschaffen.”

Het orangisme veranderde tevens van karakter, beschrijft hij. Het transformeerde van een partijpolitieke kleur naar een nationale kleur. Napoleon had namelijk zo veel haat opgewekt dat tegenstanders van weleer (orangisten en patriotten) nu eensgezind tegen hem en de Franse overheersers samenspanden. „Oranje werd dé kleur van het anti-Franse verzet.” Dat proces, vervolgt hij, „heeft uiteindelijk een hernieuwde legitimiteit aan ‘de natie’ gegeven en gebeurde via de gedeelde afkeer van de Franse invloed.”

De poging van Napoleon om Nederland aan zich te onderwerpen, resulteerde dus –o, ironie– in het tegenovergestelde, namelijk in de glorieuze rentree op 30 november 1813 van het in 1795 uit ons land verdreven Oranjeshuis. De vermolmde republikeinse staatsvorm die de Franse keizer om zeep had geholpen, keerde niet meer terug. „Dat was politiek niet meer mogelijk”, constateert Verheijen. In plaats daarvan erfde Nederland van Napoleon de constitutionele monarchie die hij hier in 1806 voor zijn broer had geïntroduceerd.

Wat de keizer tevens –zij het indirect– bewerkstelligde, vult Jensen in haar boek aan, is een „ontluikend Europees zelfbesef”: vrede fungeerde als een bindmiddel tussen de landen. Na de definitieve uitschakeling van Napoleon „groeide de gedachte dat Europese vrede en veiligheid gewaarborgd konden blijven wanneer er sprake was van het juiste politieke evenwicht tussen de verschillende naties”.

Natiebesef

De boeken van Verheijen en Jensen verschenen beide in het kader van het wetenschappelijke Vidiproject ”Proud to be Dutch”, dat tussen 2011 en 2016 aan de Nijmeegse Radboud Universiteit werd uitgevoerd. Dat project stelde de activering van vaderlandsliefde in literaire bronnen en pamfletten centraal. Doel was het ontstaan en de ontwikkeling van een nationale (politieke) cultuur en identiteit te onderzoeken.

Jensen onderzocht de ontwikkeling van de Nederlandse identiteit en het natiebesef aan de hand van acht vredesverdragen en -sluitingen tussen 1648 en 1815 en publicaties daaromheen. Verheijen richtte zich op pamfletten, liederen en literatuur in de periode tussen 1801 en 1813. Hun werk resulteerde in fraai uitgevoerde, vlot leesbare studies. Beide voorzien van een uitgebreid notenapparaat, een bibliografie en personenregister en veel passende illustraties, deels in kleur. Als toegift zit bij Verheijens boek ”Nederland onder Napoleon” een cd met opnieuw uitgevoerde, vroegnegentiende-eeuwse verzetsliederen.

Beide publicaties documenteren veel inmiddels (bijna) vergeten bronnen en personen en vormen daardoor een waardevolle aanvulling op dat wat al bekend was over de wordingsgeschiedenis van ons nationale zelfbeeld. In ”Vieren van vrede” benadrukt Jensen overigens dat dat natiebesef niet pas na 1800 is ontstaan, „zoals modernisten ons graag doen geloven”, maar dat de fundamenten daarvan al ruim voor die tijd werden gelegd. Ja, dat die zelfs al zichtbaar waren in 1648, toen ons land formeel onafhankelijk werd van Spanje.

De Nijmeegse neerlandica concludeert dat vredessluitingen een belangrijke impuls gaven aan de nationale identiteit. „Na een oorlog ontstond ruimte om vooruit te kijken en te dromen van een betere samenleving.” Die medaille had overigens ook een keerzijde: in elke vrede schuilde de kiem van de volgende oorlog. „De wapens werden neergelegd, maar de strijd werd onverminderd voortgezet op papier. Scribenten rekenden genadeloos af met de voormalige buitenlandse vijand en namen stelling tegen hun binnenlandse opponenten. Vrede betekende in veel gevallen niets anders dan de voortzetting van oorlog, maar dan met andere middelen.”

”Vieren van vrede. Het ontstaan van de Nederlandse identiteit 1648-1815”, Lotte Jensen; uitg. Vantilt, Nijmegen, 2016; ISBN 978 94 6004 287 4; 232 blz.; € 19,95; ”Nederland onder Napoleon. Partijstrijd en natievorming 1801-1815”, Bart Verheijen; uitg. Vantilt, Nijmegen, 2017; ISBN 978 94 6004 301 7; 432 blz.; € 29,95.