In de tijd van de Reformatie bepalen kasteelheren de religie

Kastelen
Kasteel Asperen, gravure van Jacobus Schijnvoet. beeld UB Leiden
3

Plaatselijke kasteelheren en -vrouwen spelen in de Reformatietijd een grote rol bij de religiekeuze. Het verklaart waarom Asperen al vroeg een toevluchtsoord is voor vervolgde protestanten, en waarom Varik eeuwenlang een rooms-katholiek dorp blijft, midden in een gereformeerd gebied.

In elke streek van de toenmalige Nederlanden heeft de Reformatie haar eigen geschiedenis. In het oosten en zuiden van het land ging het anders toe dan in het noorden en westen, in de steden anders dan in de dorpen. Wat opvalt in het Gelderse rivierengebied –en wellicht geldt dat ook voor veel andere plattelandsregio’s– is dat kastelen en hun bewoners daarbij een belangrijke rol hebben gespeeld. Soms zelfs doorslaggevend.

Neem Asperen. Daar zetelt –op het sinds lang verdwenen kasteel Waddestein– vanouds de machtige familie Van den Boetzelaer. Vader Wessel van den Boetzelaer en zijn zes zoons doen er alles aan om het protestantisme in hun heerlijkheid te bevorderen. Dat gaat vrij ver: niet alleen staan hun namen onder het Smeekschrift der Edelen, ze bieden vervolgde doopsgezinden ook een veilig toevluchtsoord. En twee van de zoons Van den Boetzelaer voeren zelfs persoonlijk de plaatselijke beeldenstorm aan.

Inspirerende vrouwen

Maar eigenlijk volgen de mannen over wie het hier gaat slechts in het spoor van hun echtgenotes en zusters, want het zijn de vrouwen in de familie Van den Boetzelaer die voorop gaan en inspireren. De kasteelvrouwe zelf bijvoorbeeld, Agnes de Bailleul, getrouwd met de oudste zoon. Zij is als eerste de reformatorische beginselen toegedaan en weet haar schoonfamilie daarin mee te nemen.

Of Catharina van den Boetzelaer –de enige dochter tussen al die zoons– die met een Vlaamse edelman getrouwd is. Nadat haar man op tamelijk jonge leeftijd overleden is, vormt zij het middelpunt van een kring van hervormingsgezinden. Ze is familie van alle belangrijke opstandige edelen en het is op haar kasteel in Aalter, bij Gent, dat de grondslagen worden gelegd voor het Verbond der Edelen.

Net als sommige andere adellijke vrouwen uit haar tijd laat Catharina reformatiegezinde predikers, zoals Herman Moded, in haar slotkapel voorgaan. In dat opzicht hebben vrouwen als zij een belangrijke rol gespeeld bij de Reformatie. Terwijl hun mannen vechten aan het front of in allerlei politieke en diplomatieke zaken verwikkeld raken, hebben deze vrouwen de gelegenheid om stichtelijke boeken te lezen of naar rondtrekkende predikanten te luisteren. Geen wonder dat ze geregeld als eersten van de familie de ‘nieuwe leer’ omhelzen.

Intussen heeft de bevolking van Asperen het aanvankelijk helemaal niet begrepen op alle nieuwigheden in de kerk. Weliswaar is het stadje onder Wessel van den Boetzelaer een toevluchtsoord voor gevluchte doopsgezinden geworden, maar de autochtone bevolking volgt de ontwikkelingen met argusogen. De kasteelheer organiseert protestantse diensten in de Asperense kerk –overigens zonder een kerkenraad, hij houdt alles graag in eigen hand– maar in 1567 blijkt dat de meeste inwoners tóch stiekem terugverlangen naar de oude misviering.

Ze krijgen hun zin, want inmiddels is Alva in de Nederlanden gearriveerd. Iedereen die betrokken is geweest bij verzet en beeldenstorm krijgt de wacht aangezegd. En hoewel er zelfs tijdens het gerechtelijke onderzoek nog protestantse diensten worden gehouden op het kasteel van Asperen, is het kort daarna afgelopen met alle vrijheden. Wessel van den Boetzelaer en zijn zoons –inmiddels voortvluchtig– worden bij verstek veroordeeld tot verbanning.

Ook de doopsgezinden die in het stadje hun intrek hebben genomen, zijn niet langer veilig. Zo kan het gebeuren dat een van hen, Dirk Willemsz, gearresteerd wordt en gevangengezet in het kasteel van Asperen – het kasteel dat de familie Van den Boetzelaer is ontvlucht. Wat daarop volgt, is hartverscheurend.

Dirk weet uit het kasteel te ontsnappen door een touw van vodden te knopen en uit het raam te klimmen. Hij vlucht weg over de bevroren vijver, maar keert terug als een van zijn bewakers (die de achtervolging hebben ingezet) door het ijs zakt en om hulp roept. Dirk weet hem uit het wak te trekken – maar wordt daarna zelf opnieuw gevangengenomen en enkele maanden later als ketter verbrand.

In de jaren die volgen is Asperen het toneel van veel strijd. Steeds weer keren de oorlogskansen en trekken nieuwe soldaten het stadje binnen. In die periode zijn de gruwelijkste oorlogsmisdaden gepleegd – zo worden de predikanten van Leerdam en Asperen in 1574 door de Spanjaarden opgehangen. Maar vanaf 1577 is Asperen definitief in handen van de Prins en rond die tijd moeten ook de Van den Boetzelaers teruggekeerd zijn. De periode van ballingschap heeft in hun geval dus niet heel lang geduurd.

Pastoor of predikant

Vanaf dat moment breekt de Reformatie definitief door, niet weinig gestimuleerd door de achtereenvolgende kasteelheren van het stadje. Zoals de Van den Boetzelaers vroeger het recht hadden om de pastoor van Asperen te benoemen, zo krijgen ze nu het recht om datzelfde met de predikant te doen. Ook al botst dat met de gereformeerde principes en de kerkelijke idealen (waarbij het beroepen van predikanten allereerst een zaak van kerkenraad en classis is, niet van het wereldlijke gezag). Vanouds zijn veel stadjes en dorpen in het rivierengebied nu eenmaal een ”heerlijkheid”, wat wil zeggen dat er op het plaatselijke kasteel een heer of vrouwe woont die zichzelf als het hoogste gezag beschouwt en die het recht heeft om alle wereldlijke en kerkelijke functionarissen in de heerlijkheid te benoemen.

Natuurlijk moeten de zestiende-eeuwse, plaatselijke machthebbers zich voegen naar de hogere overheid. Die schrijft voor of er in de kerk een rooms-katholieke pastoor danwel een gereformeerde predikant moet voorgaan. Maar binnen dat gegeven kader hebben zíj dan de vrijheid om een voorganger te kiezen, liefst een voorganger die precies doet wat ze willen. Daarmee kunnen ze voor een groot deel bepalen wat de mensen in hun dorp op zondag vanaf de kansel te horen krijgen.

Als de kasteelheren het niet eens zijn met het beleid van de hogere overheid, zijn zij bovendien bij uitstek in de positie om instructies te saboteren of tegen te werken. Bijvoorbeeld door de officiële zielzorgers slecht uit te betalen en in plaats daarvan op hun kasteel ‘verboden’ diensten te beleggen met rondtrekkende predikanten (als ze protestants zijn in een katholiek gebied) of priesters (als ze katholiek zijn in een protestants gebied). Zo kunnen ze grote invloed uitoefenen op de religiekeuze van de bewoners van ‘hun’ dorp of stadje.

Dat gebeurt in Asperen, maar ook in Varik, een stukje stroomopwaarts langs de Waal. Daar woont in de zestiende eeuw, op het verdwenen huis Hondswinkel, heer Reyner van Dorth, die er alles aan doet om zijn dorp bij het oude, rooms-katholieke geloof te bewaren.

Hongerige schapen

Misschien is heer Reyner wel de meest principiële en religieuze van alle ambtsjonkers van de Tielerwaard. Er is een brief van hem bewaard gebleven, uit 1585, waarin hij het kapittel van Sint-Marie in Utrecht vraagt om een pastoor voor zijn dorp. De pastorie van Varik staat al sinds jaren leeg, schrijft hij, en hij heeft samen met zijn „onderzaten” al herhaaldelijk „van Godswege” verzocht of het kapittel hun „als hungerige und dorstige schapen der coyen Christi” een goede herder zou willen bezorgen.

Hij wil geen pastoor die ongeschikt is voor zijn ambt, zoals er maar al te veel rondlopen: drinkebroers en schuinsmarcheerders, „ungelerde und famoese personen” (ongeletterde en geruchtmakende personen). Zo’n pastoor zou slechts tot verslagenheid en verdriet leiden bij hem en zijn parochianen, schrijft hij. De formuleringen in zijn brief suggereren dat hij iemand is die het geloof heel serieus neemt.

Dat blijkt ook uit zijn gedrag: Reyner van Dorth is een van de zeldzame zestiende-eeuwse edelen die op gevorderde leeftijd breekt met de gewoonten van zijn kring en zijn voorgeslacht. Na de dood van zijn vrouw, rond 1580, leefde hij aanvankelijk jarenlang samen met zijn dienstmeid, Jenneke Jans, bij wie hij drie zoons kreeg. Trouwen leek niet in zijn hoofd op te komen: de sociale afstand was te groot en de erfenis van de wettige dochters uit zijn eerdere huwelijk –Maria en Johanna van Dorth– mocht niet in gevaar komen.

Op dat punt was hij overigens geen uitzondering in zijn kringen. Zelfs de kerk deed vanouds niet moeilijk over deze adellijke praktijk. Maar tegen het eind van de zestiende eeuw begint dat te veranderen. Niet alleen protestanten, ook katholieken krijgen steeds meer moeite met de misstanden in de Rooms-Katholieke Kerk, terwijl bovendien vanuit de kerk zelf –al dan niet in reactie op de Reformatie– de regels worden aangescherpt.

Reyner van Dorth is een voorbeeld van die ontwikkeling, zoals blijkt uit zijn opmerkingen over losbandige en ongeschikte pastoors die hij in Varik niet meer hebben wil. Maar de nieuwe vroomheid en de nieuwe moraal gaan ook hemzelf aan. In 1599, twee jaar voor zijn dood, treedt hij alsnog in het huwelijk met Jenneke Jans. Hij moet hebben beseft dat hij daarmee de geschiedenis zou ingaan als de man die zich had „mishuwelykt aan zyn dienstmaagd”, want hij is edelman en genealoog, zich uiterst bewust van het belang van afstamming, bloed en geld.

Dat hij de stap naar het huwelijk desondanks zet, is opmerkelijk. Zeker weten we het niet, maar het ligt voor de hand dat die keuze met de nieuwe moraal te maken heeft. De oude verheerlijking van eer en status en mannelijkheid (zichtbaar in dappere krijgsverrichtingen, maar ook in dynastieke huwelijken gecombineerd met buitenechtelijke relaties en kinderen) komt steeds meer onder kritiek te staan. In plaats daarvan verschuift de nadruk naar persoonlijke vroomheid en persoonlijke verantwoordelijkheid. Dat kan ertoe leiden dat een edelman die de godsdienst serieus neemt, nog op zijn oude dag met zijn concubine trouwt.

Bronzen luidklok

Na Reyners dood is er geen sprake van dat de zoons van zijn voormalige dienstmeid hem kunnen opvolgen als heer van Varik, al zijn ze inmiddels wél zijn wettige zoons. De erfenis gaat grotendeels naar de twee dochters uit zijn eerste huwelijk. De oudste, Maria van Dorth, volgt haar vader bovendien op als vrouwe van Varik.

Maria is in die tijd al getrouwd en woont met haar man, Johan van Stepraedt, op het slot Doddendael bij Ewijk – ook al zo’n kasteel dat als vrijplaats fungeert voor alle katholieken uit de omgeving. De dorpskerken mogen dan allemaal in handen van de gereformeerden gekomen zijn, op de kastelen van roomsgezinde edelen wordt nog altijd de mis bediend. De meeste schouten en gerechtsdienaren willen daar hun vingers aan branden en de plaatselijke heer of vrouwe tegen zich in het harnas jagen.

Maria van Dorth is degene die een bronzen luidklok aan de kerk van Varik schenkt, hoewel in die kerk inmiddels gereformeerde diensten worden gehouden. Maar de klok is natuurlijk bedoeld voor alle dorpelingen, van welke religie ook. Eeuwenlang blijft ze in de karakteristieke, dikke toren aan de Waal hangen – tot ze in 1943 door de Duitsers wordt geroofd en omgesmolten. Maar we weten nog altijd wat er op de rand geschreven stond: „Ter eere Gods is deze clock tot Varick bestelt bij frow Maria van Dordt, vrouwe tot Dodedael in Doorninck en Varick, Anno 1637 (...).”

In de praktijk is het intussen vooral Maria’s halfbroer Reinier van Dorth die invloed heeft in het dorp. Hij woont, anders dan Maria, zelf in Varik en is overal in de omgeving bekend als de jonker die onvermoeibaar ijvert voor het rooms-katholieke geloof. Net als zijn vader.

In de classicale acta valt te lezen hoe de gereformeerde predikanten zich in 1620 zorgen maken om Reiniers invloed in de omgeving. Hij toont zich niet alleen een groot vijand van de predikant van Varik en Ophemert, van wie hij niet nalaat de „dienst en leere te lasteren”, hij is ook actief bezig de mensen „van’t gehoor des Heilichen Woorts Godts aff te trecken.” Bijvoorbeeld door in eigen persoon zieken te bezoeken, door priesters te helpen over de rivier te komen –hij bezit de rechten van het Varikse veer– en door de dorpsbewoners „in die pausselijcke superstitiën te stijven.”

Statie Varik

Nadat ook Reinier overleden is, zet zijn zoon, Frans van Dorth, de familietraditie voort. Hij weet in 1670 de heerlijkheid terug te kopen van zijn Ewijkse familie en wordt daarmee opnieuw heer van Varik. Net als zijn grootvader. En ook hij zorgt ervoor dat er op zijn landhuis in Varik –midden in de snel protestantiserende Tielerwaard– regelmatig missen worden gelezen. Hij weet zelfs te bewerken dat in 1688 officieel de statie Varik wordt gesticht.

Dat gaat niet zonder slag of stoot: de pastoor van Tiel –die officieel het recht heeft ook de Tielerwaard te bedienen– werkt tegen. Maar uiteindelijk weet Frans van Dorth de kerkelijke machthebbers te overtuigen met zijn argument dat de Tielerwaard wel „zeven uren lang en twee uren breed” is. Gezien de afstand naar Tiel en de slechte wegen is er alle reden om het „verweesde volk” van Varik en omgeving een eigen pastoor te geven. Frans wil er bovendien voor zorgen dat die op het huis Hondswinkel kan wonen en betaald wordt uit door zijn familie gestichte fundaties op diverse altaren.

In 1688 krijgt Varik dus zijn eerste pastoor sinds de Reformatie: Daniel Meynaerts. Zijn parochie bestaat om te beginnen uit een stuk of zeventig „arme plattelandsmensen”, maar door zijn komst verandert dat. Volgens Frans van Dorth zijn de kinderen erg op hem gesteld en spreken zelfs sommige gereformeerden met lof over hem. Na een jaar of tien zijn er al 150 communicanten, en Frans hoopt dat –ondanks de tegenwerking van de gereformeerden– steeds meer katholieken van wijd en zijd zullen toestromen. In elk geval is hij van plan om een eigen onderkomen voor de pastoor te bouwen, grenzend aan de slotkapel, zodat iedereen hem onopvallend via de achterbrug kan bezoeken. Die situatie duurt tot 1732, als de rooms-katholieken de beschikking krijgen over een eigen kerkgebouw in Varik.

De kastelen van Wessel van den Boetzelaer en Reyner van Dorth zijn inmiddels al sinds lang verdwenen. Maar hun heren hebben eeuwenlang het kerkelijke leven in Asperen en Varik bepaald.

Met een meisje op een paard

Rond 1650 is het gevaarlijk voor rooms-katholieke geestelijken om de rivier over te steken en naar Varik te komen. De commandant van het fort De Voorn en zijn soldaten liggen voortdurend op de loer. Zij doen niets liever dan ‘papen vangen’ – wie een rondtrekkende priester kan pakken, krijgt een flinke beloning: soms wel een paar duizend gulden.

In die tijd leent de familie Van Dorth zich voor gewaagde camouflagetechnieken. Zo mag een rondtrekkende jezuïet geregeld een van de joffers Van Dorth voor zich op zijn paard zetten – om op die manier onverdacht door het land te rijden. Maar de pastoor van Tiel is daar niet gelukkig mee: die schrijft naar Rome dat de bewuste geestelijke nu eens met dit en dan weer met dat meisje op zijn paard rondrijdt. De zaak loopt met een sisser af: achtenswaardige inwoners van Tiel en Varik springen voor de jezuïet in de bres.

Voor dit artikel is gebruikgemaakt van:

Classicale acta 1573-1620. Deel IX: Provinciale synode Gelderland, ed. C. Ravensbergen; ’s-Gravenhage, 2012.

A.C. Duke, ‘An enquiry into the troubles in Asperen, 1566-1567’, in: Bijdragen en mededelingen van het Historisch Genootschap 82 (1968), 207-227. [met link]

K. Kuiken, ‘Boetzelaer, Catharina van (den)’, in: Digitaal vrouwenlexicon van Nederland, resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon. [met link]

B.A. Vermaseren, ‘P.C. Bockenberg (1548-1617), historieschrijver der Staten van Holland’, in: Bijdragen en mededelingen van het Historisch Genootschap, 70 (1956), p. 63-81 [met link]

Beekman, M., Beschreivinge van de stad en baronnie Asperen, Utrecht 1745.

Enny de Bruijn, ‘Building bridges to past centuries: religion and empathy in early modern biography’, in: H. Renders e.a. (ed.), The Biographical Turn, London 2016, 129-140.

R. Staverman e.a., ‘Hungerige und dorstige schapen der coyen Christi’. Geschiedenis van de parochie Varik. (Varik 1979).