De spraak verraadt hen

Taal
beeld Meertens Instituut
7

Petrus viel door de mand vanwege zijn dialect. Op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester Kajafas werd hij herkend als volgeling van Jezus. „Uw spraak maakt u openbaar.” Het dialect maakt deel uit van iemands persoonlijkheid. Maar heeft het nog toekomst?

Het is verbazingwekkend hoeveel verschillende dialecten er in een klein land als Nederland worden gesproken. Als er geen Standaardnederlands bestond zouden mensen uit het hoge noorden een zuiderling niet of nauwelijks verstaan – en omgekeerd. Dat Twentenaren zich in het dialect tot ver in Duitsland altijd prima verstaanbaar konden maken, bewijst overigens dat landsgrenzen niet altijd een taalbarrière vormen.

Hoe dat allemaal zo gekomen is, is een lang historisch verhaal. Feit is dat dialecten momenteel in ras tempo aan het verdwijnen zijn. Alle inspanningen om het tij te keren ten spijt, want taal laat zich niet sturen. „De peuterspeelzalen zijn de grote vernietigers van minderheidstalen”, constateert taaldeskundige Leonie Cornips van het Meertens Instituut. De toegenomen mobiliteit en (sociale) media doen de rest.

Toch blijft vaak hoorbaar uit welk deel van het land iemand komt, ook al spreekt hij Standaardnederlands. Een Groninger slikt gemakkelijk klinkers in (loop’n), de Brabander is herkenbaar aan een zachte g, de Zeeuw vervangt de g door een h en in Amsterdam wordt de z als s uitgesproken en de v als f. De Gooise r is spreekwoordelijk en onderscheidt zich duidelijk van de Rotterdamse variant.

thumbnail_RDInside_10_taalvlogkopieRDInside #10 – Dialecten op de redactie

Ook aan het gebruik van bepaalde woorden valt iemands herkomst af te leiden. Wie gij zegt in plaats van u komt uit Brabant, Limburg, de Betuwe of uit Vlaanderen. Zelfs de zinsopbouw kan per streek verschillen. „Jan had wel een appel eet’n wilt”, zou een Groninger kunnen zeggen. Kortom, de spraak verraadt hen.

Niettemin signaleert ook taalkundige Nicoline van der Sijs dat het dialect onder druk staat. Steeds minder kinderen worden in het dialect opgevoed en de verschillen tussen de dialecten worden kleiner doordat dialecten zich steeds meer aan elkaar en aan het Standaardnederlands aanpassen. Mede daarom vond ze het in 2011 hoog tijd om een ”Dialectatlas van het Nederlands” (uitg. Bert Bakker) samen te stellen. Een paar jaar later, in 2015, zette ze de elektronische Woordenbank van de Nederlandse Dialecten (eWND) op die via de website van het Meertensinstituut is te raadplegen. De eWND bevat een (groeiend) aantal oude en modernere Nederlandse dialectwoordenboeken.

Het zijn pogingen om vast te leggen wat de verdwijning nabij is. Toch vindt Van der Sijs dat de positie en de waarde van de dialecten worden onderschat. „Dialecten spelen in de samenleving nog steeds een rol”, schrijft ze in de inleiding van haar atlas. Ze wijst op regiosoaps en dialectpop die gretig aftrek vinden. De houding ten opzichte van het dialect is volgens haar positiever dan halverwege de twintigste eeuw. Ze spreekt van „geuzentaal” waarmee wordt benadrukt dat men bij een bepaalde groep hoort. „Ook mensen die van huis uit helemaal geen dialect spreken, kunnen hun taalgebruik larderen met enkele dialectwoorden om een bepaalde knusse, intieme sfeer op te roepen: zij kunnen naar ”huus” gaan of in een ”huuske” wonen, ze ”vatten een pilske” en ”gaan naar moeders”. Dialectwoorden komen zelfs voor in het zogeheten bekakte Nederlands: ”vrinden”, ”in Leijen studeren.”

Intussen worden in verschillende delen van het land verwoede pogingen gedaan om dialecten voor uitsterven te behoeden. Er worden dialectcursussen gegeven, er worden raadsvergaderingen in het dialect gehouden, streektalen worden officieel erkend. De enige effectieve manier is echter de opvoeding thuis. Alleen als ouders met hun kinderen dialect spreken, kan worden voorkomen dat het dialect in de coulissen van de folklore belandt.

Drents

Maar Bartje is geen Bartje meer. Hij kijkt moeder aan, hij slikt, slikt.... en zegt: „Ik bid niet veur brune bonen.”

En dan gaat alles zo gauw. Vaders stoel vliegt tegen de muur, Bartje zwaait door de lucht, zijn voeten slaan een bord van de tafel. Riekie wordt onderstboven gelopen, allen jammeren. „Albert, neem je in acht, ’t is een kiend!’ „Vader, o, o, vader!” Maar vaders eeltige hand beukt op Bartjes broekje. En die slimme, kalme Bartje is veranderd in een kleine woesteling. Hij trapt, bijt, slaat om zich heen. Hij gilt: „Nooit, nooit, nooit!’....

Dan zet moeder de deur wagenwijd open en vader stoot hem naar buiten.

„En de drommel zal je halen, as ie nog een stap over de drempel doen!” buldert vader, hijgend.

„Ie bint jà een wild dier geliek!” roept moeder. „Zoek dan maar een ander huus op, heur! Wij willen zo’n stiefkop niet meer hebben.”

„Zo is ’t,” bevestigt vader, verrast door dit nieuwe gezichtspunt. „Smeer hem maar. Zuuk maar een ander vader en moeder. En heb ’t hart eens in ’t lief, dâ j’ weeromme kommen.”

De deur slaat dicht.

(Uit: ”Bartje”, Anne de Vries, 1940)

Brabants

„Hoe mot dat nou?”

Eigenlijk behoorde híj dat te weten, maar Truuske zegt het. Haar stem klinkt beslist. „Vanavond vertel ik ’et aan moeders en morgen gao ’k naor den pastorie.”

De pastorie! Is dat niet om je het kleplazerus te schrikken?

Dominee Wierewaay! Als je de vragen niet kent krijgt ’ie al een paar ogen in z’n kop als een tijger! „Ik moet morgen een koei slachte”, zegt Jan.

„Gij hoeft ook nie’ mee”, zegt Truuske, „ik gao wel alleen.”

Alleen? Truuske alleen naor den dominee? Had hij nu de moed maar om te zeggen: ik ga mee. Maar die heeft hij niet. Hij heeft wél een ander soort moed. „As ’ie oe toch...” begint hij dapper, maar Truuske onderbreekt hem.

„Ik gao nie’ naor den dominee”, zegt ze, „ik gao naor ’t mevrouwke.”

(Uit: ”Dossier 333”, Bé Nijenhuis, 1952)

Zeeuws

De volgende morgen is het weer gezellig in den uze (woonkamer). De kinderen hebben beurtelings hun ouders en elkaar een gezegend nieuwjaar toegewenst, behalve Fransje, die de gebruikelijke woorden nog niet kent. Maar nu hij die telkens hoort herhalen, vraagt hij ongeduldig aan Wantje: „Wat is dat toch voe vaesje?”

„Och, joan, dat is gin vaesje. Dat is nieuwejaer wensen.”

„Ja, mae wat zaen je dan aalmae?”

Wantje is maar al te bereidwillig hem in de geheimen van de grotemensenwereld in de leiden, en zegt: „Ièst geef je mekaren een and, en dan mò je zaen: Ik wense je vee heil en zegen in ’t nieuwe jaer, mie aal a je noadig eit, de zegen en de gezondheid!”

Ze laat hem elke zinsnede driemaal nazeggen, tot hij de hele wens kent. Triomfantelijk loopt hij naar Moeder om zijn kennis te luchten. Hij geeft haar een hand en zegt zijn versje op. Moeder zegt: „Jie bin à zò es een groat jonksje. Weet je wè, da je agauw vier jaer wordt? Vandaege ist den ièsten jannewari, en den lessen van deze maend wor jie vier jaer, amme ’t beleven meugen.”

(Uit: ”In zijn arm de lammeren”, Cornelius Lambregtse. 1971)